kapellen der katholieke wereld vindt men sporen van gelijksoortige
zeden. Ook na het uitsterven van den officieelen heidenschen
phallusdienst is de phallus in de vrouwelijke phantasie blijven
voortspoken. Nog moet er tusschen Brussel en Mons een kapel bestaan,
waarbinnen een heiligenbeeld met zeer forschen phallus vereerd wordt
door onvruchtbare vrouwen, die daarheen bedevaarten doen om van hare
steriliteit te worden genezen. Bij Nivelles moet een aan Petrus gewijde
kapel zijn, waar bedevaartgangsters heentrekken om haar echt gezegend
te zien.
De beschaving, voor zoover zij zich inlaat met het sexueele leven,
heeft de zinnelijkheid niet verminderd; zij heeft ze alleen leeren
verbergen, ze heeft den weg naar het einddoel verlengd en daarop
tallooze hindernissen en belemmeringen geplaatst, maar zij heeft de
zinnelijkheid niet verzwakt en minder nog uitgeroeid. De schaal der
zinnelijkheid is bij den primitieven, onbeschaafden mensch eendeelig en
zijn erotisch program bevat niets dan het directe geslachtsgenot. Bij
den beschaafden mensch is die schaal daarentegen verdeeld in tallooze
graden, doch zij is daardoor alleen gecompliceerder en delicater
geworden.
Terwijl de poëzie en in het algemeen de literaire kunst gaarne
en bij voorkeur passielooze liefde verheerlijkt, idealiseeren
de beeldende kunsten bij voorkeur de zinnelijkheid. Het wezen
dezer kunsten is zinnelijkheid, zij zijn zichtbaar geworden
zinnelijkheid. Tusschen kunst en zinnelijkheid bestaat een
onverbrekelijk verband--zinnelijkheid is de scheppende natuurdrift
die leven uit leven voortbrengt; kunst stelt die levenwekkende drift
zichtbaar voor oogen in haar hoogsten en edelsten vorm.
Ook in de zinnelijkheid der kunst weerspiegelt zich het verschil,
dat in het liefdeleven de beide sexen spelen. De rol der vrouw in het
liefdeleven is passief, ontvangend en verder-ontwikkelend; die van den
man actief, verwekkend en scheppend. Evenzoo is het in de kunst. De
scheppende artistieke kracht van de vrouw is, in vergelijking met
die van den man uiterst gering. Niet ten onrechte wordt dit voor
een deel gesteld op rekening harer voor scheppende werkzaamheid
zooveel ongunstiger omstandigheden en haar mindere vrijheid. Maar
de eenige reden kan dit niet zijn. Er zijn volken, het Engelsche
bijvoorbeeld, waar de vrouwen, der hoogere standen tenminste, sinds
vele eeuwen ongeveer dezelfde maatschappelijke vrijheden genieten
als de mannen. En niettemin heeft ook het Engelsche volk eigenlijk
geen enkele geniale vrouw voortgebracht. Daarentegen is den zonen van
het proletariaat door alle eeuwen heen in alle landen vrijwel alle
gelegenheid onthouden om de in hen sluimerende geestelijke krachten
tot ontwikkeling te brengen. Niettemin zijn uit dat proletariaat
tal van genieën opgestaan: Spinoza, Fichte, Goya, Edison, Rembrandt,
Thorwaldsen en zoovele anderen.
Een eigenaardigheid van ieder tijdvak is, dat het zich beschouwt als
bijzonder overgegeven aan de zinnelijkheid. Daarnaast verrijst dan
voor de verbeelding het verre verleden, toen de menschen in reinheid
van zeden en heilige onnoozelheid kuischelijk voortleefden. Van die
vroegere reinheid van zeden is den geschiedvorscher echter niets
bekend. In elk tijdperk vindt hij onder veranderde omstandigheden en
verhoudingen en in gewijzigde vormen den mensch slaafs onderworpen
aan de zinnelijkheid. Nergens geeft de geschiedenis te aanschouwen
een menschdom in een toestand van "oorspronkelijke reinheid"; de
"oorspronkelijke" of wilde mensch is evenmin rein als de geciviliseerde
dito. De zinnelijkheid is een natuurdrang. Zij moge individueel
verschillen in graad, en min of meer onder bedwang zijn te brengen
van een krachtigen wil, van buitenaf regelen of aan banden leggen
laat zij zich niet. Volken en kringen met zeer strenge sexueele zeden
kweeken dan ook heel weinig reinheid van harte, wel echter brengen
zij onvermijdelijk kat-in-'t-donker-knijpende brave-Hendrik-gehuichel
voort. De vermeende reinheid van den natuurstaat is niets dan een
droombeeld eener hersenschimmige gouden eeuw.
Voor de christelijke traditie, die de beschaving van een groot deel
van den aardbol nog volkomen beheerscht, begint de geschiedenis der
sexueele zeden met den zondeval van Adam en Eva in het paradijs. Bij
den val van het eerste menschenpaar der bijbelsche overlevering
treedt Eva, de vrouw, op als de verleidster. Deze voorstelling is der
vrouwenwereld in de hoogste mate noodlottig geworden. Want aan die
voorstelling heeft men het recht ontleend, de vrouw te beschouwen en
te behandelen als een onrein wezen, althans als een onreiner wezen dan
het beklagenswaardig slachtoffer van de verleidingskunst der vrouw:
de man. Over den oorsprong der Mozaïsche paradijslegende, waarbij
wij hier, om haar onberekenbaren invloed op de denkbeelden inzake
geslachtelijke dingen, een oogenblik moeten stilstaan, is door de
geleerden eeuwenlang getwist. Daarmede hebben wij ons hier niet in te
laten. Het is ons hier natuurlijk volkomen onverschillig of Mozes zijn
inspiraties voor het boek Genesis uit de overleveringen van het volk
Israel of wel, tijdens zijn verblijf aan Pharao's hof, uit de leer
der Egyptische Isispriesters en uit de bij hen opgedane kennis van
de religieuse mythen van andere volken, heeft geput. Evenmin is het
hier van belang of het verhaal van de schepping en den zondeval van
het eerste menschenpaar in den ons bekenden vorm van Israelietischen
oorsprong is en van de Joodsche religie is overgegaan in die van
andere volken, of omgekeerd. Maar wel is van belang het feit, dat in
de voornaamste godsdiensten der wereld dat verhaal van onberekenbaren
invloed is geweest op de begrippen aangaande de vrouw en inzake
het geslachtelijk verkeer in het algemeen. Dat verhaal toch stelt
de sexueele gemeenschap voor als de eerste zonde, terwille waarvan
het aardrijk vervloekt is, en waardoor de rein geschapen mensch is
vervallen tot een wezen dat geneigd is tot alle kwaad. En het was de
vrouw, die het eerst viel; zij bezweek voor de lokstem van de slang,
en verleidde vervolgens den man. En toen zij gezondigd hadden zagen
zij dat zij naakt waren.
De strekking van dit verhaal is te laten uitkomen, dat de vrouw
ten opzichte van de zinnelijkheid, die meteen als zonde wordt
gekwalificeerd, zwakker is dan de man en dat zij diens verleidster
is. De vrouw is, met andere woorden, de zedelijk minderwaardige,
de eigenlijke oorzaak van 's menschen verdorvenheid; zij is zelf
zonder weerstandsvermogen tegen de zinnelijkheid en de verleidster
van den man.
Deze opvatting beheerscht alle beschavingen voor welke de Bijbel
goddelijk gezag heeft, en zij heeft in alle samenlevingen, die dit boek
als grondwet van hun geestelijk leven hebben aanvaard, de positie der
vrouw en de denkbeelden omtrent hare zedelijke waarde, bepaald, in de
eerste plaats dus van het Jodendom en van het daaruit voortgekomen
Christendom. Met den banvloek, dien Mozes God in den mond legt:
Uw man zal heerschappij hebben over u! heeft hij de vrouw in deze
godsdiensten voor altijd onder de heerschappij van den man gesteld.
De paradijslegende komt ook in andere godsdiensten voor. Wij vinden
haar in het Brahmanisme der Indiërs, nog voor de hervorming van dien
godsdienst door Buddha, die circa 600 jaar vóór Christus leefde. De
Brahmaansche paradijslegende verloopt in hoofdzaak precies zoo als in
het Bijbelverhaal wordt geschilderd. Alleen treedt in de plaats van de
paradijsslang de draak Tiamat. Voor diens overredende woorden bezwijkt
de Brahmaansche Heya evenzeer als de Mozaïsche Eva, en Hadami blijkt
even weinig bestand tegen de verleiding der vrouw als de Bijbelsche
Adam. Hier treft de vloek voor de zonde in hoofdzaak echter slechts
den draak. Heya wordt niet met de erfzonde beladen, maar de Godheid
schenkt haar vergiffenis, wijl zij niet uit egoïsme zondigde, maar
uit liefde jegens haar vriend, dien zij door het eten van de verboden
vrucht nader tot de Godheid wilde brengen en hem boven de hemelgeesten
wilde verheffen. De Brahmaansche variant op de paradijslegende bevat
dus een geheel andere ethische kern.
De reden waarom Mozes dit motief van verzoening, dat de barmhartigheid
der beleedigde Godheid op den voorgrond stelt, heeft vervangen door
een eeuwige wraakoefening aan alle schuldige partijen--slang, vrouw
en man--is wellicht deze, dat hij als staats- en godsdienststichter
een mannelijk en krachtig volk noodig had en geen zweem van
vrouwenheerschappij kon dulden, en dat hij daarom de vrouw bij voorbaat
tot een door God vervloekt en tot eeuwige dienstbaarheid veroordeeld
onrein en minderwaardig wezen brandmerkte en haar zoodoende op den
achtergrond zocht te dringen en van allen invloed op het openbare
leven onverbiddelijk uit te sluiten. Hij is hierin op de meest volkomen
wijze geslaagd, zijn vonnis over de vrouw werkt tot nu toe door.
De Talmoed vult het Bijbelverhaal omtrent Adam en Eva op even
origineele als interessante wijze aan en tracht tevens eenige
onklaarheden daarin op te helderen. In Genesis 1 : 26 vat God het
plan op menschen te maken en in vers 27 wordt dat besluit ten uitvoer
gelegd: "En God schiep den mensch, man en vrouw schiep hij ze",
zonder dat blijkt, dat hierbij een andere manier werd gevolgd dan bij
de scheppingen op de voorgaande dagen. Hier schijnt het dus, dat ook
de mensch is geschapen door een eenvoudig: Er zij! Maar in het tweede
hoofdstuk vers 7 en verder wordt de schepping van den mensch opnieuw
en uitvoeriger verhaald. Daar echter wordt onder mensch alleen verstaan
de man, Adam. Deze wordt in den hof Eden gesteld, om dien te bouwen en
dien te bewaren, onder verbod van te eten van den boom der kennis des
goeds en des kwaads. En als Adam alle dieren hun namen heeft gegeven
en zich alleen begint te gevoelen, krijgt hij Eva tot gezellin. Hier
schijnt dus een aanmerkelijke tijd te zijn verloopen tusschen de
schepping van de twee eerste menschen, terwijl men uit hoofdstuk I
zou opmaken, dat zij gelijktijdig werden geformeerd. Wat eerst slechts
mensch wordt genoemd, heet bij de schepping van Eva plotseling Adam;
en Eva heet aanvankelijk alleen vrouw; eerst na den zondeval noemt Adam
haar Eva, dat is: leven, of: de levengevende moeder. Alles wijst er op
dat hier twee lezingen min of meer slordig door elkander zijn gewerkt.
Een tweede leemte in de Mozaïsche ontwikkelingsgeschiedenis van
het menschdom komt er reeds aan het licht bij de tweede sexueele
verhouding die op aarde onder de menschen zou hebben plaats gehad. Na
de verdrijving uit het Paradijs vernemen wij, dat Eva twee zonen
baarde, Kaïn en Abel. Kaïn vermoordt zijn broeder en zal tot straf
op aarde dolende en zwervende zijn. Hij wordt echter gerust gesteld,
dat de bloedwraak niet aan hem zal worden voltrokken en hij gaat daarop
naar het land Nod, ten oosten van Eden. Hier blijkt hij eensklaps een
huisvrouw te hebben, die hem een zoon schenkt, onderwijl de tot dolen
en zwerven gedoemde reeds bezig is de eerste stad op aarde te stichten.
De vraag dringt zich op voor de bloedwraak van wie Kaïn bevreesd kan
zijn geweest en vanwaar de huisvrouw kwam, die hem in het land Nod
een zoon baarde, en wie de stad moesten bevolken welke Kaïn in dat
land bouwde. Aan de hand van het Mozaïsch verhaal is maar één, en
een zeer onwaarschijnlijk, antwoord op die vraag te geven, n.l. dat
de nakomelingen van Adam in weinige jaren reeds de gansche omgeving
van den hof Eden hadden bevolkt.
Hier treedt de Talmoed echter ophelderend tusschenbeide. Deze verhaalt,
dat Adam dadelijk bij zijn schepping reeds een gezellin kreeg,
Lilith geheeten, met wie het hem vergund was sexueele gemeenschap
te hebben. Uit Adam's gemeenschap met deze zijn eerste vrouw, die
wij ons als een wezen tusschen mensch en engel, dus van hooger orde
als de mensch, hebben voor te stellen, werd een geslacht van reuzen
geboren, die in hun overmoed en op aansporing van Lilith zich tegen
de hemelgeesten en daarmee indirect tegen God zelf keerden. Zij werden
overwonnen en als demonen verbannen, evenals hun moeder, die zich over
de nederlaag wreekte door voortaan in het verborgen, onder allerlei
gedaanten zooveel kwaad te doen als in haar vermogen was. Zij was
het die uit ijverzucht haar opvolgster, Adam's tweede vrouw, Eva, in
de gedaante eener slang verleidde om te eten van den boom der kennis
des goeds en des kwaads. Doch dan wordt weer onaannemelijk dat hiermee
symbolisch de sexueele gemeenschap wordt bedoeld, gelijk men zoo gaarne
aanneemt. Wel echter heldert de Lilithlegende het na korten tijd zoo
bevolkt zijn van de omgeving van den hof Eden eenigszins op--men kan
dit toeschrijven aan de ongemeene vruchtbaarheid van Adam's eerste
vrouw, die als half mensch en half engel wordt voorgesteld. Mozes zelf
schijnt op deze Lilithlegende te zinspelen, als hij in Genesis 6 vers
2 klaagt, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen en zich
vrouwen namen, terwijl in vers 4 wordt medegedeeld, dat daaruit reuzen
geboren werden en dat dit de geweldigen waren, die er van ouds geweest
zijn. Met deze zonen Gods kunnen dan de nakomelingen van Lilith bedoeld
zijn, geen engelen, want de mededeeling wordt gedaan als een klacht,
en gemeenschap met engelen had het menschdom in zedelijk opzicht wel
kunnen verbeteren maar niet verslechteren.
Als Adam na de schepping van Eva ontwaakt en haar ziet, roept hij
uit: Deze is ditmaal been van mijne beenen enz. Ook hieruit valt af
te leiden, dat hij reeds eerder een gelijkvormig wezen had gekend,
n.l. Lilith, doch dat deze tweede hem meer gelijk was dan de eerste.
Blijkbaar heeft Mozes om maar de vrouw voor zijn boven
aangegeven doel een trap lager te kunnen stellen dan den man, de
verschillende legenden, waarvan hij zich bij het samenstellen van
zijn scheppingsverhaal bediende, geweld aangedaan. De eerste vrouw
moest als verleidster, als minderwaardige fungeeren, daarom moest de
halfengel Lilith, de eigenlijke eerste vrouw op aarde volgens zijn
gegevens, maar voor zijn opzet minder bruikbaar, uit zijn Genesis
verdwijnen. Hij heeft echter niet zorgvuldig alles weggelaten, wat
op de Lilithlegende betrekking heeft, en door die slordigheid zijn
epos der schepping tamelijk verward gemaakt.
Het paradijsdrama is door de beeldende kunst in tallooze variaties
voorgesteld. Op vele dier voorstellingen heeft de verleidende slang
een menschenhoofd. Waar dat het geval is wil de kunstenaar blijkbaar
doen uitkomen, dat Eva's verleidster niemand anders was dan haar
wraakgierige en ijverzuchtige voorgangster Lilith, die op die manier
den vrede van het eerste menschenpaar tracht te verstoren en hen in
het ongeluk te storten.
Dat de vrucht, welke de verleidster Eva deed eten, een appel was,
wordt in Genesis niet gezegd. Volgens de oud-Hebreeuwsche traditie was
die vrucht geen appel, maar een vijg, of wel een noot. De appelboom
is vermoedelijk slechts door een woordspeling aan zijn voorname rol
als boom der kennis gekomen: malum kan zoowel appel als het booze
beteekenen. En de noodlottige vrucht van dien eersten appelboom zou
Adam bij het eten in de keel zijn blijven steken, wat de oorzaak zou
zijn, dat de man een sterker vooruitspringend strottenhoofd heeft
dan de vrouw. De schepping van Eva uit de ribbe uit Adam's zijde
genomen, is het zinnebeeld geworden van de eenheid van man en vrouw,
en de christelijke scholastiek heeft dit uitgelegd als een symbool
van Jezus' wonde in de zijde, waaruit als de bruid van Christus de
nieuwe Eva, n.l. de christelijke kerk, is voortgekomen.
Op gelijke subtiele wijze is de geheele paradijslegende uitgesponnen en
deze is daardoor de bron geworden van verachting en achteruitzetting
van de vrouw. De priester werd voor haar later zelfs te rein en te
heilig geacht, en het huwelijk werd hem om die reden verboden,--de
vrouw werd daardoor vernederd tot een wezen van lagere orde dan de
man. En in het algemeen werd de vrouw aangemerkt als de oorzaak van
alle kwaad op aarde, als een van oorsprong onrein en gevaarlijk wezen,
dat in gemeenschap stond met booze geesten en kwade bovenaardsche
invloeden, die zich van haar bedienden om den onschuldig-reinen man in
de eeuwige verdoemenis te storten. Wij herinneren in dit verband aan
het heksengeloof der middeleeuwen, waarover later meer. En ook thans,
in onze dagen, heeft de voorstelling nog volstrekt niet afgedaan,
dat de bekoorlijkheden der vrouw niets zijn dan een lokmiddel van
Satan om de zielen ten verderve te voeren. Zoo bleef de Paradijsvloek,
door Mozes uitgesproken om redenen van staat, de vrouw de eeuwen door
vervolgen en hij heeft over de schoone en zwakke sexe nameloos leed
gebracht. En met deze opvatting der vrouw als dogma vooropgesteld,
kan de man zich nog altijd boven de vrouw verheven wanen, want nog
iederen dag, elk uur worden er Adam's en Eva's geboren, die door de
"zwakheid" van den man tegenover de "verleiding" der vrouw een tastbaar
Eden veroveren of een gedroomd paradijs verliezen.
III.
MANNELIJKE EN VROUWELIJKE ZINNELIJKHEID.
Zinnelijkheid is bestaanbaar zonder liefde, maar liefde en
zinnelijkheid gaan als regel onafscheidelijk samen--de natuur wil
niet, dat de sexen in Platonische sympathie of in Vestaalsche reinheid
naast elkander blijven voortleven.
Hieruit vloeit voort, dat beide sexen vatbaar moeten zijn voor
zinnelijkheid. En dit is inderdaad het geval. De begeerte naar
lichamelijke gemeenschap met de andere sexe is aanwezig bij de
vrouw zoowel als bij den man. De aard van beider zinnelijkheid is
echter verschillend. Uit dit verschil ontstaat de strijd der sexen,
waarbij de eene partij, de man, schijnbaar de actieve rol vervult van
aanvaller, terwijl aan de andere partij, de vrouw, eveneens schijnbaar,
de passieve rol is toebedeeld van de tegenstrevende, die met alle
middelen van de krijgskunst der liefde moet worden overmand. Later
zullen wij zien, dat dit in werkelijkheid precies andersom is.
De vraag wordt dikwijls opgeworpen, wie zinnelijker is, de man
of de vrouw. En het antwoord is in den regel: de vrouw. Om dit te
bewijzen heeft men inderdaad in de geschiedenis van alle tijden de
Messalina-naturen, wier zinnelijkheid aan het ongehoorde grensde,
maar voor het grijpen. En mag men de nieuwste romanliteratuur (Zola,
Strindberg) gelooven, dan is van elk tweetal vrouwen de eene een
onverzadigbare Venuspriesteres en de andere een hysterische vampier,
die den man niet los laat alvorens hem het laatste merg uit het
gebeente is gezogen.
Nu is er inderdaad veel, wat de meening, als zou de vrouw zinnelijker
zijn dan de man, en dat de vrouw veel meer en veel intenser
behoefte zou hebben aan geslachtsleven en geslachtsgenot, schijnt
te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de vrouwelijke ijdelheid,
zoo geheel en al in dienst gesteld van de behaagzucht en dus blijkbaar
beheerscht door het vrouwelijk geslachtsinstinct. Dit zou ongetwijfeld
wijzen op een sterker zinnelijkheid der vrouw, als de vrouw maar
in even sterke mate zinnelijk was als zij coquet en behaagzuchtig
is. Maar dit is juist niet het geval. Integendeel, de coquetste vrouwen
zijn absoluut niet de zinnelijkste en sterk-zinnelijke vrouwen zijn
dikwijls allerminst coquet of behaagziek. Het zijn juist de coquetten,
die het minst voor de bekoringen der zinnelijkheid bezwijken en dan
ook in het spelen met vuur het verst durven gaan en op het laatste
moment altijd nog de kracht blijken te bezitten zichzelf het "halt"
toe te roepen. Coquetterie ontketent alleen anderer zinnelijkheid,
maar blijft zelf koel en onbewogen, zij vergeet zich niet en laat
zich niet meeslepen, zij blijft elk oogenblik gereed en bij machte
het contact te verbreken en de aansluipende zinnelijke bekoring van
zich af te schudden.
Een verdere reden, waarom bij de vrouw een sterker zinnelijkheid
verondersteld wordt dan bij den man, is deze, dat in het geslachtelijk
liefdeleven de vrouw de partij is, voor wier rekening de heele nasleep
van gevolgen komt--over de vrees daarvoor, zoo redeneert men, kan
alleen de onweerstaanbare drang eener overmachtige zinnelijkheid haar
heenhelpen. Slechts wie door begeerte geheel en al wordt overheerscht,
zoo oordeelt men, kan bereid zijn zoo groote offers te brengen ter
harer bevrediging.
Ook uit de geslachtelijke onvermoeibaarheid van de vrouw, uit haar
physiologisch onbeperkt uithoudingsvermogen in het sexueel verkeer,
in vergelijking waarmee de man een impotente zwakkeling schijnt, is men
gewoon een zooveel grootere zinnelijkheid bij de vrouw af te leiden.
Doch bij al zulke beoordeelingen van de vrouwelijke natuur is het bijna
altijd de man, die aan het woord is. En waar de man zich beijvert om
bewijzen te leveren voor de macht van de zinnelijkheid over de vrouw,
daar geeft hij niets dan een beeld van zichzelven; ook in dit opzicht
ziet de mensch, anderen beoordeelende, overal niets dan zichzelf. De
neiging van den man om de vrouw een felle, nimmer sluimerende en
nauwelijks te beheerschen zinnelijkheid toe te schrijven, wijst er
dan ook veeleer op, dat inderdaad de man zelf zich machteloos voelt
tegenover dezen machtigste aller menschelijke hartstochten.
Trouwens, elke vergelijking van de zinnelijkheid van man en vrouw
moet noodzakelijk tot valsche conclusies leiden. Beide zijn niet te
vergelijken. De zinnelijkheid van de vrouw is in wezen een geheel
andere, dan die van den man, waar nog bij komt, dat de zinnelijkheid
iets geheel individueels is--ieder individu is weer anders in dit
opzicht dan alle anderen, evenals ieder individu weer een ander
aangezicht en een andere stem heeft dan alle anderen. Veel van
wat bij de vrouw wordt uitgelegd als uitingen van erotischen lust,
is in werkelijkheid geheel iets anders. Bij den man zijn liefde en
zinnelijkheid onafscheidelijk verbonden; zuiver mannelijke liefde is
in wezen niets dan zinnelijke begeerte; alle denken en voelen van den
man ten opzichte van de vrouw concentreert zich tot het verlangen
haar sexueel te bezitten. Bij de liefde der vrouw is dit in veel
mindere mate het geval; de zinnelijke begeerte speelt in de liefde
der vrouw een zeer ondergeschikte rol, is haar bijzaak. De liefde van
den man is als regel zuiver physiek, en streeft allereerst naar het
lichamelijk bezit. De liefde der vrouw kan psychisch zijn in een mate,
als bij den man slechts hoogst zelden het geval is.
In het zieleleven der vrouw opent een ontluikende liefde een geheel
ander, een oneindig verder, grootscher en schooner verschiet, dan
bij den man. De liefde van den man, in wezen louter zinnelijkheid,
drijft hem louter tot het zoeken van bevrediging dier zinnelijkheid;
het voorloopig einddoel zijner liefde is, het voorwerp daarvan physiek
te bezitten; verder reikt zijn blik niet. De natuur heeft dat zoo
gewild: de rol van den man in de vereeuwiging van het leven is daarmee
geëindigd, met komende geslachten heeft de man slechts erotische
betrekkingen--het natuurlijke einddoel van de liefde van den man is
bevrediging zijner zinnelijkheid. Maar bij de vrouw kan het anders
zijn. Wat voor den man het fel-begeerde einddoel is, is voor haar een
aanvankelijk ternauwernood klaar bewuste bijzaak, die bovendien eer
afschrikt dan aantrekt. Haar blik reikt verder. Zonder zich duidelijk
rekenschap te geven van het hoe, ziet de vrouw, hoe ook meegesleept
door het zoet geheim van het minnen, zich in de verte al moeder. Het
natuurlijke einddoel van de liefde der vrouw is moederschap. Dit
spiegelt zich reeds af in de voorliefde van het kleine meisje voor de
pop; reeds als klein kind moet de vrouw, zooals Victor Hugo opmerkt,
een voorwerp hebben om te verzorgen, te vertroetelen, te kleeden,
te ontkleeden. Het eerste kind is de voortzetting van de laatste pop.