Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
DE SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD
Door
D. Ph. Van Vloten Elderinck.
Met 94 afbeeldingen in den tekst en 39 losse platen.
LIEFDE EN ZINNELIJKHEID.
Gebr. Graauw,
Amsterdam--Haarlem--Weltevreden N. O. I.
VOORWOORD.
"De Sexueele Zeden in Woord en Beeld".... wij gevoelen het levendig,
deze titel kan aanleiding geven tot misverstand aangaande den inhoud,
althans omtrent den geest waarin het aangekondigde onderwerp is
behandeld.
Wat toch onze Nederlandsche literatuur bezit aan werken op het gebied
van het sexueele leven, is voor een groot gedeelte openlijke of
verkapte pornografie, en voor de rest dorre archiefstudie of resultaat
van natuur-wetenschappelijk onderzoek.
Dit werk evenwel is noch het een, noch het ander.
Het werk is gehouden op de hoogte van zijn grootsch en schoon
onderwerp--wat met de waardigheid van dat onderwerp in strijd is te
achten en wat gezonde fatsoensbegrippen aanstoot zou kunnen geven is
op dezen onderzoekingstocht in het wonderland der sexueele zeden als
minderwaardig en onbelangrijk voorbijgegaan. Een vluchtig doorbladeren
van dit deel zal ook degenen, die ten deze de hoogste eischen stellen,
met één oogopslag moeten overtuigen dat het qui s'excuse s'accuse
hier niet van toepassing is.
Aan den anderen kant is de inhoud gedeeltelijk wel geput uit bronnen
als archieven en dergelijke; en ook de resultaten der physiologische
wetenschappen, voor zoover bruikbaar voor het gestelde doel, zijn er
in verwerkt; maar steeds is naar literair-smakelijke vormen gezocht
om er de gevonden schatten in op te dragen.
Het gebied, dat in dit werk wordt betreden, is onuitputtelijk rijk
en veelzijdig--in het sexueele leven leeft de mensch zich uit
in zijn vurigste instincten, die den een--individuën zoowel als
gemeenschappen--opheffen naar de hoogste bergtoppen van zedelijke
volmaking, den ander daarentegen heenvoeren naar de diepste afgronden
van menschelijke ontaarding. In die bonte veelheid van feiten en
verschijnselen is steeds gezocht naar het typische en het interessante,
maar vooral ook naar het wezenlijke. Zoo moest dit werk, dat een zoo
belangwekkend stuk beschavingsgeschiedenis der menschheid behandelt,
in velerlei opzicht worden tot een eersteling in onze nationale
literatuur.
Dit wat het Woord betreft. Een enkele opmerking nog over het
Beeld. Daaraan is--een vluchtig doorbladeren van dit eerste deel kan
het alweer getuigen--evenveel zorg besteed, als aan den literairen
inhoud. Zoo gaat het feitenmateriaal, in dit werk opgehoopt, als van
regel tot regel aanvullend en toelichtend vergezeld van het schoone
van wat de Kunst--die ideëele spiegel der werkelijkheid--op het gebied
van ons onderwerp heeft voortgebracht.
Dit is in hoofdtrekken het program, waarnaar dit werk met veelzijdige
hulp--waarvoor hier nogmaals zij dank gezegd--is opgebouwd. Moge het
een trouwe en eerlijke weerspiegeling worden bevonden van de grootsche
werkelijkheid, die het zoekt weer te geven.
Amsterdam. De Schrijver.
INHOUD.
Hoofdstuk I Liefde
Hoofdstuk II Zinnelijkheid
Hoofdstuk III Mannelijke en Vrouwelijke Zinnelijkheid
Hoofdstuk IV Schoonheids-Idealen
Hoofdstuk V Schaamte
Hoofdstuk VI De Toenadering der Sexen
Hoofdstuk VII De Rol der Zintuigen in het Liefdeleven
Hoofdstuk VIII De Kleeding als Bondgenoote der Zinnelijkheid
Hoofdstuk IX Kuischheid
I.
LIEFDE.
Erregt an des Lenzes Erwarmung,
Indes du die Welten umfliegst,
Ruht Alles in deiner Umarmung:
O heilige Liebe, du siegst!
Graaf Platen.
Het eerste en het laatste woord in het leven der sexen is
Liefde. Wat is Liefde?--Dichterzielen en romantische naturen kennen
een bovenzinnelijke drift, een etherischen hartstocht, die de sexen
tot elkander voert, maar die niets sexueels heeft, die integendeel
rein is en onstoffelijk, en de ziel in een stemming brengt, dat zij
elke gedachte aan iets sexueels als ontwijdende heiligschennis met
afschuw van zich stoot.
Dezen hartstocht der onbevlekte reinheid noemen zij Liefde. En ten
allen tijde hebben dichters en romantische geesten, tot op Tolstoi en
Ellen Key in onze dagen, dezen hartstocht bezongen en in de stoutste
beeldspraak hem extase-dronken verheerlijkt. Vele der schoonste en
verhevenste gedachten die uit menschenbrein zijn ontsprongen, gelden
dit zoo vurig vereerde heilige der heiligen van het gevoelsleven.
Wat liefde in dezen zin is onttrekt zich aan elke definitie. De
Liefde is het mysterie der aardsche twee-eenheid; zij is een raadsel,
samengesteld uit waarheden.
Het behoeft nauwelijks gezegd, dat deze liefde niet alleen vereerders
heeft. Zoo zijn er ten allen tijde zulken geweest, die haar bestaan
eenvoudig ontkenden en haar ontnuchterend terugbrachten tot een
der middelen waardoor de natuur den geslachtelijk rijpenden mensch
voorbereidt tot de functie der voortplanting. Tusschen beide uitersten
bestaan honderden uiteenloopende meeningen omtrent deze sfinx onder
de menschelijke neigingen.
Eenig begrip van het wezen der liefde zooals dichters zich haar droomen
kan men zich bij benadering vormen uit de voorstellingen die zij er
van geven. Al die voorstellingen dragen uitermate het kenmerk van
het poëtisch verhevene en van het nevelig onbestemde. Definities, die
nuchteren geesten zouden kunnen bevredigen, geven zij van de liefde
niet. Zij spreken van haar slechts in beeldspraak. En de stoutste
vergelijkingen blijven naar hun gevoelen altijd nog ver beneden de
werkelijke heerlijkheid van dezen wonderen hartstocht.
Liefde, in dezen verheven zin, is een nimmer-eindigend hooglied,
waarvan elk woord klinkt als het ontroerend snikken eener fel-bewogen
ziel.
Beminnen met deze liefde der dichters is het eenige, zegt Victor Hugo,
wat de eeuwigheid kan vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke
en dat onuitputtelijke is de liefde. Liefde, die zoo lief heeft,
zet het heelal in vuurgloed--men voelt haar branden in het merg van
het gebeente en men ziet haar gloeien in de diepten der hemelen.
Liefde is het eenig noodige. Het overige is maar het overige.
Verheven liefde is lichtend als het morgenrood en stil als het
graf. Voor twee wezens, die elkander beminnen met de ware liefde,
is samen te zwijgen grooter geluk nog dan samen te spreken, en bij
dat spreken klinkt ieder woord als door de sterren gezongen.
Liefde, zegt La Bruyère, ontstaat plotseling, zonder medewerking van
den overleggenden wil, uit temperament of uit zwakheid.
De Liefde, klaagt George Sand, is een vrijwillige slavernij, waarnaar
vooral de vrouwelijke aard met kwijnend verlangen snakt en haakt.
"Maar een damp was opgegaan uit de aarde," citeert Rosegger (in:
_Mann und Weib_), "en bevochtigde den ganschen aardbodem. En Jehovah
formeerde den mensch uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten
blies hij den adem des levens. En Jehovah sprak: Het is niet goed, dat
de mensch alleen zij; ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem
over zij. Toen deed Jehovah een diepen slaap op den mensch vallen;
en hij nam ééne van zijne ribben, en sloot derzelver plaats toe
met vleesch. En deze ribbe bouwde Jehovah tot eene vrouw, en hij
bracht haar tot den mensch. Toen zeide de mensch: Deze is ditmaal
been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch. Men zal haar
manninne heeten." Dit is de eerste liefdesgeschiedenis. Sindsdien
hebben alle menschen liefdesgeschiedenissen geleefd, alle dichters
liefdesgeschiedenissen geschreven, en alle gevoelige harten met graagte
liefdesgeschiedenissen vernomen. En gedurende de duizenden jaren,
dat de menschheid bestaat, is de liefde gelijk gebleven, evenals de
roos aan de doornstruik in de wildernis nog altijd dezelfde is. Hoe
zeloten zich ook hebben beijverd de liefde in grove boetekleederen te
verstikken, ze te verbannen naar de hel; hoe ook de samenleving gepoogd
heeft het allerhoogste en allerschoonste te fatsoeneeren en in vormen
te wringen--de liefde is zichzelven gelijk gebleven, als de gloed van
het vuur, dat men wel kan blusschen maar niet verkoelen. Waar de liefde
heerscht, daar vallen alle hindernissen weg, daar scheuren alle hulsels
der beschaving, en het laatste is wat het eerste was: Adam en Eva.
De liefde is sterker dan de dood, zoo jubelt het Hooglied van Salomo
in zijn "praallooze pracht van Oostersche dichting, beschenen door
de bleeke verte des verledens". Hare kolen zijn vurige kolen, vlammen
van Jehovah. Vele wateren zouden de liefde niet kunnen blusschen, ja
de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van
zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten. Kom
haastelijk, mijn liefste! en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een
welp der herten op de bergen der specerijen.
Naast dit voorbeeld der vurige liefdeslyriek van het oude Oosten
stellen wij er een uit het oude Noorden, dat in gansch anderen toon
op nog grootscher wijze de liefde verheerlijkt. Wij ontleenen het
aan de inaugurale rede van Prof. Frantzen te Utrecht: _Over den
ontwikkelingsgang der erotische lyriek bij de Germaansche volken_
(1908). Een der Edda-liederen bezingt de liefdesgeschiedenis van
Helgi en de valkyrja Sigrún, dochter van Hogni. Als Sigrún verneemt,
dat haar vader haar tegen haar zin heeft verloofd met een anderen
vorst, gaat zij met haar gezellinnen naar Helgi, dien zij ontmoet
te midden van een veldslag. Bij het vernemen van wat haar tot hem
voert trouwt hij haar, zeilt met zijn vloot naar het land van zijn
mededinger en overwint deze; alleen Sigrún's broeder Dagr ontkomt
den dood en zweert Helgi trouw. De twee gelieven zijn nu vereenigd,
maar Dagr neemt kort daarop wraak en doodt Helgi, waarop Sigrún haar
broeder vervloekt en haar dooden geliefde prijst. Zij laat voor hem
een grafheuvel aanleggen en op dien heuvel verschijnt op een avond
te paard Helgi met een aantal gezellen. Hij wordt het eerst gezien
door een van Sigrún's dienstmaagden, die den verrezene ziende zegt:
Is het bedrog wat ik meen te aanschouwen, of het einde der wereld? dat
de dooden rijden, dat gij uw rossen met de sporen prikkelt; of is den
helden terugkeer geschonken?--Helgi antwoordt: Het is geen bedrog,
wat gij meent te aanschouwen, noch het einde der dagen, ofschoon gij
ons ziet en schoon we onze rossen met de sporen prikkelen, en ook is
ons helden geen terugkeer geschonken.--Daarop gaat de dienstmaagd
naar huis en boodschapt wat zij gezien heeft haar meesteres aldus:
Ga uit, Sigrún van Sevafjoll, als gij den legervorst nu wilt vinden;
ontsloten is de heuvel, Helgi is gekomen; zijn wonden bloeden; en hij
de koning bad u dat ge de bloeddroppels mocht komen stelpen.--Sigrún
gaat onmiddellijk en begroet Helgi vol vreugde: Eerst wil ik u kussen,
mijn gedooden koning, eer gij uw bloedig harnas afwerpt; uw haar,
Helgi, is met rijp bedekt, uw lichaam besproeid met den dauw van de
lijken; ijskoud zijn de handen van Hogni's schoonzoon, hoe zal ik,
o koning, u kunnen helpen?--Helgi antwoordt: Uw schuld is 't, Sigrún
van Sevafjoll, dat Helgi's lichaam met lijkendauw besproeid is:
bittere tranen toch schreit gij iederen avond, en elke traan valt
bloedig dezen held op de borst, ijskoud, klam en vol smarten. Laat
ons nu drinken kostlijke wijnen, al moeten wij missen leven en landen;
voor mij mag niemand klaagliederen zingen, al ziet men mijn borst vol
bloedende wonden, want nu zijn de vrouwen in het graf opgenomen; der
mannen geliefden zijn bij ons, de dooden.--Sigrún spreidt terstond in
den heuvel een leger en zegt dan: Ik heb u, Helgi, een leger bereid,
rustig en vreedzaam, zoon der Ylfingen! Ik wil hier in uw armen slapen,
o koning, zooals ik in het leven bij u placht te rusten.--In den morgen
rijdt Helgi, vóór het kraaien der hanen met de zijnen weer heen en
komt niet weer terug, waarop Sigrún van heimwee spoedig sterft. Deze
spookachtige winternachtsdroom: de ontmoeting in een grafheuvel van den
dooden held, klam van bloed, met ijskoude handen en wit bevroren haren,
en de trouwe geliefde, die hem aan haar hart koestert en verwarmt; die
mengeling van de hoogste zaligheid der liefde met de kille huivering
van den dood, ontroerend door zijn schier huiveringwekkende schoonheid
en aangrijpend door zijn realistische kracht, schittert te midden
der oude Eddaliederen als een heerlijk gedenkstuk van de verheven
majesteit der oud-Noorsche liefdes-idealen.
Strenge eischen van bovenzinnelijke reinheid werden door sommige
middeleeuwsche minnehoven (waarover later nader) aan de liefde
gesteld. Zoo vaardigde het minnehof van koningin Eleonora de
volgende decreten uit: De liefde kan der liefde niets weigeren. Een
minnaar, die verandert, verandert niet--hij heeft slechts geveinsd
te beminnen. Alleen de deugd maakt der liefde waardig. Niemand kan
tweemaal beminnen. Beminnen kan niet, wie beheerscht wordt door
wellust.
Geheel het romantische ridderwezen werd trouwens beheerscht, in
theorie tenminste, door zulke hooge opvattingen aangaande de liefde. De
minnehoven, die een ware revolutie teweegbrachten in de begrippen van
dien tijd betreffende het huwelijk, vaardigden een wetboek uit van ware
liefde. Daarin werd verklaard, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar
zijn. "De vrome sluiers," zegt Mevr. v.d. Wissel-Herderscheê in
haar vertaling van Hudry-Menos' _Leven en streven der vrouw_, "die
het Christendom met afgewend gelaat over de sexueele gemeenschap
geworpen had, werden verscheurd en de behoefte aan een inniger,
dieper vereeniging dan die van het huwelijk brak zich baan. Het
samengaan van de verbintenis der zielen met die der lichamen werd
voor onmogelijk gehouden; men liet ze naast elkander bestaan,
met verschillende personen als object: eenerzijds den vriend of de
vriendin, anderzijds den echtgenoot of de vrouw. Zoo had een vrouw
een reëelen man en een ideëelen echtgenoot."
De literaturen aller volken wemelen van gloeiende lofzangen der liefde,
in alle talen hebben de literaire genieën en alle verheven geesten zich
uitgeput haar te bezingen. "De liefde," verklaart Madame de Staël,
"verleent ieder uur zooveel zoetheid, vult elke minuut met zooveel
heerlijkheid, dat zij, ook met de onzekerste toekomst voor oogen, in
den roes van het oogenblik alles doet vergeten. In haar is een dag
gelijk aan een eeuw van geluk of van lijden, zoo vol is die enkele
dag van gedachten en gevoelens. O waarlijk, slechts door de liefde
leeren wij de eeuwigheid verstaan! Zij heft alle tijdsbepalingen op,
evenals elk begrip van begin of van einde; men gelooft het voorwerp
der liefde reeds zoolang men leeft te hebben bemind, want hoe zou
men zonder hetzelve hebben kunnen leven? En hoe schrikkelijker de
scheiding zou zijn, des te onwaarschijnlijker komt zij ons voor."
Twee wezens, die elkander beminnen, oordeelt Marie Bashkirtseff
(in: _Journal II_) hebben de illusie van een volmaakt en heerlijk
al; daarin, geloof ik, ligt de groote aantrekkingskracht van de
liefde. Bij bloedverwanten, bij vrienden, in de maatschappij,
overal ontmoet men onzuivere bedoelingen: hier is het de begeerte,
daar afgunst, gemeenheid, onrecht, valschheid; zelfs de beste vriend
heeft zijn verborgen berekeningen en, zooals Maupassant zegt, de
mensch is altijd alleen, daar het hem onmogelijk is in de geheime
gedachten ook van den besten vriend door te dringen. Maar de liefde
volbrengt het wonder der zielengemeenschap. Men geeft zich over aan
illusies, wat beteekent dat? Wat men gelooft dat wezenlijk bestaat,
dat bestaat ook wezenlijk. De liefde schept een schijnbare wereld,
die is, zooals de werkelijke wereld moest zijn.
"Jij alleen kunt mij ellendig maken, jij alleen mijn hart verheugen en
mij troosten", zoo luidt een der bekentenissen der liefde (Heloïse in
een harer brieven aan Abelardus). "En jij alleen hebt den plicht dat
dan ook te doen; want ik heb mij steeds zoo blindelings overgegeven
aan je wil, dat ik op een wenk van jou mijzelven zou hebben vernietigd,
want je verdriet te doen, waarmee dan ook, zou mij onmogelijk zijn."
De liefde, de opperste gebiedster in het hart van de vrouw, doet
nooit afstand van haar heerschappij, zegt Legouvé (_La femme au
XIXme_ siècle). Zij kan met de jaren veranderen, maar nooit dooft
zij geheel uit. Van haar dertigste tot haar veertigste jaar maakt de
liefde der vrouw een nieuwe trap van ontwikkeling door, zij heeft dan
ondervinding, maar gelooft niettemin nog aan liefde; zij handelt echter
niet meer zoo zonder overleg, berekent meer, wat alleen zeggen wil,
dat zij zich niet meer zoo licht vergist; zij is omzichtiger geworden,
haar liefde, minder onstuimig, is teederder.
Men verwijt de vrouwen vaak, dat zij het naderen van den ouderdom
vreezen; deze vrees ontspringt uit de wetenschap, dat zij dan alle hoop
moeten laten varen nog bemind te worden; vandaar haar ontsteltenis bij
het verschijnen der eerste grijze haren en der eerste rimpels. Alle
vrouwen zijn ontvankelijk voor deze vrees, ofschoon velen er zich
geen rekenschap van geven.
Zelfs in haar ouderdom kan de vrouw zich niet aan den invloed der
liefde onttrekken. Zij wordt hetzij een oude coquette, die glimlachend
voor haar spiegel staat en haar rimpels angstvallig verbergt, om
zich voor te bereiden op een proef van de macht harer verschrompelde
bekoorlijkheid; hetzij een vriendelijke huismoeder, die met nieuwe
toewijding alle teederheid haars harten op haar gezin overbrengt;
hetzij een statige matrone, die het goede doet dat haar hand vindt
om te doen, kalm glimlachend over de illusies der jeugd. Neen, de
liefde sterft nooit in het hart van de vrouwen; de ouderdom is voor
haar droevig of gelukkig, al naar de herinneringen, die in haar ziel
leven, treurig of liefelijk zijn.
Door gebrek aan liefde te sterven--zingt in zijn heroïeke taal Victor
Hugo--is schrikkelijk. Het is de verstikkingsdood van de ziel. Men
aanschouwt een ster om twee redenen: omdat zij licht geeft en omdat
zij ondoorgrondelijk is; de liefde is een lieflijker licht en een
grooter verborgenheid. Uren van liefde zijn uren die zich hebben
losgemaakt van het leven der engelen en tot menschelijke wezens zijn
nedergedaald. De liefde is een deel van de ziel en evenals deze een
goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. De liefde
is een onsterfelijke vuursprank in ons, die niets kan dooven. De
gelieven, die gescheiden zijn, vullen de afwezigheid met duizend
hersenschimmen, die allen werkelijkheden zijn. Laat men hen beletten
elkander te zien, of elkander te schrijven--zij zullen een menigte
geheime middelen vinden om met elkander in gemeenschap te blijven. Zij
zenden elkander het gezang van de vogelen, den geur van de bloemen,
het licht van de zon, de zuchten van den wind, den lichtglans der
sterren, al wat er heerlijks is in de schepping. De liefde is machtig
genoeg om de gansche natuur met hare boodschappen te belasten.
De liefde kent oogenblikken, waarin de ziel knielt, in welke houding
het lichaam ook zij. Zoodra de liefde twee wezens tot een hemelsche
eenheid heeft samengesmolten, is door beiden het geheim des levens
gevonden; zij zijn dan slechts de twee elementen van het goddelijk
mysterie eener heilige twee-eenheid.
De ware liefde is microcosmos en macrocosmos tegelijk--zij is
troosteloos of verrukt over een gevonden handschoen, en zij behoeft
een eeuwigheid voor haar hoop en haar trouw. Zij omvat tegelijkertijd
het oneindig kleine en het oneindig groote.
Van liefde sterven is ervan leven, dus gij die lijdt door de liefde,
bemin nog meer. Naast elkander in het graf liggen en van tijd tot tijd
elkander in de duisternis de hand streelen, zou voor de eeuwigheid
voldoende zijn.
Hoe grootsch is het, bemind te worden! Maar grootscher is het te
beminnen. Liefde vervult het hart met heldenmoed. Het bestaat dan
louter uit reinheid, het haakt naar niets dan wat groot en verheven
is. Een lage gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel
in een ijskristal. De minnende ziel bewoont het blauw des hemels en
voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot minder nog dan de
toppen der bergen aardbevingen voelen. Als er niemand was die beminde,
zou de zon uitdooven. Liefde is inademing van paradijslucht.--
Het zijn niet alleen de dichterzielen die in extase zoo de liefde
bezingen. In gelijksoortige formules vinden wij haar verheerlijkt door
denkers, geleerden, natuurkundigen, door allen die geestelijk hoog
staan. De hooggestemde verstandsmensch ziet in de liefde evenveel
schoonheid als de fijn besnaarde gevoelsmensch, en hun geestdrift
stijgt tot dezelfde in het blauw zich verliezende hoogten. Doen
wij slechts een greep in de aphorismen op de liefde in Mantegazza's
_Physiologie der Liefde_.
Een der vele wonderen der liefde is, dat zij onbluschbaar is en door
geven niet afneemt maar aangroeit. De liefde is een onleschbare dorst,
een oceaan, dien niemand zou kunnen ledigen, want als de gloed der
zon er een golf van doet opgaan in damp, voeren honderd stroomen
duizend nieuwe golven aan.
De liefde tot rede te willen brengen is hopeloozer taak dan het
kwadraat van den cirkel te willen vinden.
De Olympus der liefde telt meer helden en martelaren dan eenig
Pantheon ter wereld en biedt meer heerlijkheden dan de paradijzen
aller godsdiensten tezamen.
Ieder vindt juist zooveel liefde als hij verdient. Het lijden des
harten te verzachten met den balsem der liefde is een der kuren,
waarbij moeilijk valt te zeggen wie het meest te benijden is, de
zieke of de arts.
De natuur heeft den man polygaam geschapen; het is de hooge roeping
der vrouw hem monogaam te maken.
Wanneer een beleediging de liefde kan dooden, is dat een bewijs dat
de eigenliefde sterker was dan de liefde.
Er is geen honger, dien het brood niet verzadigen kan, geen dorst,
dien put of kelder niet in staat is te lesschen, en geen smaak,
dien de kookkunst niet bij machte zou zijn te bevredigen. De liefde
echter hongert en dorst zelfs bij een leven van liefde en wij sterven
allen met een nog ongebruikt kapitaal van hartstocht, dat wij wellicht
nalaten aan onze kinderen.
Voor menschen, mannen zoowel als vrouwen, die elkander teeder en
innig liefhebben, hebben tijdelijke scheidingen versterkende en
bederfwerende kracht. Maar ook alleen voor gevoelige en zuivere
zielen. Voor mannen, die men met kunstgrepen verovert en voor vrouwen
die voor geld verkrijgbaar zijn geldt slechts het spreekwoord: Uit
het oog, uit het hart.
Voor de liefde bestaat er geen bezoedeling, geen vernedering en geen
schande. Zij is een zoo machtig licht, dat zij alles in hemelschen
luister doet stralen, zulk een warmtebron, dat zij alle ijs doet
smelten, en zulk een zoetheid, dat zij alle bitterheid wegneemt.
Tenslotte bepalen noch de kuischheid, noch de deugd, noch de
fatsoensbegrippen, noch de eischen der moraal de grenzen van het
betamelijke en gepaste tusschen man en vrouw, maar die grenzen worden
met vaste en zekere hand gesteld door de liefde.
Liefde is met geld niet te koopen. Liefde geeft zich om niet, kan
niet gekocht worden. Wat men voor geld krijgt als liefde, is niets
dan een nietswaardig, mislukt surrogaat.
Niets verlangen en alles erlangen is het heerlijke geheim der verheven
liefde.
Alles zien met de oogen gesloten, niets zien met de oogen geopend,
dat is een der dagelijksche wonderen der liefde.
Een uur beminnen is gelijk aan de liefde der dieren, een dag liefhebben
is algemeen menschelijk, het gansche leven liefhebben is hemelsch,
het gansche leven een enkel wezen liefhebben is goddelijk.
Liefde zoo opgevat wordt in de nieuwere literaturen veelvuldig
aangeduid als _Platonische liefde_. Inderdaad vindt men in de dialogen
van Plato sporen van een onderscheid, door den grooten philosoof
van het Schoone gemaakt tusschen zinnelijke en onzinnelijke liefde,
speciaal in den dialoog die den titel draagt _Het Gastmaal_. Op een
feestmaal, waarmee de dichter Agathon zijn kort te voren in een
dichterwedstrijd behaalde overwinning viert, besluiten de gasten
om de beurt een lofrede te houden op Eros (= Amor). Phaedrus,
Pausanias, Eryximachus, Aristophanes en Agathon voeren eerst het
woord en beschouwen het onderwerp van verschillende kanten, elk naar
zijn persoonlijke levensbeschouwing. De blijspeldichter Aristophanes
bespot op zijn geniale wijze al deze beschouwingen evenals de gewone
opvatting, als zou de liefde alleen een streven zijn naar zinnelijken
lust. Tenslotte neemt Socrates, Plato's leermeester, het woord; deze
prijst de bovennatuurlijke liefde als de levende en onsterfelijke
wijsbegeerte, wier doel is de heerlijkheid aan te toonen van de deugd,
als de eenige, de ware en onvergankelijke schoonheid. Dit dichterlijk
stuk Platonische wijsbegeerte, van begin tot einde gehouden in den
even krachtigen als dichterlijken stijl, die dezen denker der oudheid
kenmerkt, is een heerlijk hooglied der liefde, waartoe alle Muzen het
hare hebben bijgedragen, en waarin de auteur al de schatten zijner
phantasie, zijner welsprekendheid en zijner stilistische schoonheden,
rijkelijk gekruid met Attisch zout, over zijn lezers uitstort.
De liefde, als dichterlijk motief, is een goudmijn, die nimmer
kan worden uitgeput. Zij is dan ook voor alle groote dichters het
onderwerp, dat hen onweerstaanbaar aantrekt en waar zij de liefde
bezingen, daar viert steeds hun genie de heerlijkste triumfen. Hoe
grooter het dichtergenie, des te verhevener, idealer en romantischer
hun opvatting van de liefde. Hun liefde is een oneindige wereld;
zij is paradijs, hemel en hel tegelijk. En deze liefde ontdekken zij
voornamelijk bij de vrouw.
Geen der groote dichter-denkers der eeuwen heeft het wezen der
liefde zoo doorvorscht als Shakespeare en de resultaten van zijn
ontdekkingstochten in dit geheimnisvolle gebied heeft hij ons
geopenbaard in zijn onsterfelijke werken. En steeds is het de vrouw,
waarbij hij de liefde vindt in haar verhevenste en aangrijpendste
openbaringen,--Miranda, Perdita, Julia, Viola, Beatrice, Rosalinde,
Imogene, Desdemona. En ook de furie-achtige ontaardingen leert hij
ons kennen: Cleopatra, koningin Margaretha, lady Macbeth. Nooit zijn
zijn vrouwen en haar liefde onbeduidend of minderwaardig. "Andere
dramatische dichters, zegt Heine, hebben in den kleingeestigen
nijd en naijver, in de wederkeerige ijverzucht der vrouwen jegens
elkander stof gevonden voor humor en satire. Shakespeare in zijn
machtige grootheid versmaadde zulke minderwaardige motieven, zelfs
in zijn blijspel. De edelste gevoelens inspireert hij zijn vrouwen
en zoo ontstaan de liefelijke en verheven verhoudingen, die wij in
zoovele zijner vrouwenfiguren moeten bewonderen." Shakespeare geeft
in ideale volmaaktheid de drie hoofdlijnen der liefde te aanschouwen:
de ideale liefde in Miranda, de romantiek der liefde in Julia, de
woest-zinnelijke liefde in Cleopatra.
Ook de liefde ontkomt echter niet aan de natuurwet, dat alles van
minstens twee kanten is te beschouwen. Naast lofzangen zijn er ook
vloekzangen op de liefde.
De liefde, zoo definieert ontnuchterend Mantegazza, is de
meest schaamtelooze, de zelfzuchtigste, de onwederstaanbaarste en
ergerlijkste aller menschelijke ongerechtigheden. Tegen alle waarheid,
deugd, dankbaarheid, wetten en zeden in verslingert zij haar gunst
aan den eerste den beste, aan het hoogste of het gemeenste, al naar
het toeval dat wil.
Romantisch verheven liefde heeft haar eigenaardige gevaren. Als een
der partijen met deze liefde een gewetenloos of lichtzinnig persoon
bemint, is hij of zij verloren. Het behoort tot de grootmoedigheid
der liefde, dat zij blind maakt. Het behoort, zegt Victor Hugo,
in het bijzonder tot liefde der vrouw, dat zij grootmoedig is en
edelmoedig, zoo, dat zij zich geheel overgeeft. Zoodra hare liefde
den hoogsten graad heeft bereikt, wordt het maagdelijk gevoel der
vrouw op zonderlinge wijze als bedwelmd. En aan welke gevaren stelt
ge u dan bloot, o edele zielen! Gij geeft het hart, wij nemen vaak
slechts het lichaam. Uw hart blijft u over en bevend beschouwt ge
het in het donker dat volgt op het licht dat bedriegelijk bleek. De
liefde kent geen middenweg--zij verderft of zij redt. In dit dilemma
ligt het geheele menschelijke lot. Als de liefde niet het leven is,
dan is zij de dood. Van alle dingen die bestaan ontwikkelt de liefde
het meeste licht, maar ook de meeste duisternis.
In de liefde is alles onwaar en alles onecht, oordeelt Chamfort. Een
verliefde is een mensch, die beminnelijker wil zijn dan hij wezen kan;
vandaar komt het, dat haast alle verliefden belachelijk zijn. Trek
van de liefde de eigenliefde af, en de rest is weinig meer dan niets.
Liefde, zoo de dichtkunst en de romantiek ons die doen kennen,
is, hoe beiden haar ook verheerlijken, zelden een bron van geluk,
gewoonlijk een bron van romantisch ongeluk. Of zij bestaat, men mag
het bij zoo stellige verzekeringen niet betwijfelen, maar vast staat
in elk geval wel, dat deze liefde zeldzaam is, en dat zij doelloos is.
De reine of platonische liefde is een integreerend deel van de liefde,
en de wellustige zinnelijkheid is evenzeer een integreerend deel
van de liefde; en als men deze beide deelen tezamen brengt, is het
product de door de natuur gewilde liefde.
II.
ZINNELIJKHEID.
Tegenover de liefde als het heilige vuur, dat de sexen in reinheid tot
elkander drijft, pleegt men als het onheilige vuur de zinnelijkheid te
stellen, die men daarbij voorstelt als te bestaan in louter onrein,
dierlijk lijfsbegeeren. In deze dualistische opvatting is de liefde
het sexueele goed en de zinnelijkheid het sexueele kwaad, de eerste
het hoogere geestelijke, de laatste het lagere materieele. Naast
deze opvatting van de zinnelijkheid zijn er nog tal van andere, die
hierin overeenstemmen, dat zij liefde en zinnelijkheid aanmerken als
twee tegen elkander indruischende of aan elkander ondergeschikte,
in elk geval geheel verschillende grootheden.
Bij de dichters en romantici der oude sentimenteele school vinden
wij de zinnelijkheid even diep verafschuwd als de liefde door hen
wordt verheerlijkt. Het zijn in hunne voorstellingen zooveel als de
twee polen van het liefdeleven, de twee verst van elkander gelegen
mogelijkheden in het verkeer der sexen. Van de liefde vernemen wij
niets dan schoons, heerlijks en edels, van de zinnelijkheid niets
dan leelijks, inferieurs en schandelijks.
Zulke meeningen zijn niet louter dichterlijke en literaire
overdrijvingen. Zij weerspiegelen opvattingen die werkelijk in de
voorstelling veler menschen leven. De vraag, wat liefde is en wat
zinnelijkheid, beantwoordt men zich algemeen in dezen zin, dat de
liefde louter een reine gemeenschap der zielen schept, en dat de
zinnelijkheid alleen vleeschelijk genot, lichamelijken wellust zoekt
en beoogt. Deze opvattingen beheerschen vrij algemeen de denkbeelden
omtrent het leven der sexen en zij hebben op de sexueele zeden een
zeer ingrijpenden invloed.
In werkelijkheid vloeien beide factoren--indien men aan het denkbeeld
van twee factoren in het liefdeleven wil vasthouden--zoo onontwarbaar
ineen, dat het onmogelijk is de juiste verhouding, waarin beide in een
bepaald geval aanwezig zijn, aan te geven. Dit staat echter wel vast,
dat rekenkundig uitgedrukt elke liefde _altijd_ een zeker percentage
bewuste of onbewuste zinnelijkheid bevat, en dat in zinnelijkheid
_veelal_ een grooter of kleiner gehalte aan liefde verborgen is. En
vaster nog staat dit, dat louter liefde, zonder zinnelijk begeeren,
dus zonder lichamelijk verkeer, nutteloos en doelloos zou zijn en in
laatste instantie onvermijdelijk zou moeten voeren tot uitsterving van
het menschdom. Zinnelijkheid zonder liefde kan schijnbaar wel tot het
door de natuur beoogde doel leiden, maar in werkelijkheid wordt ook in
dit geval dat doel in den regel niet bereikt. Want door zinnelijkheid
die niets zoekt dan lichamelijk verkeer is de prostitutie ontstaan.
De door de natuur gewilde toestand schijnt dus wel deze te zijn,
dat liefde steeds vermengd zij met een zekere dosis zinnelijkheid,
en dat zinnelijkheid steeds haar oorsprong neme uit liefde. De mate
waarin beide factoren meewerken aan de door de natuur verlangde
uitkomst hangt dan waarschijnlijk geheel af van individueele
eigenschappen en eigenaardigheden. En waar beide factoren even
onmisbaar mogen worden geacht, mogen beide ook in gelijke mate
aanspraak maken op erkenning van te zijn even superieure, niet minder-
en meerderwaardige, maar gelijkwaardige krachten. Achter het gansche
spel toch van liefde en zinnelijkheid schijnt zich weer een wondervol
doelmatige arbeidsverdeeling te verbergen, waarbij een deel van den
noodzakelijken arbeid is opgedragen aan wat men noemt geestelijke
krachten, en het andere deel aan stoffelijke krachten, zoo, dat alleen
harmonische samenwerking van deze beide bereiking van het gestelde
doel garandeert, terwijl eenigerlei abnormaal overwicht van een van
beide factoren onmiddellijk dat doel bedreigt en in gevaar brengt.
Evenals ieder levend wezen is ook de mensch onderworpen aan de
natuurwet, die aan al wat leeft slechts een tijdelijk bestaan
toestaat. Maar gedurende dat tijdelijk bestaan heeft ook de mensch
het vermogen zich in een gelijkvormig wezen te reproduceeren. Deze
reproductie, waarvan het voortbestaan van het menschdom afhangt,
vereischt de samenwerking van twee individuen van verschillende
sexe. Deze samenwerking wordt door de liefde voorbereid en veredeld,
maar zij wordt in en door de zinnelijkheid voltrokken.
En hoe etherisch de liefde van twee romantisch minnenden ook moge zijn,
ten slotte zal er een oogenblik komen, dat twee blijven niet langer
kan en het vuur der zinnelijkheid hen in elkanders armen drijft en
hen vereenigt tot een twee-eenheid, waarboven Amor zegevierend zijn
pijlbundel zwaait.
Zoo zijn liefde en zinnelijkheid twee factoren in het geslachtsleven,
waarvan elk zijn zeer bepaalde functie heeft te vervullen en die beide
onmisbaar zijn te achten voor het normaal, dat is het door de natuur
gewilde verloop van de geslachtelijke verhouding tusschen man en vrouw.
"Om de betrekkingen tusschen man en vrouw te kunnen begrijpen,
zegt Dr. Julius Weiss (vertaling van Dr. B. C. Goudsmid in _Man
en Vrouw_), moet men teruggaan tot de alleroudste geschiedenis der
menschheid, tot den oorsprong van alle leven, tot de dierenwereld, tot
aan de laagste vormen, en zelfs tot het plantenrijk en de eencellige
organismen. Paring, voortplanting en vermenigvuldiging is verbonden aan
al wat leeft. Samensmelting en deeling bestaat tot bij de eencellige
wezens toe. Reeds bij de klokdiertjes vindt men twee verschillende
soorten van individuen, die als mannelijke en vrouwelijke kunnen
worden beschouwd. Hoe hooger we stijgen in de reeks der dieren, des
te duidelijker wordt het verschil en des te scherper treedt de wet
op den voorgrond, dat die twee individuen die in vorm verschillen,
met elkander in betrekking trachten te komen. Duizendvoudig zijn de
bijzondere vormen waarin zich het elkander begeeren en het elkander
vinden afspeelt. Terwijl het echter bij de lagere diersoorten slechts
de instinctmatige aandrift is, die de betrekkingen tot mannelijk en
tot vrouwelijk element doet ontstaan, komt er bij den mensch nog
de werkzaamheid der hersenen bij, welke op die betrekkingen een
belangrijken invloed uitoefent. Geestelijke krachten komen in het
spel, die onzichtbare draden spannen tusschen den man en de vrouw;
deze draden winden zich vast om de beide geslachten en ketenen ze
aan elkander--bij de dierlijke aandrift voegt zich de liefde."--
De zinnelijkheid staat dus niet lager dan de liefde, maar zij is het
doel van de liefde.
Uit heel de levende natuur gaan aanhoudend stemmen op om al wat leeft,
ook den mensch, in de liefde te onderrichten. De natuur wil dat de
mensch beminne, en dat hij beminne in zinnelijkheid. Daarvan spreken
tot hem al de tallooze stemmen waarover de natuur beschikt. Daartoe
dringen hem, evenals Serge en Albine in het Paradou, de bedwelmende
geuren der bloemen, geuren die hem verhalen van den bruiloft der rozen,
van den bruidstijd der viooltjes, van al de weelderige zinnelijkheid
van het vurige leven. Uit de boomgaarden voert de wind den geur aan
van rijpe vruchten, een geur zwaar van vruchtbaarheid en beladen met
prikkelende specerijen, vanille en muscaat. Uit de velden en weilanden
verheft zich het zoete gefluister der millioenen grassen, de gedempte
liefkozingen eener ontelbare paarzieke menigte. Aan de oevers buigen
zich de wilgen in hevig verlangen, zich spiegelend in de naaktheid
der stroomen, wier oppervlakten huiveren onder het liefkozend kussen
der zon. In het bosch suist geheimzinnig de tragische hartstocht der
eiken en van al het hooge geboomte, waar bij het geritsel der takken
in de heiligdommen van het gebladerte duizenden liefdestooneelen
zich afspelen, terwijl de heesters omlaag onder luidruchtig stoeien
zich om elkander strengelen om liefdes-gunstbewijzen te rooven met
de onverzadigbaarheid van uitgelaten gelieven.
Duidelijker nog verkondigen de stemmen uit het dierenrijk, dat de
algemeene levenswet is beminnen. De krekels in het gras sjirpen van
liefde tot stervens toe. Kleurige vlinders wisselen al fladderend
voor onze oogen hun begeerige kussen. In de takken ruischt het
zoete geritsel der nesten, vol trillend leven. In het bosch, op het
veld, overal gloeien vurige oogen, glinsterend van onverzadigbare
paardrift. Waar men den blik wendt ontwaart men naar bevrediging
hunkerend liefdesverlangen. Waar maar een wijfje is, is een mannetje,
huilend van begeerte of hijgend van uitputting. In de wateren zijn
het de dartele visschen, die hun versch-bevrucht kuit toevertrouwen
aan de broedende koestering der zon. In sloot en in plas klinkt het
minziek gekwaak der kikvorschen bij hun dagenlangen wellust. Op donkere
plekken liggen paarsgewijs in elkander gekronkeld sissende slangen,
schier bezwijmend van genot en rillend van verrukking. Onder ieder
blaadje wordt een insect bevrucht, onder elk grasje vermenigvuldigen
zich familiën, alles ademt voortplanting en teeldrang--de gansche
natuur is één algemeene levenverwekking.
De liefde laat den mensch in een mensch van de andere sexe zijn beter
en hooger ik aanschouwen. Zij voert twee wezens met differente krachten
en hoedanigheden tot elkander, om gezamenlijk de taak der bestendiging
van het leven te vervullen. Zij is daarbij de bovennatuurlijke wijding
der door de natuur gewilde ontwijding, de geestelijke voorbereiding tot
de stoffelijke gemeenschap. De liefde is de wolk van poëzie rondom de
verrichtingen der dierlijkheid--zij dekt het laagste met het hoogste.
Zonder liefde leeft de mensch gemakkelijker, maar nutteloozer. Waar
het wonder der liefde tot volle ontplooiing komt, daar is zij de
schitterende kroon des levens. In de liefde worden man en vrouw
elkanders verlosser en heiland, elkanders haven der rust in de stormen
van het woelige leven.
Maar de liefde, om niet in doelloosheid te verzinken, behoeft als
levenwekkende factor het vuur van de zinnelijkheid. In zinnelijkheid,
uit liefde geboren, is niets onreins meer. De in liefde begeerende
mannelijke zinnelijkheid ziet in de vrouw niet meer louter het wijfje,
minder nog enkel een voorwerp van wellust-voldoening, maar zij is
hem opgegaan als een verheven zinnelijke macht, de moeder van komende
geslachten--zij is den zoo begeerende geen erotisch verbruiksartikel,
maar het liefelijkst wonder der schepping. En hierin komt dan bij
het schijnbaar dierlijke de engel weer boven, die volgens Pascal is
in den mensch.
Liefde zonder zinnelijkheid is onbestaanbaar of zoo al bestaanbaar,
doelloos. Zinnelijkheid zonder liefde is een surrogaat of een
karikatuur van de liefde.
Liefde is het middel der natuur om de zinnelijkheid geconcentreerd
te houden op een bepaald individu. De vatbaarheid voor zinnelijke
liefde is, evenals de begeerte naar het zinnelijk genot, bij beide
geslachten verschillend. Voor zinnelijkheid zonder liefde is de
man veelal wel vatbaar. De vrouw zelden. De zinnelijkheid der
vrouw ontvlamt in den regel eerst door liefde, en is daarvan bijna
onafscheidelijk. Hare zinnelijkheid is in hooge mate subjectief, die
van den man daarentegen objectief. De zinnelijkheid der vrouw gaat
als regel uitsluitend uit naar den geliefden man; de zinnelijkheid
van den man richt zich op de vrouw in het algemeen; vandaar dat de
man zich gemakkelijker tevreden stelt met surrogaat, in den vorm
van bordeelbezoek als anderszins. Nog in tal van andere opzichten
verschilt de zinnelijkheid van beide geslachten in zeer sterke mate,
gelijk wij in het volgend hoofdstuk nader in het licht stellen.
Het bovenbedoelde verschil in de zinnelijkheid van man en vrouw schijnt
mede een der redenen, waarom de vrouw, in de jeugd tenminste, meer
neiging bezit tot dwepende, reine, onzinnelijke liefde, dan de man. "In
tegenstelling met de mannen, zegt Stendhal, zijn nagenoeg alle vrouwen
vatbaar voor dwepende liefde. Van den eersten roman af, dien het jonge
meisje van vijftien jaar in het geheim leest, wacht zij in stilte op
de komst van den liefdes-hartstocht, zonder zich in het minst bewust
te zijn van het zinnelijk element harer verwachting. Alleen een groote
hartstocht heeft waarde voor haar. Dit dwepend verlangen wordt nog
sterker tegen het twintigste jaar, als zij de eerste teleurstellingen
des levens heeft ondervonden, en nooit sterft dat liefdes-verlangen
geheel weg uit haar ziel, terwijl de man op zijn dertigste jaar de
liefde voor iets kinderachtigs, onmogelijks of belachelijks houdt."
Wat ten slotte de zinnelijkheid van den man zich doet richten
op een bepaald individu der andere sexe, dat zijn de uiterlijke
bekoorlijkheden, die dat individu bezit, en die zich aan zijn
zinnelijkheid voordoen als schoon en begeerlijk. In alle belangstelling
van den man jegens een vrouw is als regel van het eerste oogenblik af
een hoog percentage bewuste zinnelijkheid. De ontroering, welke den man
overvalt bij den aanblik eener vrouw wier uiterlijke persoonlijkheid
hem aantrekt, en hem gemeenschap met haar voorspiegelt als het
hoogste geluk, is niets dan ontvlammende geslachtslust, "niets dan
een wellustige waan, zegt Schopenhauer, die den man doet gelooven,
dat hij in de armen van juist die vrouw, op wier uiterlijk schoon
zijn zinnelijkheid reageert, intenser genot zal vinden dan in die van
welke andere ook, of dat het bezit van juist dat vrouwelijk individu
hem een bijzonder geluk zal verschaffen. Het is alleen het instinct
dat hier werkt."
De gansche levende natuur is naar wij boven reeds hebben geschetst
doortrokken van zinnelijkheid. Ook de menschenwereld, neen, vooral de
menschenwereld. Elke verhouding tusschen een man en een vrouw bevat
eenige procenten zinnelijkheid. Er is geen enkele intieme betrekking
tusschen twee normale personen van verschillende sexe, die geen
erotischen ondergrond heeft, of waarbij zich niet vroeg of laat de
geslachtelijke aantrekking doet gelden--afgezien dan van betrekkingen
tusschen bloedverwanten en tusschen personen die in leeftijd zeer
ver van elkander staan. De Platonische, reine, onzinnelijke liefde,
waarmee romantische zielen zoo gaarne dwepen, is geïdealiseerde
zinnelijkheid, die de natuur aan enkele bevoorrechte wezens voor
korten tijd vergunt, maar zij wil niet en duldt niet, dat die liefde
van blijvenden aard zij. Voor het natuurlijk doel der liefde is die
phase eigenlijk tijdverlies. De zinnelijkheid is als onweerstaanbare
neiging gelegd in alles wat leeft, teneinde de eeuwigheid van het
leven te verzekeren. Zinnelijkheid is toekomstig leven. Onzinnelijke
liefde, consequent volgehouden, beteekent uitsterving. De natuur wil
bestendiging van het leven, zij wil geen uitsterving--zinnelijkheid is
daarom natuurlijkheid en onzinnelijkheid verheven-romantische onnatuur.
In de meeste gevallen duurt in de menschenwereld het romantisch
voorspel der Platonische liefde maar zeer kort; of wel het
blijft geheel achterwege. Niet zelden ook is het dwepend minnen
zonder zinnelijkheid zelfbedrog of humbug, waarbij de sexueele
terughoudendheid, velen van nature eigen, voor sexueele reinheid
doorgaat.
In het leven der sexen is liefde, die volstrekt ontoegankelijk blijft
voor zinnelijk begeeren, uitzondering; en liefde, die bewust wordt
gedragen door verlangen naar lichamelijke gemeenschap, regel.
Het overgroote meerendeel der menschen beschouwt het andere geslacht
niet met den dweepzieken blik der Platonische liefde, maar met het
vurig oog der dadelijk-begeerende zinnelijkheid. Alle zinnelijkheid
met voorkeur voor een bepaald individu is reeds liefde in natuurlijken
zin en voor het doel der natuur volkomen voldoende. Deze liefde komt
dan ook het meeste voor. Vooral is dit het geval in die kringen,
die vrij zijn gebleven of zich vrij hebben gemaakt van de conventies
der beschaving en in het vrijelijk zich uitleven niet door den schijn
dier beschaving worden gehinderd. Bij dezulken pleegt de geprikkelde
zinnelijkheid zich te uiten in de duidelijkste woorden en daden en men
geeft vrijwel onmiddellijk op de ondubbelzinnigste wijze te kennen
waarnaar de begeerte uitgaat. Hier zoekt men niet te verbergen, dat
de lichamelijke heerlijkheden van het andere geslacht het middelpunt
zijn van alle denken en voelen, en dat het ideaal, dat men zoekt
in de liefde, is het zinnelijk genieten. En dit geldt niet alleen
van den man, maar, zij het in anderen, in verzachten vorm, ook van
de vrouw, wier natuurlijke rol in het liefdeleven, waarover later,
haar als van zelf tot meer vertoon van ingetogenheid dwingt--zelfs
de schijnbare tegenstand van de vrouw is als regel een natuurlijk
lokmiddel harer zinnelijkheid.
Dat trouwens ook de vrouw ten deze openhartig kan zijn, indien er
geen reden aanwezig is die het tegenovergestelde verkieselijker maakt,
daarvoor zijn de bewijzen maar voor het grijpen. Een treffend en min
of meer officieel voorbeeld hiervan willen wij hier aanhalen uit het
in 1785 verschenen, thans zeer zeldzame werkje van den Engelschman
R.P. Knight over den Priapusdienst. Daarin tracht de schrijver aan
te toonen, dat de heidensche eeredienst van Priapus, den griekschen
god der vruchtbaarheid, voor wien men in wijnbergen, tuinen enz.,
beelden placht te plaatsen, in het Christendom onder andere vormen
is herleefd. En hij beschrijft ten bewijze daarvan een processie,
die hij in 1780 te Isernia bij Napels heeft bijgewoond. Hij voegt er
aan toe, dat de burgemeester van het plaatsje voor de waarheid van het
verhaal instaat. Bij die processie dan, die den heiligen Cosimo gold,
aan wien de kerk daar ter plaatse was gewijd, verkochten kooplui langs
den weg aan de deelnemende vrouwen en meisjes phallusfiguren in was,
om deze aan den heilige te wijden. Evenals men anders wasfiguren
van handen, voeten en verdere lichaamsdeelen, waarvoor men genezing
komt afsmeeken, aan den beschermheilige opdraagt, offerden de vrouwen
en meisjes hier phallusfiguren, om verlossing van onvruchtbaarheid,
herstel van potentie of krachtiger potentie voor hare mannen af te
smeeken. Een jonge vrouw offerde den heilige een bijzonder grooten
phallus. Blijkbaar bestond voor deze jonge vrouw het eenige ideaal,
dat zij in de liefde zocht, in den wensch den geliefde in staat te
vinden hare zinnelijkheid op de krachtigste wijze te bevredigen.