men hier veel ziet, het vaakst op de borst of op de schouderbladen. Men
maakt namelijk, als geneesmiddel voor inwendige pijnen, groote sneden
in het lichaam. Dat gebeurt door zich bij voorbeeld stijf een touw om
de borst te binden, zoodat de huid tusschen de windingen omhoog wordt
gewerkt. Dan kan men, zonder veel pijn te voelen, er in snijden. De
korsten na de genezing worden steeds weer weggekrabd, totdat een dik
litteeken is verkregen, dat als een sieraad wordt beschouwd.
Bij rheumatiek neemt men een ongeveer twintig centimeter langen boog
en bindt aan het spankoord een klein pijltje met een haarscherpe punt,
tegenwoordig meestal een glassplinter; met dat pijltje worden fijne
sneden in de huid geschoten, waarvan de litteekens haast niet zichtbaar
zijn en toch fijne, dikwijls mooie patronen op de huid achterlaten.
Eenvoudig als de kleeding, zijn de vormen van den eeredienst en het
leven over het geheel. Men vindt hier niet, als op Vao, zorgvuldig
omheinde tuinen of stemmige dansplaatsen. De huizen staan in het
bosch verscholen, onregelmatig geplaatst om een gamal, die eenzaam
midden op een leêge plek staat. Beelden of staande trommels ontbreken;
eenige niet groote liggende trommels zag ik vóór een gamal.
De woonhuizen zijn eenvoudig daken, zoo goed als zonder zijwanden,
maar meestal met een voor- en achterwand van bamboe. Vaak waren ze
in tweeën verdeeld, om een stal voor de zwijnen te hebben, als men
er niet de voorkeur aan geeft, met de varkens samen te wonen. Eenige
vlakke houten schotels zijn bijna het eenige huisraad, dat de natuur
den inboorlingen niet zoo goed als klaar in de hand heeft gedrukt. Voor
het koken heeft men verder niets noodig dan steenen, die, in het vuur
verhit, om het in bladeren gewikkelde voedsel worden opgestapeld. Die
steenen moeten natuurlijk vuurvast wezen; kalk kan men niet gebruiken
en daar zulke kooksteenen in de kalkformaties volkomen ontbreken,
moeten ze vaak van ver, van het zeestrand, worden gehaald, zoodat men
ze zeer trouw bewaart. Vork en lepel heeft men niet noodig, en als
mes voor het schillen van vruchten dienen schelpen of splinters van
bamboe. Daarmee kan men niet goed naar zich toe snijden, zoodat de
inboorlingen de gewoonte hebben behouden, alle vruchten van zich af
te schillen, ook als ze een mes gebruiken van staal. Bedden worden
versmaad, en men voelt zich hoogst behagelijk op eenige evenwijdig
gelegde bamboestaven.
Tegen den middag ziet men de mannen meestal bijeen in de gamal bij
de gewichtige laplapbereiding. Laplap is het nationale gerecht van
de bewoners der Nieuwe Hebriden, en ze brengen zeker een vijfde deel
van hun leven door met het koken van laplap. Het werk is eenvoudig
en gemakkelijk; men kan er net zoo heerlijk bij droomen als bij
het naaien en breien. Vóór zich heeft men een rij bananenbladeren,
kruiselings over elkander gelegd; naast zich eenige yamsknollen,
die men schilt en dan op een rasp, dat is een stuk koraalkalk of een
ruwe bladnerf, fijn wrijft. Men krijgt dan een taaie, witte brij,
die men zorgvuldig in de bladeren inpakt. Intusschen is in een kuil
een vuur uitgebrand en heeft de steenen tot gloeihitte gebracht. Die
neemt men met een tang, dat is een gespleten bamboe, uit den kuil en
legt de brij in de bananenbladeren op hun plaats, bedekt alles met de
heete steenen, legt daarop weer een bundeltje droge bladeren en wacht
slapend, pratend of rookend, tot het gerecht klaar is. Het is dan een
massa geworden, die op brooddeeg lijkt en waaraan men met allerlei
kruiderij wat meer smaak kan geven. Men giet er ook wel kokosmelk van
geraspte kokosnoten over of mengt er kool door of vet of geroosterde
noten, terwijl het ook heel lekker moet wezen, ze met vleeschmaden
te vermengen. Behalve van yams kan laplap ook worden bereid van taro,
maniok of halfrijpe bananen.
Men eet hier ook veel bataten en als het seizoen daar is, de heerlijke
broodvrucht, boven het vuur geroosterd; ook noten, bananen, ananas en
mandarijnen. Er is haast altijd wat te snoepen, en als de inboorling
maar wat wilde vooruit zorgen, dan behoefde hij nooit gebrek te lijden.
De mannen lieten zich door onze komst weinig storen in hun werk; ze
schoven wat ter zijde en gaven ons een blok, om op te zitten; er volgde
een poosje zwijgen, en toen begonnen ze over ons te praten. Er was in
de gamal al evenmin veel te zien als in de woonhuizen. Overal waren in
het dakstroo wapens verborgen, tot dadelijk gebruik gereed, pijlen,
bogen en geweren. De knodsen schijnen meer tot het uitgaanstenue te
behooren en worden steeds meegedragen. Het zijn rechte stokken of ze
zijn kromgebogen als sabels. Ze worden, anders dan de sabels, gebruikt
met de concave zijde naar voren. Die knodsen worden op hoogen prijs
gesteld en zijn vaak oude erfstukken. Ze worden bij elke zegepraal
van een inkerving voorzien en die zegepralen worden bevochten door
een vergelijking in sterkte met de knodsen van anderen. Ik heb een
oud stuk gezien, dat zeven-en-zestig inkervingen droeg. Vroeger was
de werpspeer in gebruik met tweehonderd-vijftig beenpunten; maar die
is door het geweer verdrongen.
De beenpunten voor speren en pijlen verkrijgt men van de beenderen van
verwanten. Men begraaft het lijk in het woonhuis zeer oppervlakkig. Als
het lijk vergaan is, wat in ongeveer een half jaar is gebeurd,
graaft men het geraamte op. Den schedel laat men liggen, maar de
beenderen worden verwerkt. Men neemt aan, dat met de beenderen ook
de geestelijke en lichamelijke kracht op den bezitter overgaat, en
dus zijn de beenderen van leden der hooge kasten zeer gezocht. De
beenpunten zijn natuurlijk vol van lijkengif en veroorzaken, ook bij
lichte verwondingen, den dood. Ook de pijlpunten bestaan uit been
van menschen; ze worden naaldscherp geslepen, zitten maar heel los
in de schacht en blijven bij het uittrekken van de pijl in de wond
zitten. Die is dan vergiftigd met een harsachtige massa, waarvan de
bereiding slechts aan weinigen bekend is.
Toen wij eenigen tijd in de gamal hadden gezeten, kwam de hoogste
van de leden der aanwezige kasten en legde ons eenige yamsknollen
voor de voeten. Het was een gastgeschenk, waarvoor we met wat tabak
onze dankbaarheid betuigden. De lengte van de gamal richt zich
naar de kaste van den hoogste, die de gamal ook laat bouwen, voor
welken arbeid hij de mannen moet beloonen met een gastmaal en kleine
geschenken. Voor zeer hooge kasten kan de gamal de aanzienlijke lengte
van zestig meter bereiken, en als thans die huizen ten gevolge van het
uitsterven van de inboorlingen ook onzinnig groot lijken en meestal
leeg staan, ze herinneren aan vroegere tijden, toen met de kaste ook
het gevolg van iemand aangroeide. Daar hier alle mannen in de gamal
slapen, waren ook die reuzenhuizen eens vol slapende krijgers, die er
met hun wapens boven zich in lange rijen rustten en bij een aanval
dadelijk voor den strijd gereed waren. Tegenwoordig zijn de lange,
ledige, pijpenla-achtige ruimten zoo ongezellig, dat ze veelal in
het gebruik vervangen zijn door een nieuw gebouwde, kleinere gamal,
waar de mannen zich gemoedelijker voelen.
Een man te hebben gedood, is nog altijd een eer, en met trots draagt
zulk een held een bos van zwart en witte veêren op het hoofd, waaraan
ieder kan zien, welk een dapper persoon vóór hem staat. In Port Olry
waren zulke bepluimde hoofden niet zeldzaam.
De vrouwen worden niet hoog gesteld, mogen niet eens in of bij
de gamal verschijnen en moeten de velden bewerken, maar dat is
geen zwaar werk, zooals men wel kon denken, als men ze des middags
onder een grooten last van de velden ziet terugkomen. Ze dragen de
veldvruchten en het brandhout op het hoofd, hebben soms een zuigeling
op den rug en een grooter kind aan de hand. Maar tegenwoordig is zulk
een aanblik zeldzaam, nu er zoo weinig geboorten plaats hebben. Op
den akker bestaat het werk enkel in het verzamelen der vruchten,
het uitgraven van de yams, en wordt opgevroolijkt door gebabbel en
door wat te snoepen, terwijl men vaak zit uit te rusten onder een
opgeslagen afdak, waar gepraat en gerookt wordt.
Ernstig is het werk alleen in den planttijd, als het bosch gerooid
wordt en de omheiningen om de nieuwe velden worden gemaakt. Maar dan
helpen de mannen mee; de geslachten sluiten zich aaneen, en gezellig
gaat de arbeid als spelend van de hand. Men beloont elkander aan het
eind wederkeerig met maaltijden en geschenken. Het aantal vrouwen
bedraagt in Port Olry hoogstens een vierde van dat der mannen. Daaraan
heeft mee schuld het gebruik, om bij den dood van een hoofd al zijn
vrouwen op te hangen, een zede, die te verderfelijker werkt, daar
de hoofden altijd veel jonge vrouwen hebben, terwijl de jonge mannen
zich op zijn best een oude vrouw kunnen koopen. Gelukkig heeft men die
gewoonte daar, waar de zendelingen en de planters hun invloed kunnen
doen gelden, afgeschaft, vooral door het beroep op de jonge mannen,
dat ze zich zelven daarmee het meest schaden. De vrouwen waren er
echter niet mee ingenomen; velen wenschten den dood, daar ze anders
door de ziel van den ontslapen echtgenoot zouden worden verontrust.
Daar ik nog geen bedienden had, kon ik niet veel ondernemen in de
dorpen van het binnenland. Ik hield mij meest op het zendingsstation
op, waar de inboorlingen zich veel vertoonden, zoodat ik altijd
menschen om mij heen had, op wie ik mijn studiën kon voortzetten. Ik
gebruikte bij voorbeeld de gelegenheid, om metingen te doen en moest
dan van de goede stemming gauw profiteeren. Als de toeschouwers de zaak
belachelijk vinden, is ze verloren, want dan wil niemand er zich voor
leenen. Het staat er al beter voor, als er vrees voor geheime tooverij
in het spel is, want dan kan men met een geschenk en overreding nog
wel eens moed en vertrouwen doen ontstaan. Maar het allerbest is bij de
objecten het gehuichelde begrip van wat er gebeurt voor de wetenschap,
of wel algeheele onverschilligheid, die zich zonder verder nadenken
als object presenteert en dan met een munt of tabak getroost naar
huis gaat, hoofdschuddend over de vele dwaasheden van de blanken.
Eens had ik bij mijn veranda een flink aantal jonge mannen bijeen
en begon met het werk. Daar verscheen plotseling een heer Fusil,
een spraakzaam Franschman, die zich sedert eenige dagen in de buurt
met den varkenshandel bezig hield. Ik was juist bezig met Paul, een
vroegeren leerling van de zending, die mij al vaak was opgevallen om
zijn onberispelijken bouw en zijn fluweelzachte huid. De heer Fusil
trad op hem toe en gaf hem een hevigen slag op de borst met de woorden:
"Jij hebt mij mijn varken ontstolen!"
Negen van de tien inboorlingen zouden zich dat waarschijnlijk hebben
laten welgevallen; maar Paul, die heel sterk was, zooals hij pas
aan den dynamometer had bewezen, draaide zich om en maakte zich
klaar, om te vechten. Dat had de heer Fusil blijkbaar niet verwacht;
hij trok een mes uit zijn mouw en redde zich met een paar sprongen
op de veranda van het huis, die voor de inboorlingen taboe was. Er
ontstond een algemeen oproer. Beneden woedde de opgewonden menigte,
Paul aan het hoofd, en wou de veranda bestormen. Ik kon Paul slechts
met moeite ervan af stooten, en boven balde de heer Fusil zijn vuisten
en uitte zijn woede in veel krachtige woorden.
Op het rumoer kwam de pater uit het huis en kon de gemoederen
eenigermate tot rust brengen, behalve Paul, die van woede schreide
en aanhoudend er bij den heer Fusil op aandrong, van de veranda af
te komen. Eindelijk gelukte het, gewaar te worden, waarover de twist
liep. Fusil beschuldigde Paul, die hem een varken had verkocht, en
misschien terecht, dat deze de touwen na de betaling had doorgesneden,
zoodat het zwijn weer naar huis was geloopen. In plaats van het dier
had de heer Fusil toen een inboorling aan boord gelokt en dreigde,
dien op een plantage te verkoopen, als hem het varken of de koopsom
niet weer werd teruggegeven.
De pater verklaarde, dat hij in dezen niet veel kon doen en vermaande
de partijen tot vrede, natuurlijk te vergeefs. De heer Fusil rende op
de veranda op en neer als een roofdier in een kooi en spuwde venijn,
en Paul volgde hem beneden en daagde hem uit, den twist met hem aan
het strand uit te vechten. De Franschman schimpte, dat hij dat om
zijn eer niet kon doen, en hij had gelijk, want hij zou stellig
duchtig geranseld zijn. Dat tooneel duurde zoowat een half uur,
waarin de heer Fusil door alle zwarten werd bespot. Om dien voor het
prestige van de blanken zoo verderfelijken toestand te doen eindigen,
liet de pater, daar de inboorlingen toegaven, dat de heer Fusil een
varken was ontstolen, het dier vervangen, waarna ook de onschuldige
gevangene uit de boot aan land werd gezet. Toen verwijderde de pater
Paul van het tooneel, en de heer Fusil werd veilig naar het strand
begeleid, van waar hij spoedig al schimpend het ruime sop koos.
De inboorlingen trokken zich tegen de schemering terug, beladen met
een vracht vermaningen van den pater, maar innig pret hebbend in den
streek. Mijn meten was leelijk in de war geraakt, wat de schuld was
van den heer Fusil, maar die zal wel niet gauw weer zwijnen koopen
in Port Olry.
Hoe nietig deze quaestie ook was, ze is een voorbeeld van de manier,
waarop conflicten ontstaan. Zakelijk en kalm had de twist kunnen worden
beslist, als de heer Fusil niet zoo tactloos was opgetreden. Het zou
bij een anderen blanke zeker niet zijn gebeurd, want de inboorlingen
weten precies, wien ze voor hebben. Gelukkig had ik de volgende dagen
ruim gelegenheid, mijn metingen en het photografeeren in te halen.
Ik was al ongeveer drie weken in Port Olry en keek iederen dag
met zielsverlangen uit naar de "Mary-Henry", die mijn bagage
zou brengen. Ik had alleen het volstrekt noodige bij mij; mijn
wetenschappelijke uitrusting had dringend behoefte aan aanvulling,
en mij ontbraken de dingen, die mij moesten helpen bij het prepareeren
en conserveeren van zoölogische voorwerpen. Ik had hier een rijk veld
voor verzamelen, vooral vogels waren in veel soorten aanwezig. Het
schip kwam eindelijk; maar mijn bagage bracht het niet mee. Die
was vergeten. Mijn teleurstelling was groot, en ik zag geen kans,
de zaak vlug te verhelpen.
De Mary-Henry voer naar Talamacco, en de pater en ik maakten van de
gelegenheid gebruik, om mee te gaan, hij, om zijn collega te bezoeken;
ik in de hoop, daar bedienden te vinden. Aan boord was ook de heer
F., een engelsche planter uit Big Bay. Hij was een vriendelijke,
altruïstische heer en beloofde mij, al zijn invloed aan te wenden
bij de inboorlingen, om mij helpers te verschaffen voor mijn tochten.
Bij dof regenweêr gingen we met het groote zeilschip zuidwaarts,
en, bij het reizen met de kleine kotter vergeleken, was dit een
verbetering, nu er een flinke hut aanwezig was, en men behalve
stoelen ook een tafel, in plaats van kisten als plaats voor den
maaltijd, ter beschikking had. De vierde passagier was een officier
van de opmetingsexpeditie, een interessant mensch van weldoende
natuurlijkheid. De kapitein was een echte zeerob, blijmoedig en
ruw. Hij zorgde ervoor, dat de flesschen op tijd werden geleêgd en
dat de conversatie niet in al te hooge sferen belandde.
Den volgenden morgen landden we bij Talamacco in Big Bay. De pater
ging naar zijn collega, en de officier en ik wierpen ons anker uit
in het huisje van den heer F. Het regende in stroomen. Den volgenden
dag werd een opzichter of moli van mijn gastheer erop uitgezonden,
om arbeiders voor mij te zoeken, en gelukkig kwam hij met eenigen
terug, van wie vier bereid waren, zich voor twee maanden bij mij te
verhuren. Ik was overgelukkig en bracht den kostbaren buit dadelijk
op het schip, opdat ze zich niet zouden bedenken en wegloopen.
Bij de heeren Th., jonge mannen van goede australische afkomst, die een
kokosplantage op Talamacco hadden, woonden we een offerfeest bij van
de inboorlingen. We moesten toen verscheiden uren door het oerwoud
marcheeren. Mijn mannen hadden zich allen in Zondagsdos gestoken
en hadden broeken en hemden aan van kleurig katoen. Het haar boven
het voorhoofd was met houtasch bestreken, en een paar hadden zich
zelfs geschoren.
"Well, boys, are you ready?"--"Yes, Master!" klonk het overtuigd;
maar daarbij werden de lasten nog samengebonden. Er werd een poosje
gewacht, en toen klonk het: "Well, me me go."--"All right, you go",
is het antwoord. Ze leggen een paar schreden af en wachten dan
weer. Eén komt aan de hut en zoekt een stok, om zijn pak te dragen,
de andere zoekt een deken. Maar ten laatste gelukte het, met een
kwartier verlating af te marcheeren, wat ook niet zoo erg is, daar
geen spoortrein op ons wacht.
De inboorlingen juichten en lachten, maar spoedig waren we in het woud,
waar het donker was en stil, en waar allen zwegen. Op een nauwelijks
zichtbaar pad ging het uren lang verder door de overal gelijke dichte
woudzee, waar we ons door de golven van plantengroei met het mes een
weg moesten banen. Eerst tegen den avond bereikten we de plantage
van de heeren Th., waar rust en een maal ons wachtten. Maar verder
moesten we nog door den nacht, die donker was zonder maneschijn. De
bedienden hadden fakkels gemaakt van palmbladeren, die ze door zwaaien
in gloed hielden.
Na korten tijd hoorden we geluid in de verte, de trommels van de
feestplaats, die we al spoedig door den glans van de vuren konden
vinden. Een groep van mannen viel ons het eerst op. Ze stonden in
een kring om een groot vuur, en wij aanschouwden een warreling van
knodsen, geweren, vederbossen, zware haarpruiken, ronde hoofden en
heftig bewegende armen. Een onregelmatig jodeln en gillen en fluiten
klonk uit de menigte; dan liet zich een eentonig gezang hooren,
waarbij de maat met den voet werd gestampt. Allen deden geestdriftig
mee, en het zweet gudste hun langs de borst neer.
Dit waren de gasten; zij, die het feest gaven, stonden op zij bij
een stellage, waarop yamsknollen lagen. De mannen liepen langzaam
om dat altaar heen. In hun handen droegen ze zware bamboekokers,
waarmee ze in de maat op den grond stampten, zoodat een dof, dreunend
geluid ontstond. Ze zongen een eentonige melodie, door een voorzanger
ingezet. Daarbij sprongen ze in de maat van den eenen voet op den
anderen, langzaam en veêrend. Aan de beide kanten van dien kring
van dansenden stonden de vrouwen in Eva's costuum en over het heele
lichaam ingesmeerd met roet. Aan het slot van de mannengezangen zongen
ze het refrein mee, en dansten ook. Nu en dan sloot er zich een vrouw
bij de mannen aan en danste met hen.
Het geheel maakte een indruk van vreemde romantiek, van woestheid
en hartstocht; maar het was prachtig door het roode licht, dat op de
naakte, glanzende lichamen viel. Niets was anders zichtbaar tusschen
hemel en aarde in den donkeren nacht, niets dan die rood beschenen
groepen van een tweehonderd menschen, die zich onbezorgd aan hun
vermaak overgaven, zich niet bekommerend om den volgenden dag. Het
feest duurde zonder alcohol den geheelen nacht. De menigte werd
steeds hartstochtelijker, de dans doller, en het gezang luider. We
stonden ter zijde, niet in staat, mee te voelen, wat het vermaak van
die lieden was, wat hen tot zulk een inspanning aanzette, als in een
zonderlinge, voor ons gesloten wereld.
Een dikke, oude man bleef bij ons en nam de honneurs waar. Ik lette
weinig op hem, tot mijn bedienden mij zeiden, dat dit de "big fellow
master" was, het hoofd, die het feest gaf en die morgen door het
offeren van de varkens een zeer hooge kaste zou bereiken. Toen kreeg
hij natuurlijk een handvol tabaksrolletjes, en even natuurlijk vroeg
hij om meer, namelijk om mijn goede, trouwe pijp. Dat verzoek kon ik,
ook weer natuurlijk, niet inwilligen. Om hem niet te beleedigen, zei
ik hem, dat de pijp taboe was, en daar hij als hoofd de heiligheid
van het taboe in de eerste plaats had te eerbiedigen, knikte hij
begrijpend en was tevreden gesteld. Ik beloofde hem dan nog, morgen
op zijn eeredag tegenwoordig te zijn en nam afscheid.
Het was niet te vroeg, want nauwelijks waren we op de plantage
teruggekeerd, of er brak een hevige regen los. Het zal zoowat vier
uur in den morgen zijn geweest.
Den volgenden dag gingen we opnieuw naar de feestplaats. Het regende
nog steeds, en van de struiken veegden we de droppels, zoodat we
in korten tijd doornat waren. Terwijl dat op zichzelf al niet heel
geschikt is, om iemand in feeststemming te brengen, kon wat we
zagen, dat evenmin doen. Om het plein in het natte woud stonden
en hurkten de inboorlingen in groepen, beverig en katterig. Bij
een paar vuren trachtten ze zich te warmen, maar zonder veel
gevolg. In verveling keken ze ons zonder een woord aan en lieten
ons voorbijgaan. Eenige vrouwen hadden zich van groote bladeren
regenschermen gevlochten, vlakke schijven, die ze op de onbehaarde
hoofden lieten balanceeren. Het zwartsel van de feestdracht had de
regen totaal afgewasschen. De feestplaats was verlaten. Een troep
blaffende honden sprong als gewoonlijk op ons toe, eenige kinderen
speelden in het slijk, anders was er niets te zien.
Wat we des avonds niet hadden kunnen zien, was nu zichtbaar, namelijk
de gamal of het mannenhuis, waarvoor als zuilen eenige met wilgenloof
omslingerde palen stonden. Zoowat ieder half uur bracht een man een
varken aan een touw op het plein. Daar sommige van die dieren met de
gewonden tanden heel kwaadaardig zijn, waren er wel eens twee mannen
noodig, om het varken vast te houden. Het hoofd danste herhaaldelijk
om het dier heen en ging dan de gamal binnen.
Het valt niet gemakkelijk, zich telkens het noodige aantal zwijnen te
verschaffen, om in een hoogere kaste te worden opgenomen. Men leent
ze vaak, en nu bestaan er talrijke amuletten, die den zoekende bij
zijn vragen kunnen helpen. Meestal zijn dat vreemd gevormde steenen,
vaak ook kleine varkentjes, uit zachte tufsteen gesneden, die men in de
hand of in den gordel draagt, om de harten milddadig te stemmen. Zulke
amuletten erft men dikwijls, en ze worden voor groote sommen gekocht.
De heele namiddag ging ermee heen, eer alle varkens omdanst waren. Wij
brachten den tijd meestal in de open lucht rillend door, wat we nog
verkozen boven het oponthoud in de hut. Daar toch lagen schots en
scheef over elkander in de ongemakkelijkste houdingen de dansers
van den vorigen avond te snorken. Anderen klappertandden van kou,
en weer anderen keken grimmig in het rond. Er werd ons een eereplaats
aangeboden op een dwarshout, en daar zou het wel goed zijn geweest,
als niet een bevende oude man zich, als om warmte te zoeken, tegen
mij had aangedrukt en in zijn halve sluimering zijn met olie gedrenkt
hoofd op mijn schouder wilde leggen, en het alleronaangenaamst waren
myriaden vlooien, waarvoor ik mij eerst veel te laat door de vlucht
uit de voeten maakte.
In den namiddag waren ongeveer zestig varkens vastgebonden. De hoofdman
nam een ouden geweerloop en sloeg den dieren den schedel in. Honden
en menschen vielen op de stuiptrekkende slachtoffers aan; de honden
likten het bloed op, de menschen droegen brokken mee naar huis, en de
gastheer, de "big fellow master", kon het hoofd eenige duimen hooger
dragen, al was het feest in den echten zin in het water gevallen;
wij gingen druipnat door het druipende woud naar huis en trokken zoo
spoedig mogelijk droge kleeding aan.