--Jij arme kleine! zeide de oude dichter en nam hem bij de hand. Kom

binnen, ik zal je verwarmen! Wijn en een appel zal je ook hebben,

want je bent een lieve jongen!

Dat was hij ook. Zijn oogen leken twee heldere sterren, en ofschoon

het water hem uit het blonde haar droop, krulde het zich toch

alleraardigst. Hij zag er uit als een kleine engel, maar hij was bleek

van kou en bibberde over het gansche lichaam. In zijn hand hield hij

een prachtigen boog, die echter door den regen geheel was bedorven;

de kleuren der mooie pijlen vloeiden door den regen in elkander.

De oude dichter ging weer zitten bij zijn kachel, nam den kleinen

knaap op zijn schoot, streelde hem het water uit zijn haren, warmde

de verkleumde handjes in de zijne en gaf hem wat warmen wijn te

drinken. Toen leefde het kind op, er kwam een blos op zijn wangen,

hij sprong op den vloer en trippelde om den ouden dichter heen.

--Je bent een vroolijke jongen! zei de oude. Hoe heet je?

--Ik heet Amor! antwoordde hij. Kent u me niet? Daar ligt mijn

boog. Daarmee kan ik schieten. Kijk, nu is het weer goed weer; het

maantje schijnt!

--Maar je boog is bedorven! zeide de dichter.

--Dat zou jammer zijn, zeide de kleine knaap, nam hem op en bekeek

hem.--O, hij is al weer droog en hij is weer goed. De pees is juist

goed strak geworden. Ik zal hem eens probeeren. En meteen spande

hij den boog, legde een pijl erop, mikte en schoot den ouden dichter

precies in het hart.

--Nu kan u zien, dat mijn boog niet bedorven is! zeide hij, lachte luid

en liep weg. Neen, geen aardige jongen. Zoo op den ouden dichter te

schieten, die hem zoo vriendelijk in zijn warme woning had opgenomen,

zoo lief tegen hem was geweest en hem warmen wijn en den lekkersten

appel gegeven had.

De goede dichter lag op den vloer en weende, want hij was precies

in het hart geraakt.--Foei, zeide hij, wat een ondeugende jongen is

die Amor! Ik zal het aan alle goede kinderen vertellen, dat ze zich

voor hem kunnen wachten en nooit met hem spelen, want hij zou ze maar

kwaad doen.

Aphrodite (Venus), de godin der liefde, was bij de Ouden tegelijkertijd

de godin der vrouwelijke schoonheid--liefde en schoonheid waren voor

het esthetisch gevoel der ouden onafscheidelijke begrippen. Haar

mannelijke tegenhanger, Eros (Amor), is evenwel niet tegelijk de

vertegenwoordiger der mannelijke schoonheid, wel der zinnelijkheid

in het algemeen, als om te kennen te geven, hoezeer men de liefde

bij den man onafscheidelijk achtte van zinnelijkheid.

Als personificatie der mannelijke schoonheid gold bij het meest

artistieke volk der oudheid Apollo (zie bijlage: Apollo van Belvedere),

de beschermer van al wat goed en schoon is, doch meer nog de jongeling

Adonis, het symbool van het jonge lenteleven. Deze jongeling deed

zoozeer de vrouwelijke zinnelijkheid ontvlammen, dat behalve Aphrodite

zelf o.a. ook Persephone, de machtige en schrikkelijke koningin der

onderwereld, op hem verliefde, waaruit een felle strijd tusschen

de beheerscheressen van den Hades en van den Olympus ontbrandde,

aan welken strijd Zeus zelf tenslotte een einde moest maken door te

bepalen, dat elk der beide godinnen hem een deel van het jaar zou

bezitten. In geheel de antieke wereld werden in den zomer met groote

pracht Adonisfeesten gevierd, waaraan vooral de vrouwen deelnamen. Ook

keizer Hadrianus' gunsteling Antinous (zie bijlage: Antinous) was

een ideaal van mannelijke schoonheid der antieke wereld.

Tegenover Aphrodite (Venus) als godin der schoonheid en der liefde

staat Pallas Athene (Minerva), het symbool der boven de sexualiteit

staande vrouwelijke waardigheid, het ideaal der eeuwige maagd, los

van alle zinnelijkheid, het zinnebeeld der vrouwelijke wijsheid,

die zich niet, zooals zoo vaak die van den man, door zinnelijken

hartstocht laat vervoeren en meeslepen. Ook in deze gedachte vond de

oudheid een bevrediging van haar schoonheids-idealen--de Pallasbeelden

van Phidias op den Acropolis te Athene en op Lemnos golden als de in

beeld gebrachte verheven vrouwelijke schoonheid bij uitnemendheid.

In hun voorstellingen in beeld als anderszins van al deze en verdere

figuren hunner nationale mythologieën, hebben de kunstenaars der

Helleensche oudheid hunne begrippen en idealen van mannelijke en

vrouwelijke schoonheid vastgelegd. En die voorstellingen hebben het

esthetisch gevoel van alle latere geslachten kunnen bevredigen. Zij

zijn de voorbeelden van verheven zoowel als van zinnelijke schoonheid

geworden voor alle tijden en de kunstenaars uit latere tijden geven

aan hunne schoonheids-idealen bij voorkeur de namen dezer idealen der

oudheid (zie bijlagen: Venus en Amor, Venus en Adonis, en Venus). De

kunstproducten uit dien tijd, toen niets heilig was dan het schoone,

zijn tot op heden in den strijd om den voorrang met die van andere

tijdperken steeds weer boven gekomen en erkend als de ideale typen

van den schoonen mensch. Het Venusbeeld van het eiland Melos (nu:

Milo), de Venus die in 1584 in het bezit kwam der familie de Medici

te Florence en daarom in de kunst bekend is als de Venus der Medici,

verder de Venus van het Kapitool en de Venus Callipygos zijn daarvan

de onsterfelijke voorbeelden (zie de bijlagen). En dit geldt niet

alleen van hunne uitbeeldingen van de godenwereld, maar ook van

hunne gewrochten naar het levend model--bij hen zijn de godinnen niet

schooner of verhevener dan de hetaeren of publieke vrouwen, zooals

Aspasia, Phryne, Thaïs, Myrrhina, Lamia, Thargelia, Laïs, Theodota

enz. Zelfs zou de vermaarde hetaere Phryne het model zijn geweest,

waarnaar Praxiteles zijn Aphrodite voor Cnidus, de hoofdstad van het

Dorisch Verbond in Klein-Azië (vandaar: Venus der Cnidiërs of Cnidische

Venus), schiep. En hoezeer beide uitersten die zich bij de vrouw laten

denken--godin en prostituee--door de Ouden op één lijn werden gesteld,

zoo zij slechts beantwoordden aan hun ideaal van schoonheid, blijkt

hieruit, dat in den tempel te Thespiæ, de geboortestad van Phryne,

het beeld van Aphrodite en een portretstandbeeld van Phryne nevens

elkaar stonden.

Dit vinden wij trouwens terug in elk gulden tijdvak der

kunst. Treffende voorbeelden daarvan zijn vele voorstellingen

van de maagd Maria. Bij vele daarvan is het bij den eersten blik

duidelijk, dat bij het ontwerpen den maker geheel iets anders voor

den geest heeft gezweefd dan een onsterfelijk godsbegrip. Van de

moeder-gods-beelden der Renaissance zijn vele niets dan uitingen

van het erotische schoonheids-ideaal van dat tijdvak. Evenals in

de oudheid aan hetaeren een plaats werd waardig gekeurd naast de

godin van den Olympus, zoo zij slechts schoon waren, wordt Maria,

behalve hemel-koningin tevens de ideale koningin der zinnelijke

schoonheid. De aanblik van de boezems en verdere vrouwelijke vormen

der Renaissance-Maria's wekken alles behalve bovenaardsche en

bovenzinnelijke gedachten en verlangens. In de voorstelling van de

Boodschap is zij blijkbaar meer de in erotischen gloed ontvlammende

jonge vrouw, voor wier geest blijkbaar zeer aardsche beelden zweven,

dan een in verheven geestverrukking zich verdiepende uitverkorene,

die in de glorie van smetlooze reinheid het wonder der onbevlekte

ontvangenis ondergaat. Van etherische kuischheid is in den regel

geen spoor meer te ontdekken. Waar zij het kind Jezus zoogt, is dit

voor den schilder gewoonlijk slechts een even welkom als schijnbaar

ongezocht motief om een schoone jonge vrouw op het pikantst te

decolleteeren (zie bijlage: Moederweelde). Zoo wordt in de Renaissance

het heiligenbeeld, evenals in de oudheid, het ideaal der zinnelijke

schoonheid. Dit blijkt te meer, wijl in die Mariabeelden niet zelden

vrouwen werden vereeuwigd, die haar beroemdheid voornamelijk hadden

verworven in en om de alcove. Men denke hier slechts aan het beroemde

portret van Agnes Sorel van Jean Foucquet (thans in de Antwerpsche

galerij). Als madonna met het goddelijk kind op den arm demonstreert

zij de gansche pracht en de volle weelderige heerlijkheid van haar om

zijn schoonheid vermaarden boezem. En alleen om die pracht te vertoonen

was het blijkbaar te doen, zoowel den schilder en het model als hem

die de opdracht had gegeven. Het motief der moeder Gods was daarbij

alleen het ongezocht schijnende voorwendsel. Interessant is bij al

deze doorzichtige pogingen om het hemelsche in dienst te stellen

van het zinnelijke aardsche schoonheidsideaal, dat in dien tijd bij

vrijwel alle voorstellingen van de maagd Maria de onnoozele Joseph

gemist wordt. Maria had hare schoonheid niet haar man te vertoonen,

maar aan ieder die oog had voor vrouwenschoon. En waar men zich van

Maria bedient om de heerlijkheden der vrouw ten toon te stellen,

daar heeft men Joseph niet noodig, hij kan gaan, hij zou slechts

hinderen en opnieuw de ondankbare rol spelen van overbodige bijlooper.

Het erotisch karakter van de heiligenbeelden der Renaissance

komt natuurlijk nog sterker uit als het motief zelf reeds op iets

erotisch betrekking heeft, zooals bijvoorbeeld bij de voorstelling

van de boetvaardige Magdalena. Al die boetvaardige Magdalena's der

Renaissance zijn schoone zondaressen, wier zonde op het eerste gezicht

zeer begrijpelijk is, maar wier boetende ziel meer vervuld schijnt van

de mysteriën der alcove dan van de verschrikkingen van het vagevuur.

Ook in dezen tijd weer was niets heilig dan het schoone en al wat aan

het toenmalig schoonheids-ideaal beantwoordde werd heilig geacht. En

opnieuw greep men in dit tweede groote tijdvak van heerschappij van het

schoone, zelfs bij voorkeur naar het heilige. Het oude testament werd

de groote voorraadschuur van onderwerpen voor voorstellingen, waarin de

schoonheids-idealen zich in erotischen gloed konden openbaren. Joseph

en de vrouw van Potifar (zie bijlage), Lot en zijn dochters, Simson

en Delila, David en Bathseba, Suzanne in het bad en dergelijke zijn

de geliefkoosde onderwerpen van de kunst--steeds de trouwe spiegel van

het geestesleven van een tijdvak of van een volk--der Renaissance. En

ook de geheele Olympus herleefde weer, voor zoover hij erotische

motieven aan de hand kon doen. Als men Venus, Jupiter, Mars, Juno,

Diana en de verdere mythologische godheden of de legendarische en

half-historische figuren uitbeeldde, dan was dit steeds om hen ten toon

te stellen in hun altijddurend genotleven. Men schilderde de tallooze

godenminnarijen en daaruit steeds de meest pikante episoden. En evenals

men bij het uitbeelden van Maria louter de toenmalige opvatting der

vrouwenschoonheid weergaf, hield men zich bij het schilderen van

de antieke goden en godinnen in het minst niet angstvallig aan de

origineelen, maar gaf daarin zijn eigen schoonheids-idealen weer.

In den tegenwoordigen tijd is de slanke figuur het overheerschende

esthetische ideaal van vrouwenschoonheid, terwijl een bepaald ideaal

van mannenschoon moeilijk zou zijn aan te wijzen. Een noodzakelijk

gevolg van dit slankheidsideaal is de vereering der lichaamsvormen

van het meisje, zelfs van het nauwelijks de kinderschoenen ontwassen

en lichamelijk nog onrijpe meisje. En een verder gevolg van deze

vereering van het meisjesachtig slanke, is een algemeene simulatie van

meisjesvormen door de geheele vrouwenwereld. Zoolang mogelijk en met

alle ten dienste staande toilet-, garderobe- en andere middelen streven

alle nog levenslustige vrouwen er naar meisje te schijnen. Geen vrouw

meer is op het eerste gezicht boven de twintig, zoo zij niet over

de vijftig is. Zoo machtig is de invloed der mode op het algemeene

beeld, waarin zich de vrouwenwereld van een tijdperk vertoont, nu

zoowel als voorheen.

Algemeen heerscht de meening, dat van de schoonste vrouwen, d.w.z. van

die welke het esthetisch ideaal van het oogenblik het dichtst nabij

komen, ook de grootste erotische bekoring uitgaat. Onwillekeurig

neemt men aan, dat alle vrouwen, die als courtisanes van vorsten

als anderszins haar naam in de geschiedenis hebben achtergelaten,

bijzondere schoonheden geweest zijn. Dit is echter volstrekt de regel

niet. Integendeel, een heele reeks van zulke vrouwen voldeden maar

aan matige schoonheidseischen. En een menigte esthetisch bijzonder

schoone vrouwen zou daar tegenover zijn te stellen, van wie niet

blijkt, dat zij bijzonder de aandacht hebben getrokken. Men moet

aannemen dat bij de erotische aantrekking tusschen de sexen niet

louter de esthetisch schoone lichaamsvormen den doorslag geven,

maar dat zich daarbij ook allerlei duistere sympathiën doen gelden.

De geliefde vrouw is altijd een engel, of zij moeder, zuster, dochter

of echtgenoote heet. De vrouw, die men niet liefheeft, is en blijft

maar een vrouwspersoon, al ware zij zoo schoon als de Venus van

Milo. Photo Bruckmann, München.

Het heeft niet ontbroken aan pogingen om langs materieelen en

werktuigelijken weg een normaal schoonheidstype vast te stellen,

en wijl bijna uitsluitend de meer zinnelijke man zich daarvoor

interesseert, gelden al zulke pogingen voornamelijk de vrouw. De

kenteekenen, waarnaar in zulke stelsels de mate van schoonheid

wordt beoordeeld, heeten te zamen een schoonheidskanon of kortweg

kanon. Zulke kanons stellen bepaalde eischen aan de voornaamste

uitwendige deelen van het lichaam enz., en het meerendeel dier

eischen komt neer op een eenvoudige meting. Een individu, dat

aan alle gestelde eischen zou voldoen, zou dan als het ideaal van

schoonheid moeten worden aangemerkt. Zulke kanons stammen al uit

de oudheid. Volgens den kanon van Polycletus moet het gezicht een

tiende van het geheele lichaam uitmaken. De Egyptische kanon stelde

den eisch, dat de lichaamslengte gelijk moest zijn aan 19 maal de

lengte van den middelvinger. In den tegenwoordigen tijd heeft men een

anderen weg ingeslagen--men heeft bij een zoo groot mogelijk aantal

individuën de gemiddelde maat der verschillende lichaamsdeelen zoeken

vast te stellen en daarnaar normale maten voor het gansche lichaam

berekend, en ten slotte daaruit ideale schoonheidstypen voor rassen

en individuën trachten af te leiden. Als grondmaat (modulus) nam men

de zonderlingste en willekeurigste uitgangspunten; zoo bijvoorbeeld

de Duitsche anatoom G. Fritsch de lengte van de lijn tusschen neus

en schaambeensvereeniging bij rechtstandige houding.

Al zulke pogingen om met den maatstok het ideaal te vinden, hebben

natuurlijk weinig of geen esthetische waarde. Want daarin worden

doorsnee en ideaal op één lijn gesteld. Zoo heeft een Belgisch geleerde

door optelling van de gezamentlijke lengtematen aller Belgen en deeling

van het zoo verkregen aantal millimeters door het totaal aantal Belgen,

de ideale lichaamsmaat van den Belg zoeken vast te stellen; bij het

bekend worden dier methode hebben zijn landgenooten karikaturisten

wel gezorgd, dat hij met zijn systeem terecht kwam bij alles behalve

ideale typen.

En men is zelfs nog verder gegaan en heeft een meting van het heele

menschdom voorgeslagen, ten einde op die wijze den idealen mensch op

te sporen.

Men is op deze buitensporigheden thans vrijwel teruggekomen. Men houdt

nog wel vast aan maatstaf of kanons, aan een verzameling van uiterlijke

kenteekenen waarnaar de meerdere of mindere mate van lichaamsschoon

moet worden beoordeeld, maar men spreekt daarbij weinig of niet

meer van ideaal. Vele kunstenaars hebben zulke kanons opgesteld,

vooral om een richtsnoer te hebben voor de onderlinge verhoudingen

der lichaamsdeelen.

De oude Grieken reeds hebben naar een zuiver schoonheidstype

gezocht. Behalve aan afmetingen kenden zij daarbij ook beteekenis toe

aan andere factoren. En in natuurlijkheid staat de Grieksche kanon

dan ook vrijwel altijd bovenaan, n.l. die van Polycletus, later

een weinig gewijzigd door Lysippus, wiens kanon het zuiverst heet

te worden vertegenwoordigd door zijn "Speerdrager" (te Napels). De

Grieksche schoonheidskanon, zooals oud-Griekenland's beeldhouwwerken

die te aanschouwen geven, beheerschen nog heden de beeldhouwkunst

niet alleen, maar vrijwel de geheele esthetische opvatting van de

schoonheid der vormen, in het bijzonder van de vrouw. Lange beenen

golden bij de Grieken als ideale, waarschijnlijk wijl zij bij hen

betrekkelijk zeldzaam waren. De Apollo van Belvedere (zie bijlage)

is zulk een zeldzaam ideaal, doch in geenen deele een voorbeeld voor

de verhoudingen bij het normale blonde type dat in een groot deel

van Europa de overhand heeft. Zoodat dit ideaal hierom reeds niet

als algemeen ideaal van den schoonen mannelijken mensch kan gelden.

Men volgt nog altijd de Grieksche kanon na tot in bijzaken en

dingen, die van zekere plaatselijke opvattingen afhangen, toe. Zoo

behoorde het tot het toilet der antieke dames, het schaam- en

okselhaar zorgvuldig te verwijderen, een gebruik dat in de geheele

volkenkunde maar hoogstzelden elders wordt teruggevonden. Doch voor

de Grieksche beeldhouwers was er in elk geval een geldige reden om

hunne vrouwenbeelden onbehaard voor te stellen; dit geschiedde niet

uit preutschheid, maar integendeel om het erotisch effect te verhoogen,

wijl aanwezigheid van schaamhaar voor het Grieksche gevoel den indruk

van afstootende onreinheid zou hebben gewekt. En de geheele nieuwere

kunst heeft deze eigenaardigheid van den Griekschen schoonheidskanon

blindelings nagevolgd.

Kunstgeleerden, zooals Stratz en anderen, hebben in den laatsten

tijd den antieken kanon in gewijzigden vorm opnieuw populair weten

te maken. Opzettelijk of onbewust hebben zij de modellen voor hunne

metingen enz. uitgekozen naar de beginselen der antieke esthetiek,

en ze zijn zoodoende tot vrijwel dezelfde resultaten gekomen. De

kanon van Stratz nu stelt aan het ideaal van vrouwenschoon de volgende

eischen: ronden schedel en klein gezicht, met groote oogholten, smalle

onderkaak en zachten overgang van de wangen in den hals; ronde hals

en schouders, slanke taille met smalle lange borstkas, ronde borsten,

breed bekken en gewelfde billen; ronde ledematen, smalle handen met

langen wijsvinger, ronde, gevulde dij, zacht geteekende knievorm,

ronde kuiten, kleine voet met smalle teenen, waarvan de tweede de

langste is, weelderig hoofdhaar, spaarzaam okselhaar, bijna geheel

verborgen schaamhaar en verder een onbehaarde, zacht-teere huid.

Door al deze kanons worden denkbeelden omtrent schoonheid en

lichaamsvormen gewekt, die noodzakelijk tot teleurstellingen

moeten leiden. Wijl de menschen geen gelegenheid hebben levende

naaktheid te zien, verzadigt hun verbeelding zich aan gebeeldhouwde,

geschilderde, geteekende vormen. Daarnaar richten zij hun eischen

aan de levende werkelijkheid. Maar ook de grootste kunstwerken

zijn altijd geïdealiseerde scheppingen eener artistieke phantasie,

en de toeschouwer, die de heerlijkheid dier vormen en omtrekken in

zich opneemt, kan bij het aanschouwen der werkelijkheid niet anders

ondervinden dan teleurstelling. Voor het leven der liefde heeft

dit zijn eigenaardige consequenties: de geliefde blijkt weinig

of niet aan de regelen van den schoonheidskanon te beantwoorden,

iedere verdere intieme onthulling brengt een nieuwe ontgoocheling, de

hooggespannen esthetische verwachting blijft onbevredigd. Natuurlijk

ligt in vrijwel al zulke gevallen de schuld bij de lichtgeloovigen,

die de valsche voorstellingen van de kunst voor goede munt hebben

opgenomen. De kunst in haar streven naar bovenaardsch schoon heeft het

esthetisch oog niet geoefend, maar verblind en niet zelden wendt het

zich dan vol ergernis af van de werkelijkheid, die zich niet bekommert

om kanons. En zoo komt een Schopenhauer er toe, sprekende van de

vrouwen, deze verachtelijk aan te duiden als het in elkaar gegroeide,

smal-schouderig, breedheupig en kortbeenig geslacht, dat men met meer

recht het leelijke dan het schoone geslacht zou kunnen noemen.

Bij het beoordeelen van schoonheidkanons dient steeds in het oog

te worden gehouden, dat deze zijn samengesteld, niet naar het

levend model der werkelijkheid, maar naar de bedriegelijk-ideale

scheppingen der kunst, die uit de werkelijkheid alleen datgene neemt,

wat haar esthetisch instinct bevredigt. Kunst verheft zich boven

de werkelijkheid. Gedeeltelijk is zij daartoe ook gedwongen door

gebrek aan gelegenheid tot waarneming. Welke man bijvoorbeeld is in

de gelegenheid, rustig en kritisch een genoegzaam aantal onbekleede

vrouwenlichamen te zien te krijgen? Zelfs de beeldende kunstenaar niet,

die toch keus moest hebben uit het beste, doch die ten deze geheel

afhankelijk is van de misère van de modelmarkt. Van Dürer is bekend,

dat hij gretig de gelegenheid aangreep die de badhuizen van dien tijd

aanboden, wijl hij daar tenminste een aantal vrouwen te zien kreeg.

Geestdriftige vrouwenvereerders zeggen dat elke vrouw mooi is. Maar

zoo als ongeveer altijd, is ook in dit geval de werkelijkheid in de

hoogste mate onhoffelijk, zij logenstraft die vurige bewonderaars

bij elken stap en overstelpt ze brutaal en zonder erbarmen met de

bewijzen, dat het percentage vrouwen, dat werkelijk mooi of schoon

kan worden genoemd, zeer gering is, terwijl het overgroote meerendeel

ook nog beneden het matigste schoonheidsideaal blijft. Men mag dan

ook aannemen, dat de stelling "alle vrouwen zijn schoon" eigenlijk

niets meer is, dan een galante ontboezeming eener oververhitte

mannelijke zinnelijkheid, die in de vrouw niet den geheelen mensch

zoekt maar in iedere vrouw alleen een wezen ziet van de andere sexe,

een instrument ter bevrediging van zinnelijken wellust. De lof: alle

vrouwen zijn schoon, verheerlijkt niet de vrouw, maar haar sexe, er

spreekt geen vereering uit, maar begeerte. Dezulken, die zoo spreken

zijn erotische naturen, die elke vrouw alleen daarom schoon vinden,

wijl iedere vrouw tot zekeren graad de wellust vermag te dienen.

Degenen, die zonder keus alle vrouwen mooi, d.i. begeerlijk vinden,

stellen aan het vrouwelijk schoonheids-ideaal in werkelijkheid de

geringste, de laagste eischen. Het hoogste en waardigste ideaal leeft

bij hen, die in de vrouw in de eerste plaats den mensch zien en wien

het sexueele in de vrouw eerst dan aantrekt en bekoort, als hun verrukt

oog haar gesierd ziet met eenige der tallooze psychische wonderbloemen,

zonder welke ook de schoonste vormen het verfijnde esthetisch gevoel

niet kunnen bevredigen.

Dat de vrouw minder zinnelijk is dan de man blijkt ook weer hieruit,

dat men nimmer hoort van vrouwen, die alle mannen onvoorwaardelijk mooi

vinden. Op het punt van uiterlijk voorkomen is de vrouw in den regel

in haar oordeel kalmer en beradener dan de man, haar zinnelijkheid

is daarbij niet allereerst aan het woord, en zij bezit tegen schoone

vormen ook veel grooter weerstandsvermogen dan de man. Dit feit brengt

sommigen tot het enorme misverstand, dat de vrouw voor mannelijk

schoon zoo goed als geheel onverschillig en ongevoelig zou zijn, en

dat haar sympathieën gewoonlijk door geheel andere eigenschappen en

hoedanigheden moeten worden gewonnen. Dit is echter een overdrijving

van het feit, dat de vrouw niet in die mate als de man machteloos

staat tegenover de bekoring der schoonheid.

Op de vraag, wie het schoonste product der schepping mag worden

genoemd, de man of de vrouw, is waarschijnlijk het antwoord, hetwelk

het dichtst bij de werkelijkheid komt dit: dat de som van schoonheid

bij beide sexen wel ongeveer gelijk zal zijn. Wel worden de vrouwen bij

voorkeur aangeduid als het schoone geslacht, doch deze qualificatie

is te beschouwen als een compliment der mannelijke galanterie,

waarmee de man meer zijn zinnelijke begeerte dan zijn meening te

kennen geeft. De man pleegt zich krachtens zijn eigenaardige rol in

het liefdeleven, onbewimpeld over de vrouw uit te laten, en openlijk

te verkondigen hoezeer alles in haar hem aantrekt. De vrouw laat om

dezelfde reden zich minder openlijk en dikwijls in het geheel niet

uit. Haar natuurlijke taak is, begeerlijk te zijn; eigen begeerte

te laten blijken zou daarbij een tactische misslag zijn en tegen

misslagen van dien aard is elke vrouw steeds angstvallig op haar hoede.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid · 第 5 / 15 段