sommiger vrouwen is haar veelvuldig opgemerkte voorliefde voor
erotische, obscene en zelfs plat-pornografische lectuur. In de 17e
eeuw heerschte, naar Philander von Sittenwald bericht, bij de vrouwen
algemeen de mode, zulke de zinnelijkheid prikkelende werken te laten
inbinden in den vorm van kerkboeken, teneinde zonder opzien te wekken
overal, tot zelfs in de kerk toe, er zich ongehinderd in te kunnen
verlustigen. Deze zelfde truc wordt nog heden veel toegepast. Nog
tegenwoordig brengen in Amerika, Engeland en elders, de handelaars
in zinnelijke prikkellectuur hun waar veelal in den handel in den
uiterlijken vorm van stichtelijke werken, gezangboeken, kerkboeken,
zakbijbels en dergelijke, wetende dat in dien oogenschijnlijk
onschuldigen vorm een ruime afzet bij de vrouwelijke jeugd en ook
bij oudere vrouwen verzekerd is. Een Engelsch verzamelaar is in het
bezit van een uitgebreide dusdanige damesbibliotheek, waarvan elk
exemplaar de duidelijkste sporen draagt van veelvuldig gebruik, terwijl
tallooze kantteekeningen in fijn en sierlijk damesschrift de indrukken
weergeven, die de inhoud alzoo op de lezeressen gemaakt heeft. Uit
die kantteekeningen vooral blijkt, dat de opgewonden vrouwelijke
phantasie in het zinnelijke ook de meest ontuchtige orgiën, die de
man zich kan droomen, nog verre weet te overtreffen. Veelzeggend is
in dit opzicht ook de sarcastisch-paradoxale vraag van Otto Weiss:
of jonge meisjes boeken mogen schrijven, die ze zelf niet mogen lezen.
De slotsom van elke vergelijking tusschen de zinnelijkheid van man en
vrouw kan geen andere zijn dan deze, dat zij volstrekt onvergelijkbare
grootheden zijn; dat de zinnelijkheid van den man in zijn bruutheid
tamelijk eenvormig is, terwijl daarentegen de zinnelijkheid van de
vrouw oneindig gecompliceerd is en vol van de verrassendste nuancen,
en daarom ook veel interessanter; en dat tenslotte de zinnelijkheid van
de vrouw, hetzij door verfijning boven, hetzij in grove dierlijkheid
beneden de mannelijke zinnelijkheid staat, doch nimmer daaraan
gelijk is.
IV.
SCHOONHEIDS-IDEALEN.
De zinnelijkheid van den mensch richt zich aanvankelijk in het algemeen
op de andere sexe, maar zij doet tenslotte een keuze en vestigt zich
op een bepaald individu, en men mag aannemen, dat de persoonlijkheid,
waarop die keuze valt, de sterkste aantrekkingskracht vermocht uit
te oefenen op de zinnelijkheid van wie die keuze doet. Dit doet de
vraag rijzen, welke eigenschappen een persoon hebben moet om een
persoon van het andere geslacht zoozeer te bekoren en te behagen,
dat de begeerte tot bezit en vereeniging wordt opgewekt.
Evenals alle vragen, die het leven der liefde en der zinnelijkheid
betreffen, is ook deze interessante vraag uiterst gecompliceerd en
een positief en afdoend antwoord laat zich daarop niet geven. Gelijk
vanzelf spreekt, wordt hier alleen bedoeld zuiver sexueele keuze op
louter sexueele gronden en niet die, welke berust op overwegingen
van financieelen of maatschappelijken aard. Wij houden ons hier
dan ook alleen bezig met die gevallen, waarin de keuze inderdaad de
persoonlijkheid zelf geldt en niet zijn of haar bezittingen, stand
als anderszins.
De begeerte tot bezit en tot vereeniging met een persoon van de
andere sexe wordt, dit behoeft geen nader betoog, in de eerste plaats
gewekt door lichamelijke eigenschappen en wellicht ook eenigermate
door innerlijke, geestelijke hoedanigheden. Maar welke zijn die
eigenschappen en hoedanigheden?
Het is duidelijk, dat de eigenschappen, die de zinnelijkheid en de
liefde der individuën van het andere geslacht opwekken, verschillend
moeten zijn. Anders toch zouden allen hetzelfde type begeeren, en dit
is naar de ervaring leert, niet het geval, de smaken zijn integendeel
ook ten deze zeer verschillend.
Wijl nu a priori kan worden aangenomen, dat er geen twee menschen zijn
wier in- en uitwendige individualiteit volstrekt gelijk is, schijnt
het geoorloofd en in elk geval het veiligst, zulks ook op sexueel
gebied aan te nemen en zich te stellen op dit standpunt, dat ieder
individu een eigen, van anderen verschillend sexueel ideaal heeft.
Als het nu een mensch mag gelukken, dat exemplaar van de andere sexe
te vinden, dat volkomen aan zijn individueel ideaal beantwoordt,
dan zal het bezit daarvan hem toeschijnen als het hoogst bereikbare
geluk. En diensvolgens zal zoodanig persoon met alle kracht er naar
streven om in dat begeerlijke bezit te geraken.
Maar het vinden van het wezen, dat in sexueel opzicht volkomen aan
het individueele ideaal voldoet, is naar alle waarschijnlijkheid
voor ieder individu buitengesloten. Het enkele feit, dat ieder zich
zijn ideaal zou moeten zoeken uit meer dan 800 millioen individuën
van het andere geslacht, verspreid over een oppervlakte van vele
millioenen vierkante kilometers, leert met behulp der eenvoudigste
kansberekening, dat zulk een vondst gelijk zou staan met een wonder,
dat niemand redelijkerwijze kan verwachten. Theoretisch beschouwd
vindt dan ook niemand zijn liefdesideaal. En als het gevonden werd,
dan zou zulk een gelukkige vinder ook weer het ideaal van dat ideaal
moeten zijn--iets wat men mag beschouwen als de onwaarschijnlijkheid
in kwadraat. Geen sterveling mag dus op aarde hopen, dat het hoogste
liefdesgeluk hem ten deel zal vallen.
De practijk van het leven heeft echter in dezen doolhof van
onwaarschijnlijkheden ten allen tijde uitweg weten te vinden. Waar het
hoogste ideaal niet vindbaar is, en dat is het nimmer naar wij zagen,
daar stelt men zich tevreden met de meer of minder verre benadering van
het ideaal. En het overgroote meerendeel moet zich noodzakelijkerwijze
zeer ver van zijn ideaal verwijderen, zoodat er tenslotte van de
gansche idealentheorie weinig of niets terecht komt. Regel is, dat
ieder individu, dat eenigermate zich door lichamelijke eigenschappen
van een wezen der andere sexe voelt aangetrokken, zich daarvan zijn
ideaal maakt en er zich mee tevreden stelt. Op deze wijze vindt ieder
individu in zijn onmiddellijke omgeving gewoonlijk onmiddelijk zoodanig
surrogaat voor het wellicht in hem sluimerende, maar onvindbare ideaal.
Daarbij blijkt steeds en overal, dat zekere typen grootere
aantrekkelijkheid bezitten dan andere en zulke meest-begeerde typen
gelden dan als het ideaal in een bepaald milieu. Daar deze zinnelijke
aantrekkelijkheid vrijwel uitsluitend uitgaat van de uiterlijke,
lichamelijke hoedanigheden, van de lichaamsvormen en het geheele
uiterlijk voorkomen, en wijl het zinnelijk aantrekkelijke _schoon_
wordt genoemd, zijn zulke idealen tevens schoonheids-idealen.
Elke tijd nu, elk volk, elk ras, elke leeftijd en elk milieu heeft
zijn eigen schoonheids-idealen in dezen zin. En evenmin als er een
eeuwige moraal is, zijn er eeuwige schoonheids-idealen. De Fransche
anthropoloog Cordier zegt hiervan: "De schoonheid is geen monopolie
van een of ander ras. Elk ras verschilt in zijn schoonheidsbegrippen
van andere rassen. Daarom kunnen schoonheidsregels nooit absolute en
algemeene waarde hebben".
De zinnelijkheid van den man reageert het sterkst en het snelst
op lichaamsvormen, die hij individueel als schoon aanmerkt. De
zinnelijkheid der vrouw schijnt meer gevoelig voor krachtsvertoon, voor
lichaamskracht. Natuurphilosophen zien in deze wederkeerige aantrekking
tusschen het schoone en het sterke een natuurwet werken, in het belang
van het geheele menschelijke geslacht. Zoo construeert iedere natie,
iedere tijd, ieder milieu zich zijn eigen Apollo en zijn eigen Venus.
Waar en in welken tijd men zoekt, steeds blijkt onmiddellijk hoe de
mannelijke zinnelijkheid zich de vrouw wenscht, maar zelden valt te
bepalen, welke concrete eischen de vrouwelijke zinnelijkheid stelt
aan den man. Dit is weer een gevolg van het feit, dat men in het
leven der liefde overal en telkens ontmoet, dat de man optreedt als de
aanvallende partij, die als zoodanig luide en duidelijk zijn wenschen
en begeerten kenbaar maakt, terwijl de vrouw een passieve rol speelt en
om in die rol te blijven zich omtrent hare verlangens niet of weinig
uitlaat. In werkelijkheid is de rol der vrouw, naar wij zien zullen,
volstrekt niet uitsluitend passief en afwachtend; door haar bewust
en onbewust lokken, door haar zinnelijke aantrekkingskracht, die
zij kunstmatig zooveel zij kan tracht te versterken en te verhoogen,
treedt de vrouw evenzeer actief op, veelal nog actiever, als de man;
doch dit geschiedt altijd met behoud van den schijn van lijdelijkheid;
steeds tracht de vrouw te blijven in de rol van passiviteit. En daarom
spreekt de man zich duidelijker uit omtrent de eischen, die hij stelt
aan de uiterlijke persoonlijkheid van de vrouw, dan de vrouw dit doet
ten aanzien van den man.
De vrouw als zoodanig oefent op den man de meeste aantrekkingskracht
uit door haar uiterlijke vormen. Voor den man gaat er van elke vrouw
wier lichaamsvorm zich aan zijn bewustzijn voordoet als schoon,
een machtige zinnelijke bekoring uit.
De mannelijke zinnelijkheid reageert daarbij niet slechts op een
enkel type, maar als regel op een menigte typen. Een en ander leidt
logisch tot de gevolgtrekking, dat elke vrouw, wier uiterlijke vormen
de sexueele zinnelijkheid van ook maar één man vermogen te doen
ontvlammen, eenigerlei schoonheid bezit. Want wat zinnelijke liefde
vermag op te wekken is schoon. Schoonheid, zegt Plato, is zichtbaar
geworden liefde. Waar nu van bijna elke vrouw nog eenige zinnelijke
aantrekkingskracht uitgaat, mag men aannemen, dat vrouwenschoonheid
van alle betrekkelijke begrippen wel het meest betrekkelijke is
en allerminst is gebonden aan een enkelen vorm, maar zich in een
menigte vormen kan voordoen. Dat er inplaats van een enkel algemeen
schoonheids-ideaal vele en velerlei schoonheids-idealen der vrouw zijn,
leert reeds een vluchtige blik op de werkelijkheid.
Aan den anderen kant staat evenzeer vast, dat niet van alle vrouwen
een zelfde mate van aantrekkelijkheid uitgaat. Integendeel, in dit
opzicht vallen vele graden waar te nemen. In het spraakgebruik gelden
die typen, van wie de krachtigste sexueele bekoring schijnt uit te
gaan, als schoonheids-idealen bij uitnemendheid. Indien nu ten allen
tijde dezelfde typen de meeste, en andere typen de minste bekoring
hadden uitgeoefend, dan zou men, daardoor geleid, tot bepaling
van een algemeen schoonheids-ideaal kunnen komen. Maar juist het
tegenovergestelde is het geval--tusschen de schoonheids-idealen wordt
aanhoudend stuivertje gewisseld. Een type, in een gegeven tijd in
zwang als ideaal, blijkt dikwijls kort daarna in de achting sterk
gedaald. Blijkbaar raakt men van een bepaald type tenslotte verzadigd
en de smaak slaat dan veelal om in de richting van het tegendeel van
dat type.
Een vluchtige blik op wat al zoo in den loop der tijden als schoon
heeft gegolden, bewijst dit onmiddellijk. Het schoonheidsbegrip in het
algemeen en ten aanzien der vrouw in het bijzonder is zeer relatief,
eerstens bij elk menschenras, verder bij elk volk, tenslotte bij ieder
individu. En zelfs de individuen doorloopen ieder voor zich weer een
reeks graden, die bij den een allengs opklimmen en verfijnen, bij
den ander daarentegen geleidelijk afdalen en vergroven. Een diepere
beschouwing dezer verschijnselen leert, dat de schoonheids-idealen
van een tijdperk, van een volk, van een individu, voortkomen uit
de algemeene geestelijke en stoffelijke gesteldheid van dien tijd,
dat volk, dat individu. Dit openbaart zich het duidelijkst en het
krachtigst in de kunst. De kunst is ontstaan uit de zinnelijkheid,
en zij is ten allen tijde gebleven de verraderlijke medeplichtige
van de zinnelijkheid, van wie wij alles vernemen, wat wij omtrent
de zinnelijke idealen van een tijdperk of volk wenschen te weten. De
kunst van een tijdperk leert ons met documentaire betrouwbaarheid de
zinnelijke schoonheids-idealen van dat tijdperk kennen.
Het schoonheids-ideaal van elken tijd hangt af van het algemeene
karakter van den betreffenden tijd. Evenmin als er een voor eeuwig
vaststaande moraal bestaat, bestaan er eeuwige schoonheids-begrippen,
maar deze zijn evenals alles wat bestaat onderworpen aan gestadige
vervorming en vervanging, onder den invloed van velerlei geestelijke
en stoffelijke factoren.
In tijden van groote bewegingen, van krachtig geestelijk en
stoffelijk leven zien wij, uit het algemeene beeld van de kunst
dier tijden, een groote overeenkomst in de overheerschende
schoonheids-idealen. Hetzelfde valt waar te nemen in tijden
van algemeene geestelijke en stoffelijke inzinking en van
algemeen ouderdomsverval. Zoo stemt de glorietijd der oudheid in
schoonheids-idealen treffend overeen met het tijdperk der algemeene
geestelijke en stoffelijke wedergeboorte na den geestelijken dood
der middeleeuwen--het tijdperk der Renaissance.
In beide tijdperken geldt die man als schoon, die het zuiverst
de lichamelijke kenmerken bezit zijner natuurlijke geslachtelijke
activiteit, nl. kracht en energie. Het heroïsch schoonheids-ideaal
in beide tijdperken is: de gestalte van een Apollo van Belvedere,
met de energie van een bekroonden hengst, zooals Brandes zegt
in zijn werk over Shakespeare. En de vrouw geldt als schoon, als
zij ten volle is toegerust voor de gloriën van het moederschap;
niet het teere wezentje van was-bleeke doorschijnendheid, en met
nauwelijks lichaam genoeg om een sexe te mogen veronderstellen; maar
de vrouw wier schoot en wier boezem, begeerende en begeerd, zwelt
van onuitputtelijke vruchtbaarheid; zij moet tegelijk Venus en Juno
zijn, groot en imposant van gestalte, met weelderige lendenen en de
malsche majesteit eener Venus Callipygos, met vleezige dijen en volle
armen, in staat de reuzen die zij aanlokken in haar omhelzingen te
verstikken. Zoo zijn de majestueuze vrouwenfiguren der antieke kunst
en zoo zijn de vrouwen van een Ariosto en een Rubens.
Tijden, die in algemeen karakter het tegendeel vormen van die heroïsche
kracht, hebben een tegenovergesteld schoonheids-ideaal. Geen forsche
weelderigheid van vormen kan dan bekoren; wat men wil zijn slanke
figuren, tenger en teer, sierlijk en klein; in de plaats van het
gezond-heftige treedt het pikant-wellustige; wat men verlangt
is verfijning, decadente romantiek in het zinnelijk genieten,
men keert zich af van het geweldige der natuur en wordt meer en
meer toegankelijk voor de meest phantastische perversiteiten. En
daarbij wordt de natuurlijke bestemming der zinnelijkheid--dat is
levenverwekking--angstvallig ontweken. Zingenot zonder gevolgen,
visitatie zonder ontvangenis, wordt het algemeene streven, totdat
men tenslotte in doellooze zinnelijkheid ondergaat.
En precies zooals zich dit alles afspeelt in gansche tijdperken, gaat
het ook in het leven van waarschijnlijk ieder individu. Ongetwijfeld
beweegt de zinnelijkheid van elk individu zich in de richting van een
der hier geschetste uitersten. Met dit verschil dan tusschen individu
en het geheel der samenleving, dat het individu zich alleen in de
eene of in de andere richting consequent uit kan leven, terwijl het
geheel tenslotte een grens en een hoogtepunt bereikt, dan op den
afgelegden ontwikkelingsweg terugkeert en zich in tegengestelde
richting begint te bewegen. Het individu kan zich als regel niet
herstellen, het kan niet omkeeren, terwijl het geheel steeds zwanger
gaat van zijn tegendeel, zoodat een machtig tijdperk steeds verval,
en een tijd van verval steeds renaissances in zich bergt.
Hoe meer een tijdperk zinnelijk genieten terwille van het zinnelijk
genot op den voorgrond stelt, des te grooter wordt de omweg dien
men maakt naar het zinnelijk genot. De zege in de zinnelijkheid
wordt gesplitst in tientallen gedeeltelijke overwinningen, en
voor iedere zegepraal werpt men meerdere barricaden op, die eerst
bestormd moeten worden, ook als de eindoverwinning reeds van te
voren bij beide partijen vaststaat. Men rekt het genot door het te
verschuiven tot later, men geniet door de begeerte te prikkelen en
met de bevrediging te dralen. Elke erotische maaltijd moet bestaan
uit eenige dozijnen schotels, die het hoofdgerecht voorafgaan en tot
bijzaak maken. Het zinnelijk menu moet bestaan uit een aaneenschakeling
van de uitgezochtste lekkernijen, die steeds den zinnelijken honger
prikkelen zonder hem te verzadigen. Men verfoeit en minacht den
eenvoudigen kost met slechts één gerecht, waaraan men zich zonder
toespijzen verzadigt, zoodat de honger gestild is en er geen behoefte
of begeerte naar meer overblijft. Direct op het hoofddoel los te gaan,
anders dan bij wijze van afwisseling, geldt dan als alleen goed voor
boeren en onbeschaafd volk, dat niet weet te leven.
Geheel in overeenstemming daarmee zijn in zulke tijden de heerschende
schoonheids-idealen en dit werkt met de zekerheid eener natuurwet terug
op alles wat het verkeer en het leven der sexen direct of indirect
betreft, en vooral op de middelen, die de vrouw te baat neemt, om
hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen.
De gezonde man in de volle kracht des levens gevoelt zich zinnelijk
alleen aangetrokken tot de tot vollen lichamelijken wasdom gekomen
volrijpe vrouw. De afgeleefde en uitgeputte zinnelijkheid van
den grijsaard voelt zich daarentegen slechts aangetrokken tot
de geslachtelijke onrijpheid; alleen de boezem die zich nog pas
flauw begint te ronden, lokt hem aan. Evenzoo is het gesteld met de
vrouw. In haar bloeitijd haakt zij naar den potenten man, die haar
geslachtelijken honger tot verzadigens toe vermag te stillen en die aan
het altaar van Priapus ware Herculeswonderen vermag te presteeren. De
overrijpe matrone daarentegen, die den zinnelijk-krachtvollen man
niet meer kan bekoren, richt het restant harer aantrekkelijkheid op de
onervarenheid van den knaap, om haar in laatste flikkeringen oplaaiend
vuur te koelen aan het eerste ontgloeien zijner opkomende manbaarheid.
En zooals in het leven der individuen is het hiermee ook gesteld in
het leven der geslachten en volken. Het leven van de individueele
deelen is een verkleind beeld van het leven van het geheel. Een
volk in volle physieke kracht heeft een heroïsch forsch en krachtig,
rijp en weelderig schoonheids-ideaal en het verzadigt zich daaraan
met heroïsche kracht; de potentie is evenredig aan de begeerte. Een
volk dat in een toestand verkeert van ouderdomsverval, heeft smaak
in het onrijpe, in het on- en tegennatuurlijke, en wordt verteerd
door impotente begeerte.
Uit het bovengezegde blijkt, dat het begrip schoonheid in hooge
mate afhankelijk is van den aard der zinnelijkheid, en de aard der
zinnelijkheid is weer voor een groot deel afhankelijk van het geheele
geestelijke en stoffelijke milieu waarin het individu verkeert. Dit
geldt allereerst van de zinnelijkheid van den man, doch ook, zij het
misschien in mindere mate, van die der vrouw.
Het abstracte ideaal van vrouwelijke schoonheid heeft in de
oudheid zijn hoogste uitdrukking gevonden in de Aphrodite-figuur
der Grieken. Aphrodite, door de Romeinen Venus genoemd, is in de
mythologie der Ouden de uit het schuim der zee geboren godin der
liefde en der schoonheid. Als zoodanig overtreft zij alle hemelsche
en aardsche wezens in bekoorlijkheid en bevalligheid. In haar gevolg
zijn de drie Gratiën--de personificaties van het vurig zinnelijk
verlangen. In haar gordel schuilt de tooverkracht aller zinnelijke
betoovering, waartegen ook de wijzen niets vermogen. Al wat leeft
in den hemel of op aarde is aan haar zoete macht onderworpen. Zij is
de schenkster aller schoonheid en van alle liefdegeluk en zij is als
zoodanig tevens de godin der huwelijken en van alle op wederzijdsch
minnen berustende geslachtsgemeenschap.
De voorstelling eener uit de golven der zee opgestegen godin der liefde
is uit Azië tot de Grieken gekomen--de Aphrodite der Grieken is de
esthetisch verfijnde Astarte der volken van het oude West-Azië. Naar
de plaatsen waar en de hoedanigheden waarin zij vereerd werd, droeg
zij vele bijnamen, evenals de Venus der Romeinen. Als zinnebeelden
der liefde waren aan haar toegewijd de myrte, de roos en de appel,
als zinnebeelden der vruchtbaarheid de maan, de duif, de haas. De
kunstenaars der oudheid stellen haar bij voorkeur voor als een jonge
vrouw, schitterend in de weelderige schoonheid der jeugd, vol gratie
en bekoorlijkheid.
In het gevolg van Aphrodite dacht men zich, naar wij boven reeds
zagen, de drie Gratiën of Chariten: Euphrosyne (feestvreugde), Aglaja
(gloed) en Thalia (bloeiend geluk), door de oude en de nieuwe kunst
voorgesteld als liefelijke en bekoorlijke vrouwelijke wezens (zie de
bijlage: De drie Gratiën).
Naast deze godin der liefde kende de Helleensche oudheid ook een
god der liefde, meer speciaal der dartel-zinnelijke liefde. Bij de
Grieken heette deze mannelijke liefdegod Eros, bij de Romeinen Amor
en ook Cupido. Hij is de personificatie van de macht waardoor alle
levende wezens op aarde ontstaan. Hij is de zoon van Aphrodite,
een vader heeft hij niet. Bij de dichters is hij een dartele,
bevallig-schoone knaap, een overmoedige kwelgeest van goden en
menschen. Op gouden vlerken rondvliegend, gewapend met een boog en
een gevulden pijlkoker, wondt hij al wat hij ontmoet in den hemel,
op de aarde, in de zee en in de onderwereld. Hij is niet alleen de god
der geslachtelijke liefde (die in de moderne literatuur naar hem ook
wel erotische liefde wordt genoemd), maar ook der vriendschap. Gaarne
brengt men hem in gemeenschap met Psyche (zie bijlage: Amor en Psyche),
de personificatie van de menschelijke ziel, en dikwijls voorgesteld
als een vlinder of als een meisje met vlindervleugels.
Appulejus geeft in zijn "Metamorphosen" van de verhouding van Eros
(Amor) en Psyche de volgende liefelijke voorstelling.
Een koning had drie dochters, waarvan Psyche de jongste en mooiste
was. Eros vatte liefde voor haar op en voerde haar in onzichtbare
gedaante naar een eenzaam oord, waar zij in liefde met hem vereenigd
leefde, echter zonder hem ooit te zien. Hare afgunstige zusters
bewogen haar er bij Eros, ondanks diens verbod, op aan te dringen
zich te vertoonen. Zij werd toen door Eros verlaten en zwierf droevig
rond om hem terug te vinden. Eindelijk, na vele wederwaardigheden
werd zij om het doorgestane lijden van schuld gereinigd geacht en
voor altijd met hem vereenigd. Haar dochter gaf zij den naam van
Gelukzaligheid. Appulejus heeft aan deze vertelling een wijsgeerigen
zin gegeven. Eros is de machtige geest, die den mensch door schoonheid
en liefde brengt tot het goede en daardoor tot gelukzaligheid; wil
men meer dan hij daarvoor noodig acht, dan trekt hij zich terug en
hem dan terug te vinden is een lange weg van lijden en wroeging.
Van de geheele eindelooze reeks van godenfiguren der oude mythologieën
is er geen, die in de romantische en dichtliteratuur aller volken,
alsook in de beeldende kunsten zoo veelvuldig voorkomt als Eros
(Amor). Meest spreekt men dan in schertsenden zin, waarin dan
evenwel een diepere beteekenis verborgen ligt. De groote Deensche
sprookjes-dichter Andersen geeft van dezen beminnelijken kwelgeest
de volgende voorstelling.
Er was eens een oude dichter, zoo'n wezenlijk goede oude dichter. Op
een avond, toen hij rustig thuis zat, brak er een vreeselijk onweer
los; de regen viel bij stroomen neer, maar de dichter zat warm en
wel bij zijn kachel, waarin het vuur knetterde en de appels braadden.
--Wie in dat weer buiten is, moet wel doornat worden, peinsde hij,
want hij was een goedmoedige dichter.
--Ach, doe open! Ik bezwijk van koude en ik ben zoo nat! riep
eensklaps daarbuiten een kinderstem. Het kind weende en klopte aan
de deur, onderwijl de regen in stroomen bleef neervallen en de storm
de vensters deed rammelen.
--Arme kleine! zeide de oude dichter en stond op en opende de
deur. Daar stond een jonge knaap; hij was geheel en al naakt en het
water droop hem uit het lange blonde haar. Hij bibberde van koude;
was hij niet binnengelaten, dan zou hij in het barre weer zeker
zijn omgekomen.