geven natuurlijk slechts gemiddelden aan. Er zijn mannen die boven
het hier gegeven beeld uitgaan, en er zijn vrouwen, die er beneden
blijven. Evenwel wekt elke afwijking van dit beeld naar boven of
naar beneden den indruk van onnatuur, en, is die afwijking sterk,
van abnormiteit en ontaarding. Zoo is bijvoorbeeld de vrouw, die van
nature of door de zeden is verruwd tot mannelijk-heftige zinnelijkheid,
schaamteloozer en bruter in haar zinnelijkheid, dan de normale man. De
geschiedenis en de literatuur, voor zoover deze laatste geen vrucht
is van louter phantasie, leveren daarvan overvloedig voorbeelden, die
ieder trouwens in eigen omgeving in ruime mate kan waarnemen. Alwin
Schultz zegt van het hofleven ten tijde der minnezangers: De mannen
zijn veel schaamachtiger dan de vrouwen. En hij staaft deze bewering
met tal van feiten, o.a. merkt hij omtrent de gemeenschappelijke baden
op, dat zelfs de deftigste adellijke dames er bij die gelegenheden
vermaak in schepten, zich van alle kleeding te ontdoen en zoo den
aanblik harer intiemste bekoorlijkheden aan alle aanwezige mannen
prijs te geven. Terwijl de mannen in elk geval nog een schaamgordel
aandeden, tooiden de vrouwen zich met hare sierlijkste kapsels en met
prachtvolle armbanden en halssnoeren. Zoo pronkten zij op de meest
coquette manier met hare naaktheid.
Waar wij dus de bewering, dat de vrouw van nature zinnelijker zou zijn
dan de man, moeten afwijzen, op grond hiervan dat het liefdeleven der
vrouw in wezen een geheel andere richting gaat dan dat van den man,
dan is daarmee nog volstrekt niet gezegd, dat bij de vrouwen nooit
een dermate felle en hevige zinnelijkheid voorkomt, dat ze die van
den normalen man nog te boven gaat. Zoo iets te beweren zou onzinnig
zijn. Want ten allen tijde en onder alle lagen der bevolking zijn
er onverzadigbare Messalina-typen geweest, wier vurige zinnelijkheid
aan het buitensporige grensde. Maar normaal is zulks bij de vrouwen
in geenen deele; het Messalina-type is en blijft de uit zedenbederf
of uit ziekelijke ontaarding ontstane uitzondering.
Het is er ver van af, dat met de hier bedoelde sexueele abnormiteit
algemeene zedelijke minderwaardigheid noodzakelijk zou moeten gepaard
gaan. Integendeel, ongewoon hevige zinnelijkheid gaat dikwijls
vergezeld van algemeene genialiteit, die op zichzelf ook in strijd
met den norm en dus abnorm is.
Degenen, die van meening zijn, dat de vrouw in het algemeen zinnelijker
is, meer en sterker behoefte heeft aan sexueel verkeer dan de man,
vinden hun krachtigste argumenten in de geschiedenis. Deze weet
inderdaad op haast iedere bladzijde te verhalen van buitensporig
zinnelijke vrouwen. De vrouwen, die zij ons leert kennen, zijn zelfs
voor het meerendeel sterk erotische naturen. Dit verleidt licht tot
generaliseeren--die weinige historische figuren neemt men als vanzelf
als typen van de vrouwelijke sexe in het algemeen. De geschiedenis
evenwel leert ons alleen het bijzondere kennen; zij is altijd
sterk partijdig, in zooverre dat zij het gewone, het normale, het
alledaagsche, als niet interessant, liefst stilzwijgend voorbijgaat,
om zich geheel te verliezen in het ongewone, het opvallende en
abnormale. Alleen de koortsig kloppende pols interesseert haar. Zoowel
op dit als op elk ander gebied is hetgeen de geschiedenis ons bericht
niet de regel, maar de uitzondering. En reeds hierin ligt een bewijs,
dat de fel-zinnelijke vrouwen der geschiedenis niet het type aangeven
van de vrouw in het algemeen, maar de afwijkingen van het type,
nog afgezien van wat hierbij op rekening kan worden gesteld van
onwillekeurige overdrijving.
De zinnelijke vrouwen der moderne roman-literatuur zijn louter
scheppingen van de verhitte phantasie van den zinnelijken
man. Veeleer dan photografieën naar de werkelijkheid zijn het louter
anthropomorfismen. Evenals in de religies de mensch zich een God
schept naar zijn eigen beeld, zoo schept in het materieele de man
zich ook de vrouw naar zijn eigen beeld. De hevige zinnelijkheid, die
men de vrouw toeschrijft, is weinig meer dan de eigen zinnelijkheid,
die aan het woord is. Men ziet de vrouw niet gelijk zij werkelijk is,
maar zooals men haar wenscht.
De literatuur van alle tijden bewijst overigens op treffende wijze,
de grootere zinnelijkheid van den man. In de literatuur van mannen over
vrouwen, speelt altijd het zinnelijke de hoofdrol, in de literatuur van
vrouwen over mannen is dit hoogstzelden het geval. Tegenover duizenden
van gloeiende zinnelijkheid trillende werken van mannen staan slechts
eenige zeer weinige zoodanige werken afkomstig van vrouwen. Daaruit
blijkt, hoe de vrouw het geheele stoffelijke en geestelijke leven
van den man vult en dat in het leven der vrouw daarentegen de man
maar een betrekkelijk geringe plaats inneemt, en dan nog minder in
sexueel dan wel in ander, voornamelijk economisch opzicht.
In de beeldende kunst valt precies hetzelfde verschijnsel waar te
nemen. Ook hier weer tegenover honderdduizenden heet-zinnelijke
kunstgewrochten van mannenhand nauwelijks eenige weinige zoodanige
scheppingen van vrouwen. De in beeld gebrachte phantasie van den
man is als regel erotisch, en juist de zinnelijkheid heeft den man
bezield tot zijn meest artistieke scheppingen.
En van welk ander standpunt men de zinnelijkheid van beide geslachten
waarneemt, steeds blijkt, hoeveel grooter de macht der zinnelijkheid is
over den man dan over de vrouw. Er is bijvoorbeeld geen enkele reden
om aan te nemen, dat in de menschenwereld de zinnelijke verhoudingen
anders zouden zijn dan in de dierenwereld. Evenals bij de woestheid van
stier en hengst vergeleken koe en merrie paradijs-reine wezens zijn,
evenzoo is het ten deze gesteld in de menschenwereld. Dat er naast
duizendtallen sexueele gewelddaden door mannen gepleegd aan vrouwen
nauwelijks een enkele verkrachting van mannen door vrouwen is te
stellen, is in geenen deele louter hieraan toe te schrijven, dat de
man physiek krachtiger is dan de vrouw; de zinnelijkheid van den man
is zooveel heviger, en hij is die zooveel minder meester dan de vrouw.
Behalve in graad verschilt de zinnelijkheid van den man ook in aard
ten eenenmale van die van de vrouw, gelijk wij boven reeds hebben
opgemerkt. Op elke bladzijde dezer geschiedenis zal dit in onderdeelen
blijken. Hier volstaan wij voorloopig met eenige algemeene opmerkingen.
In het leven der liefde _poseert_ de man als actieve partij,
als aanvaller, en de vrouw als de zich gevende, passieve partij;
de man speelt de rol van overwinnaar, hij schijnt op te treden met
energie en onweerstaanbaar krachtsvertoon, hij schijnt de meester
in het koninkrijk van de liefde en de vrouw de overwonnene, die tot
de geslachtelijke overgave is genoodzaakt. Zoo is de schijn. En de
werkelijkheid is precies andersom. De lijdelijkheid van de vrouw
in het liefdeleven is gelijk aan de lijdelijkheid van de magneet,
en de aanvallende activiteit van den man aan die van het ijzer. De
verhouding tusschen ijzer en magneet geeft treffend de verhouding weer
tusschen man en vrouw in het leven der liefde--eenerzijds schijnbare
lijdelijkheid, die in werkelijkheid onweerstaanbaar aantrekkenden
invloed uitoefent; anderzijds een even schijnbare activiteit,
die in werkelijkheid zwicht voor onzichtbaar op hem werkende
natuurkrachten. In de zinnelijke liefde is de vrouw de meerdere, de
gebiedster, de heerscheres, rondom haar golft een stroom van bekoring,
die den man aantrekt en vasthoudt en den schijnbaren veroveraar in
werkelijkheid de slaaf maakt van de schijnbaar overwonnene. Als in
zooveel andere dingen speelt ook in het liefdeleven de natuur een
slechts voor geoefende oogen herkenbaar spel van schijn en wezen,
waarbij de werkelijkheid precies de omkeering is van wat men meent
te zien plaats vinden. De natuur heeft de vrouw de rol toebedeeld,
zich tegenover den man passief te gedragen en hem tegelijkertijd op
de meest geraffineerde manier te verlokken, te verleiden en aan haar
voeten te trekken. De zegevierende aanvaller is in werkelijkheid de
krijgsgevangene van de schijnbaar voor zijn aanval bezwekene. Zoo is
den man in het leven der liefde het zware, moeilijke en onaangename
werk overgelaten en zelfs de eer van de hoofdrol te vervullen, komt
hem niet toe.
Tot het gehoorzaam volbrengen van deze ondankbare taak dwingt
de natuur den man met behulp van diens heftige zinnelijkheid. Om
deze te bevredigen moet de man tot de vrouw komen en hare gunst
verwerven, en dit telkens weer, zoo dikwijls zijn geslachtsverlangen
om bevrediging roept, dat is, zoolang de natuur ter bereiking van
_haar_ doel den man kan gebruiken. De vrouw heeft niets te doen dan
eenvoudig de magnetische kracht der bekoring, die van haar uitgaat,
te laten werken. Hoe zinnelijker nu de man is, des te lichter is de
verlokkingstaak van de vrouw en des te grooter is haar overwicht
over den man, die niettemin nog altijd de rol van aanvallende,
actieve partij blijft vervullen. De zooveel vuriger zinnelijkheid
van den man ontheft de vrouw van de noodzakelijkheid hare schijnbare
geslachtelijke koelheid af te leggen.
Zoo is de zinnelijkheid van de vrouw in aard altijd tegenovergesteld
aan die van den man, ook dan wanneer de macht der zinnelijkheid
over beiden even groot is. Hieruit ontspringen alle geslachtelijke
verhoudingen tusschen man en vrouw, van begin tot einde, zoowel in
het huwelijksleven als in het stadium van het eerste minnen.
De natuurlijke rol van de vrouw in het leven der liefde is veel
samengestelder en ingewikkelder dan de natuurlijke rol van den
man. In overeenstemming daarmee is ook de zinnelijkheid van de vrouw
gecompliceerder dan de zinnelijkheid van den man. Stellen wij ons de
schaal van de mannelijke zinnelijkheid voor als ééndeelig, dan is die
der vrouwelijke wel honderddeelig. In het stoffelijke en geestelijke
leven der vrouw speelt het geslachtelijke bij voortduring en zonder
onderbreking een rol, het treedt nooit tijdelijk op den achtergrond,
zooals bij den man, bij wien de zinnelijkheid vrijwel uitsluitend
bestaat in bevrediging der geslachtsdrift en in erotisch genot haar
einddoel ziet. Bij de vrouw staat het geheele leven onder den invloed
van den geslachtszin, maar van de eigenlijke geslachtsdrift is de
vrouw veel onafhankelijker dan de man, zij is die meer meester en
ook openbaart de geslachtslust zich bij haar minder snel en minder
stormachtig dan bij den man. Terwijl de geslachtsdrift van den man ten
allen tijde licht ontvlambaar is, heeft de geslachtsprikkelbaarheid
bij de vrouw een meer periodiek--bij tusschenpoozen optredend en dan
weer insluimerend--karakter, hetgeen blijkbaar in verband staat met
de menstruatie en in aard overeenkomt met den periodieken paartijd
bij de dieren. In die tusschenpoozen van sluimerende geslachtelijke
prikkelbaarheid is de vrouw sexueel in die mate ongevoelig, dat
velen, waaronder Lombroso, de vrouw een natuurlijke geslachtelijke
gevoeligheid meenen te moeten ontzeggen. In vele gevallen heeft
het inderdaad den schijn, of de zinnelijkheid der vrouw eenvoudig
bestaat in het opwekken der zinnelijkheid van den man. Haar eigen
geslachtelijke bevrediging zou dan gelegen zijn in de wetenschap
begeerd te worden en die begeerte bevrediging te schenken. In
elk geval eindigt de eigenlijke geslachtsfunctie der vrouw niet,
zij begint integendeel nauwelijks met de bevrediging der sexueele
zinnelijkheid. Uit dit feit vloeien voor het geheele verkeer der
sexen een menigte consequenties voort, die zich bij alle verhoudingen
tusschen man en vrouw doen gelden en het geheele gebied der sexueele
zeden beheerschen.
Bij de vrouw staat het geheele stoffelijk en geestelijk leven
onder den directen invloed der sexualiteit en de zinnelijkheid
is van die sexualiteit slechts een der factoren. Bij den man is
de geheele sexualiteit geconcentreerd op de bevrediging der zucht
naar geslachtsgenot. De mate, waarin de man onder den invloed staat
van zijn zinnelijkheid, schijnt verschillend naar ras, klimaat en
andere uitwendige omstandigheden, en individueel weer naar leeftijd,
temperament en lichamelijke gesteldheid, maar altijd vertoont de
mannelijke zinnelijkheid, zoo niet als eenig dan toch als hoofdkenmerk:
verlangen naar sexueel verkeer. Met de bevrediging sluimert de geheele
mannelijke zinnelijkheid voor korteren of langeren tijd in.
Dit verschil in zinnelijkheid bij man en vrouw heeft tengevolge, dat
de wederzijdsche sexueele waardeering eveneens verschillend is. De
geliefde vrouw is voor den man in hoofdzaak, zoo niet uitsluitend,
een voorwerp van erotisch genot, zijn liefde jegens haar hangt af
van de mate van sexueele bekoring, die zij op hem uitoefent. Verzwakt
die bekoring, dan verzwakt ook zijn liefde, werkt een andere bekoring
sterker op hem in, dan verplaatst zich ook zijn liefde. Vandaar het
verschijnsel bij den man in het algemeen, dat men zijn polygamischen
aard noemt, de onbestendigheid in zijn zinnelijkheid, zijn spoedig
verzadigd zijn van het eene liefdesobject en zijn voortdurende
ontvankelijkheid voor nieuwe prikkels, een verschijnsel, dat in het
liefdeleven der menschen een der belangrijkste factoren is.
Tegenover het polygamische karakter der mannelijke zinnelijkheid
staat wel iets dergelijks bij de vrouw, maar het doet zich bij haar
meer sporadisch voor en daarenboven in veel zwakkere mate, weer een
natuurlijk gevolg hiervan, dat in de vrouwelijke zinnelijkheid de
bevrediging van den geslachtslust een meer ondergeschikte plaats
inneemt. Iedere man, zou men kunnen zeggen, begeert alle vrouwen;
zijn zinnelijkheid is bijna keusloos, de zinnelijkheid vervult zijn
gansche wezen in die mate, dat ter bevrediging ieder object hem welkom
is, zonder dat eerst liefde of zelfs maar genegenheid, hoe vluchtig
ook, eenigerlei toenadering behoeft te hebben bewerkt--de prostitutie
bewijst zulks. Bij de vrouw is dit als regel weer geheel anders. Tot
de vrijwillige sexueele overgave komt de vrouw alleen door gevoelens,
die met de zinnelijkheid wel in verband staan, maar daar tevens boven
staan. Uit zinnelijken drang geeft de vrouw zich niet aan den eersten
den besten onbekende, hare gecompliceerde zinnelijkheid zou daarbij
geen bevrediging vinden. De zinnelijke man daarentegen stelt zich
wel met de eerste de beste tevreden en zijn zinnelijkheid van zooveel
lager orde kan daarbij ten volle de bevrediging vinden, die hij zoekt.
Er is nog een verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke
zinnelijkheid, dat misschien meer nog dan de reeds opgesomde
verschillen, tusschen beider sexueel bestaan een diepe scheiding
maakt en aan het zinneleven der vrouw een eigenaardige kleur geeft,
die bij den man volkomen gemist wordt. De zinnelijkheid van den man
is zuiver materieel en louter animaal, onderscheidt zich in wezen in
het minst niet van die der mannetjesdieren; in het zinnelijke is hij
niets dan het fel-begeerige geslachtsdier. Het liefdeleven van de vrouw
daarentegen is als doortrokken van mystiek. Ook bijgeloof speelt er
een zeer groote rol in, en indien de vrouw godsdienstig is aangelegd,
is ook haar zinnelijkheid sterk vermengd met religieuse gevoelens
en opvattingen. Ook in de zinnelijkheid blijkt de vrouw bovenal
gevoelsmensch. Alle streven om de zinnelijkheid te idealiseeren en tot
iets bovenzinnelijks te verheffen, de sexueele zeden te verfijnen en
te veredelen, gaat uit van de vrouw en het is hare mystieke opvatting,
ook van het liefde- en zinneleven, die haar daarbij onbewust drijft. De
zinnelijkheid van de vrouw zoekt naar verfijning, is delicaat en teer,
die van den man daarbij vergeleken bruut, gewelddadig en plomp.
Het mystieke karakter der vrouwelijke zinnelijkheid blijkt uit de
geschiedenis der godsdiensten. De tempels zijn de eerste bordeelen
geweest en ongeveer elke religie heeft onder een of anderen vorm
gekend wat men noemt gewijde prostitutie. Of latere tijden zich
beijveren zulks te stempelen tot ontaarding als anderszins,
verandert niets aan de feiten. En die feiten zijn, zoowel bij
het Christendom als bij andere godsdiensten, dat vrouwen, die
(aanvankelijk voorzeker uit zuiveren zielsdrang) zich in tempels,
kloosters als anderszins afzonderden om haar leven te wijden aan
mystieke kuischheid, temidden van haar streven om zich te verheffen
tot bovenaardsche reinheid typische voorbeelden konden worden van
de meest felle vrouwelijke zinnelijkheid. Wij verwijzen hier slechts
naar de Vestaalsche maagden der oudheid en naar vele nonnenkloosters
der middeleeuwen. De berichten omtrent de grove zinnelijkheid en de
geslachtelijke buitensporigheden van vele dezer "klooster"-zusters
vormen op zichzelf een reusachtige bibliotheek. Zoo schrijft de
vermaarde kroniekschrijver Gailer van Kaisersberg van den tijd der
hervorming: "dat de meisjes toenmaals in het klooster gingen, omdat
men daar het best het vleesch kon dienen." Vele z.g. vrouwen"kloosters"
der 15e-18e eeuw waren niets anders dan plaatsen van losbandig vermaak
voor den adel en de patriciërs, en in vele daarvan was des nachts
geen nonnencel zonder bezoeker. De kronieken leeren ons, dat kloosters
toenmaals de eigenlijke hoogescholen waren der galanterie en der meest
uitgezochte zinnelijke genietingen. Door den zuiverenden invloed van de
wederkeerige controle der concurreerende godsdiensten onderling, en ook
op grond van de noodzaak om tegenover de toenemende godsdienstloosheid
een vertoon te kunnen maken van hooger zedelijkheid, is daar eerst
in den modernen tijd algemeen verandering in gekomen. Later komen
wij uitvoerig hierop terug.
Het bijgeloovige karakter der vrouwelijke zinnelijkheid valt
o.a. duidelijk te onderscheiden in een der gruwzaamste ontaardingen
van den menschelijken geest, die de geschiedenis heeft aan te
wijzen, n.l. de middeleeuwsche heksengeschiedenissen. Voornamelijk
de vrouwen en de vrouwelijke zinnelijkheid spelen daarin een rol,
en daaronder weer hoofdzakelijk de zich in mystiek verdiepende
vrouwen. De ondergrond toch van alle heksenvrees en heksengeloof
was de opvatting der Christelijke kerk, dat door de vrouw de zonde
in de wereld gekomen is en door de zonde de dood. Van deze opvatting
uitgaande is het maar een kleine stap om tot de overtuiging te komen,
dat de schoot der vrouw de ingang is naar de hel, en dat de vrouw in
voortdurende gemeenschap staat met den duivel. Bij deze voorstelling
kwam nog een tweede. De vrouw wordt gaarne voorgesteld als een
ondoorgrondelijk raadsel, namelijk in hare bekorende macht over den
man. Door deze onweerstaanbare macht die iets geheimzinnigs schijnt te
hebben--hoewel zij louter gelegen is in de onverzadigbare mannelijke
zinnelijkheid--werd de vrouw in de phantasie der mannen, en ook
dikwijls der vrouwen zelf, een demonisch wezen in menschengedaante,
en in de onweerstaanbare bekoring die de vrouw uitoefent op den
zinnelijken man, zag men iets duivelachtigs, iets, waarvan Satan zich
bedient om de zielen ten verderve te voeren. Zoo ontstond de heks en
al wat zich daaromheen heeft afgespeeld, waarop wij later gelegenheid
zullen hebben breedvoerig terug te komen. Hier willen wij omtrent dit
verschijnsel alleen nog dit opmerken. Bij al deze heksengeschiedenissen
en alle daaraan verwante verschijnselen, zooals de hysterische
epidemiën in de kloosters, heeft men klaarblijkelijk alleen te doen
met niets dan een soort erotischen godsdienstwaanzin. Men overlaadde
den geest zoodanig met voorstellingen van sexueele reinheid en met
schrikbeelden voor het zondigen daartegen, dat men tenslotte onderging
in sexueele onreinheid. De bijtwoede en de besmettelijke waanidee van
door den duivel te zijn onteerd, die dikwijls heele nonnenkloosters
aanstak, waren eenvoudig manzieke aanvallen, niets dan nymphomane
excessen, voortgekomen uit met geweld onderdrukten geslachtslust, die
door het steeds denken aan sexueele reinheid wel werd aangewakkerd,
maar niet gedood. De man als bevrediger der geslachtslust was het, die
in deze onreine deliriën der naar bovenzinnelijke reinheid strevende
vrouwen rondspookte, razende geeuwhonger naar geslachtsverkeer en niets
anders was de duivel, die in het bloed dezer alle geslachtsverkeer
schuwende nonnen woedde. Duizenden naar vlekkelooze reinheid hakende
nonnen minden onbewust in Jezus alleen den man, en haar geheele leven
van geslachtelijke onthouding was één voortgezette geestelijke ontucht.
Van abnormaal-hevige zinnelijkheid kan bij den man nauwelijks
gesproken worden. De macht van den man over zijn zinnelijkheid is
uiterst gering, zijn geslachtelijke prikkelbaarheid zeer groot. Men
kan in het algemeen dan ook zeggen, dat de man als regel steeds,
waar hij daartoe de gelegenheid heeft, zijn zinnelijkheid botviert
tot de grens zijner geslachtelijke potentie.
Bij de vrouw is dit weer geheel anders. Haar macht over de
zinnelijkheid van haar eigen lichaam is ongeëvenaard grooter dan bij
den man, en juist door haar geslachtelijke koelheid is zij in sexueele
dingen bijna altijd de meerdere van den man. Om deze reden kan men wel
spreken van abnormaal-hevige zinnelijkheid bij de vrouw. Individueele
voorbeelden daarvan zullen wij in de verdere deelen van dit werk
bij menigte leeren kennen. Hier volstaan wij met eenige typische
bijzonderheden in dit opzicht.
Gewoonlijk wordt bordeelbezoek uit zinnelijkheid alleen toegeschreven
aan mannen. In het bordeel zoo meent men, is het de man, die het
tekort aan bevrediging zijner zinnelijkheid komt aanvullen, terwijl
de vrouw die zinnelijkheid alleen exploiteert, ter geldwinning. Dit
is echter niet geheel juist. Deze plaatsen ter bevrediging der grofste
zinnelijkheid, wisten reeds de Romeinsche vrouwen der oudheid evenzeer
te vinden; zij bezochten incognito de bordeelen en gaven zich daar af
met de bezoekers als gewone publieke vrouwen. De geschiedenis vermeldt
zoo iets uit verschillende tijden, als een geliefkoosde sport van bij
voorkeur voorname dames, en volstrekt niet alleen onder de Heidensche,
ook onder de Christelijke beschaving kwam zulks voor. Uit de 14e,
15e en 16e eeuw bijvoorbeeld vermelden talrijke kronieken, dat
vrouwen, als eerbaar bekend staande en uit de deftigste familiën,
in bordeelen verrast werden, dikwijls door haar eigen mannen. Uit
de dorre registers der 18e-eeuwsche Parijsche politie zijn ten deze
kort geleden interessante bijzonderheden bekend geworden, die voor
de kennis der sexueele zeden van het grootste gewicht zijn. Daaruit
verneemt men bijvoorbeeld dat talrijke dames der hoogste standen
geregelde bezoeksters waren van beruchte huizen van ontucht; ook,
dat vele harer koppelaarsters in haar dienst hadden, die onbekende
manspersonen, reizigers, officieren, geestelijken enz., bij haar hadden
te brengen. En voor eenige jaren is plotseling als door een toeval,
officieel het bewijs geleverd, dat ditzelfde ook nog plaats vindt
in onzen tijd. De burgemeester van Philadelphia, het geïntrigeer
tegen hem van de grootkapitalisten dier stad moede, liet, om zich
te wreken, in den zomer van 1903 zekeren avond een razzia houden
in alle deftige bordeelen, met het resultaat, dat onder de naar de
politiebureaux geleide bezoekers en bezoeksters dier inrichtingen,
een groot aantal dames der geldaristocratie van Philadelphia werden
aangetroffen. En, hoewel op minder opzienbarende wijze, worden in
alle groote bevolkingscentra der oude en nieuwe wereld van tijd tot
tijd gevallen ruchtbaar, waaruit blijkt, dat ook de vrouw het bordeel
weet te vinden, om haar onbevredigde zinnelijkheid den vrijen teugel
te vieren, haar zinnelijke energie ten volle uit te leven.
Wat bekend is van de "naakte bals", levert het bewijs, dat daarbij
steeds de vrouwen, en wel deftige dames uit de hoogbeschaafde en
welgestelde kringen den boventoon voerden. Zulke bals zijn vele
eeuwen lang een gezochte vermakelijkheid geweest, die vooral voor de
vrouwen een onweerstaanbare bekoring bleken te hebben. En zij zijn
hoogstwaarschijnlijk heden nog evenzeer en even algemeen in zwang
als voorheen. Met zekerheid weet men dit zoowel van Berlijn, Weenen,
Parijs en München als van de half-aziatische metropolen Petrograd,
Moskou, Budapest en andere. En ook weet men, dat daarbij nog evenzeer
als voorheen steeds het vrouwelijk element de overhand heeft en in
de meest phantastische uitspattingen den toon aangeeft.