om de feestelijkheid te verhoogen. Het laatste kannibalenmaal
was in deze streek in het jaar 1906 gehouden en had de volgende
aanleiding. Verscheiden jonge mannen liepen als altijd met hun
geladen en gespannen geweren door het bosch, de een achter den
ander. Daarbij ging het geweer af van een jongen knaap, die geen
vrienden en verwanten had, en doodde zijn achterman, den zoon van een
invloedrijk inboorling. Allen waren het erover eens, dat er van een
moordplan geen sprake was, maar dat alleen een ongelukkig toeval in
het spel was. Niettegenstaande dat verlangde de bedroefde vader een
aanzienlijke som van den armen jongeling, die ze zelf niet kon betalen
en wien niemand de verlangde zwijnen wilde leenen. Daar de vader
dreigde en aandrong, vluchtte de jongen naar een naburig dorp. Daar
werd hij wel vriendelijk opgenomen, maar in het geheim stuurden de
menschen een boodschap naar den vader en verzochten instructies,
wat ze met den jongen man moesten doen. Het antwoord luidde: "Straf
hem met den dood en eet hem op!" De dorpelingen gaven toen een groot
feest ter eere van hun lieven gast, en sloegen hem daar met een bijl
dood, om hem daarna naar den eisch te braden.
Ik keerde naar Port Olry terug, waar ik den pater niet meer
aantrof. Hij was op een voorbij varend schip weer naar een anderen
collega gereisd, daar zijn beroepsplichten hem veel vrijen tijd
lieten. Hij bezette namelijk in Port Olry op Espiritu Santo een
verloren post, daar de inboorlingen van de zending niets wilden weten,
al stonden ze er niet bepaald vijandig tegenover. Maar een innerlijke
behoefte aan bekeering voelden ze niet, en daar de arme katholieke
zending hun geen groote voordeelen kan aanbieden in tegenstelling tot
de rijkere presbyteriaansche missie, zagen ze geen reden, waarom ze
hun oud geloof zouden opgeven. De goede pater leefde hoogst eenvoudig
in een bouwvallig huis met een oud echtpaar uit Malekula.
Bij de afwezigheid van den pater verliep het leven als gewoonlijk. Ik
bezocht de dorpen, verzamelde schedels of ging op de jacht of
uit visschen. Paul en een vriend verkochten mij een paar aardige
varkentjes, waarvan het eene dadelijk in den kookpot verhuisde. Den
volgenden dag kwam een schuchtere man en beklaagde zich bij mijn
bedienden, dat Paul de zwijntjes van hem had gestolen.
"Natuurlijk weer Paul", dacht ik en ijlde naar het dorp met het
stellig voornemen, hem eens duchtig de waarheid te zeggen. Ik vond
hem in de hut, languit voor het vuur uitgestrekt. Hij bekende in
de grootste openhartigheid, dat hij wel zelf de dieren niet had
gestolen, maar ze voor zijn vriend, die ze had weggenomen en die
de Biche-la-mar of vreemde taal niet kon spreken, had verkocht. Ik
vond zijn kalmte daarbij zoo opmerkelijk, dat het mij bijna speet,
de koopsom, wat tabak, weer terug te vorderen. Hij gaf die gewillig
af, en toen zetten de dief en de bestolene zich samen aan het vuur
en bespraken het geval rustig en zakelijk, alsof ze er niet zelf
bij betrokken waren. Ik keerde toch onbevredigd terug en wist niet,
of Paul zeer naïef of uiterst slim was.
Eenige dagen later klaagde een inboorling, dat zijn broeder ziek was,
en of ik hem medicijn wilde geven. Ik kreeg eindelijk zooveel uit hem,
dat de patiënt een gezwollen lijf had en vernam toen ook de oorzaak,
namelijk dat hij acht dagen geleden op een doodenmaal alleen een heel
vierdepart van een varken had opgegeten. Men wou dat echter niet als
de oorzaak van de ziekte erkennen; maar men hield stijf en sterk vol,
dat hij door den een of anderen vijand was vergiftigd.
Ik gaf den man calomel met de aanwijzing, het den zieke dadelijk te
brengen, want het moest gauw gebeuren. Maar de man verpraatte zijn
tijd; het werd nacht; hij durfde niet alleen door het bosch te gaan
en sliep aan de kust. Den volgenden morgen stierf de zieke. De bode
haalde de schouders op en zei, dat het nu eenmaal zoo was.
De dood maakte natuurlijk de vergiftiging tot zekerheid, en daarom
werd het lijk niet begraven, maar in de hut op een baar gelegd met
al zijn sieraden. Om hem heen zaten de vrouwen.
Een afschuwelijke reuk vervulde al spoedig de hut, waar de vrouwen
nog tien dagen lang bij het rottende lijk in een wolk van vliegen
moesten verblijven. Ze verbrandden daarbij sterk riekende kruiden,
en om de vloeistoffen te laten wegloopen uit het bewoonde gedeelte
van de hut, werd dwars erdoorheen een goot gegraven.
Neus en mond van den doode waren met aarde en kalkbrij dichtgemaakt,
misschien, om de ziel in het lichaam te houden. Om het lijk maakte men
in de hut een miniatuurhuisje van bamboe en liet het daarin vergaan.
In de naburige gamal zaten de mannen, boos en wraakzuchtig, en zinden
op oorlog. Die brak dan ook spoedig uit na mijn vertrek en stelde
den zendeling aan groote gevaren bloot.
De heeren Th. hadden de vriendelijkheid gehad, mij uit te noodigen
voor een tochtje naar Maevo, het noordoostelijkste eiland van de
groep. Nadat we verscheiden dagen op goed weer hadden gewacht,
voeren we eerst naar Aoba, waar we den nacht doorbrachten; toen
langs de kust, waar we niet minder dan twaalf werfschepen zagen,
die natuurlijk ieder minstens een half dozijn inboorlingen aan boord
hoopten te krijgen. Als men bedenkt, dat dit meer dan een half jaar
zoo voortduurt, en dat alleen die inboorlingen zich verhuren, die om
de een of andere reden zich te huis niet meer op hun gemak voelen,
zal men inzien, dat de niet meer talrijke bevolking der betrekkelijk
kleine eilanden niet aan de behoeften van de planters kan voldoen.
Met een flinke vaart voer de kleine kotter door het kanaal tusschen
Aoba en Maevo. In een kouden regen wierpen we het anker uit bij
Naroworo. Na de gebruikelijke dynamietontploffing brachten we
eenige arbeiders aan land, die hun jaar bij de heeren Th. hadden
uitgediend. Een deel van hun loon hadden ze in goederen omgezet,
en nu versierden ze zich met al die heerlijkheden, om zich aan de
hunnen voor te stellen in volle pracht en staatsie. Splinternieuwe
broeken, prachtige witte tricothemden, kleurige dassen, elegante
hoeden, schoenen, die hun het loopen moeilijk maakten, en, groote
parapluies. Ze zagen er beklagenswaardig uit in dien staat, want ze
voelden zichzelven ongemakkelijk in de ongewone kleeding en hadden
veel moeite, die behoorlijk aan te trekken. Tegen den middag kwamen
vrienden en bloedverwanten aan de kust, om hen af te halen. De
ontvangst was aan weerszijden merkwaardig koel; nauwelijks groette
men elkander, en het leek, of men elkaar pas gisteren had gezien. Met
meer belangstelling werd de inhoud van de kist onderzocht, die ieder
arbeider meekrijgt, en waarin de rest van de goederen wordt geborgen,
die hij niet aan het lijf kan hangen, lampen, petroleum, katoen,
messen en dergelijke dingen. Meestal worden die koffers door de lieve
verwanten al aan de kust geplunderd, zoodat de man weinig loon voor
zijn arbeid krijgt. Hier echter liet men den schat intact en droeg
de zware kisten de bergen in. Zonder een plechtig afscheid van hun
meester slopen de arbeiders achter hun bezitting aan. Dat en de koele
ontvangst zijn hier zoo de étiquette.
Maevo is beroemd om de mooie vlechtwerken, die er vervaardigd
worden, kleine en groote matten van pandanenbladeren, vaak prachtig
gemaakt. Eenige vrouwen hadden er verscheiden voor ons uitgespreid,
en we konden een groot aantal koopen. Overigens wordt er weinig moois
op Maevo vervaardigd, en houtsnijwerk ontbreekt geheel.
De bevolking verschilt van die van Santo, en de zeden zijn er
anders. De mannen dragen niets dan een bosje bladeren voor het lijf;
de vrouwen een dergelijke rij matjes als op Malekula. Het viel mij op,
hoeveel lang krullend haar men er ziet, meestal samengaand met een
nog al lichte huidskleur. Ook zijn hier de vrouwen groot en geneigd
tot zwaarlijvigheid. Eenige mannen waren ook forsch gebouwd en hebben
haakneuzen, wat op polynesische bloedmenging kan wijzen. Naast dit
type vindt men er een kleiner, donkerder, met kroeshaar als van
negers. Dat is het melanesische type.
In het kalkgesteente, dat de kust der eilanden vormt, zijn verscheiden
holen, waar de inboorlingen thans nog voor een deel slapen, als ze aan
de kust komen. Een ervan was zeer diep, en de zwarten waren er bang
voor en wilden ons niet begeleiden bij ons bezoek, daar gebracht. We
vonden er niets anders dan vleermuizen, die bij de storing ons om
het hoofd vlogen. De andere holen waren niet anders dan overhangende
rotsen. Ik groef er in de vuurplaatsen, of ik er mogelijk steenen
werktuigen zou kunnen vinden; maar de haarden waren maar oppervlakkig,
en ik haalde er slechts wat splinters van schelpen uit.
Op een dag ondernam ik een tocht dwars door het eiland, dat daar
heel smal is. Mijn bediende uit Santo was vreesachtig en waarschuwde
mij, dat de menschen van Maevo niet te vertrouwen waren. Hij wou
volstrekt wapens meenemen, en om hem gerust te stellen, liet ik hem het
jachtgeweer dragen. Hij belastte zich nog bovendien met een heele doos
patronen en was dus van plan, zijn leven duur te verkoopen. Natuurlijk
hadden we de wapens niet noodig; de menschen waren allen vreedzaam en
gastvrij, al hadden ze nooit blanken gezien. Voor de handelaars heeft
het aan copra arme eiland geen belang, en het klimaat is zoo vochtig,
dat de zendelingen zich allen na korten tijd moeten terugtrekken om
hun rheumatiek. Nu bezoekt telkens een zendeling van de melanesische
missie het eiland voor een paar weken in het jaar en laat voor het
overige het werk in handen van de inlandsche onderwijzers.
De weg was steil, en mijn boy kreeg de straf voor zijn onredelijke
vreesachtigheid door de zwaarte van de patronen. Ik genoot van de
schilderachtige uitzichten. De flora was veel rijker dan op Santo,
en de bergachtigheid riep prachtige landschappen te voorschijn. Van
de pashoogte, die wij in ongeveer drie uren bereikten, hadden
we door het woud een heerlijk gezicht op den Stillen Oceaan, de
eindelooze watervlakte, die ik in San Francisco eens uit het Oosten
had bewonderd. Het ging nu steil naar beneden, en kleine beekjes
vergezelden ons op ons pad. Liefelijke watervalletjes waren overal
tusschen de kleurige planten te zien, en zooals de beide knapen,
die met ons gingen als gidsen in hun bruine naaktheid met de roode
bloemen boven ieder oor, zich onder den straal plaatsten en het
afkoelende water in den mond opvingen, schiepen ze een tooneeltje,
dat mij nooit uit de herinnering zal gaan. Men is bij zoo'n gelegenheid
teleurgesteld, dat de kleurenphotografie nog niet practisch bruikbaar
is, of ook dat men met de camera te laat komt, want tot poseeren kan
men de inboorlingen natuurlijk niet brengen.
De menschen in het dorp waren zeer vertrouwelijk, en brachten mij hun
schatten, matten, wapens, banden van schelpen en varkenstanden. In
de buurt van de huizen waren de goed onderhouden dansplaatsen,
en verder in het bosch stonden manshooge monolieten, resten van een
vroegeren eeredienst, dien het tegenwoordige geslacht niet meer kent,
maar waartegen ze nog eerbiedig opzien.
Bij den terugkeer naar de westkust vond ik in een dorp de
arbeiders, die wij hadden teruggebracht. Enkelen waren nog in hun,
nu vuil geworden, feestdracht; de anderen hadden zich weer aan het
nationale costuum gewend, den eenvoudigen katoenen lendenband. Het
bladerbundeltje was hun toch te primitief. Ze waren juist aan de
voorbereiding van kawadrinkerij en begonnen al aardig vroolijk te
worden. Men drinkt hier kawa als wij bier, dus als men er lust in
heeft, en de gelegenheid zich voordoet. Van de oude plechtigheden
bij gebruik en bereiding van den drank is niets overgebleven. De
wortel wordt met scherpe koralen geraspt en de vezels met water
gekneed. De dunne brij wordt door de scheede van een palmblad in een
kokosschaal gegoten en smaakt naar zeepwater met pepermunt. Ze brandt
in den mond, zoodat de drinkers telkens met kokosmelk spoelen voor
de verzachting. De uitwerking bij overdadig gebruik is een slaperig
tevreden stemming en een lam gevoel in de beenen.
Nadat we ons nog een paar dagen aan de kust hadden opgehouden en
daarbij twee inboorlingen hadden kunnen recruteeren, voeren we naar
huis, waar we door de beide honden van de heeren Th. met stormachtige
blijdschap werden begroet.
Zooals afgesproken was, verwachtten mij mijn boys met de kleine
roeiboot van den pater in Hog Harbour. Wij voeren langs de kust
naar Port Olry, waar na een paar dagen een van de broeders Th. weer
verscheen. Hij deed een toer om Santo en bood mij aan, mij naar
Talamacco mee te nemen. Ik nam van mijn gastheer, pater B., weemoedig
afscheid, want wij waren in de bijna twee maanden, die ik in zijn huis
had mogen doorbrengen, vrienden geworden, en ik geloof, dat hij zijn
hernieuwde eenzaamheid niet juist met genoegen tegemoet zag. Ik heb
hem, helaas, niet meer gezien. In Port Olry en Hog Harbour is het later
zeer woelig geweest; maar de pater is er niet het offer van geworden.
In Talamacco ontving de heer F. mij weer gastvrij en ruimde voor mij
een huis in, dat hij eens voor zijn jonge, kort geleden gestorven
vrouw had laten bouwen. Hij heeft mij gedurende mijn verblijf van
twee maanden de grootste vriendelijkheden bewezen en mijn studiën
naar vermogen gemakkelijk gemaakt.
Daar er in de naaste omgeving niet veel interessants was te zien,
besloot ik, een reis naar Centraal Santo te ondernemen. Ik besprak
het plan met den heer F., die mij zijn opzichter, den moli, voor den
tocht ter beschikking stelde. Deze zorgde voor dragers en beloofde,
op reis toezicht op hen te houden. Ik heb veel dienst van hem gehad,
vooral omdat hij met bijna alle hoofden van het binnenland bekend was,
en ik mij in alles op hem kon verlaten.
Na een lange regenperiode was er een heldere dag gekomen, waarop wij
na een vaart van drie uren bij de monding van de Jordaan aan wal
gingen. De dragers droegen de bagage aan land en trokken toen met
geschreeuw en druk gepraat de boot in het struikgewas en dekten ze met
takken toe. Over een paar dagen zou de boot door andere inboorlingen
weer naar haar plaats worden teruggebracht.
Wij trokken ons terug in de schaduw van het oerwoud en kookten ons
middagmaal, een taak, waar de dragers zich met ambitie aan wijdden. Er
was rijst en voor ieder, om de geestdrift voor de onderneming aan te
wakkeren, een teugje absinth. Ik liet toen de bundels snoeren en de
negen dragers braken op met den moli aan de spits. Eerst ging het door
de vlakte, die de Jordaan gevormd heeft met bergpuin; we lieten de
rivier westelijk liggen en marcheerden in zuidoostelijke richting. Na
een uur traden we uit het woud in een moerassige vlakte, wat op Santo
iets zeldzaams is; het riet was er meer dan van manshoogte. Tegen
de schemering moesten we door het bosch ons op een door den regen
glibberig pad omhoog werken naar een overhangende rots, waar we den
nacht zouden doorbrengen. We waren er droog; het schijnsel van de
vuren reikte niet ver en zette slechts de naaste omgeving in een rood
licht. De zwarten moesten zich wegens watergebrek met thee en beschuit
tevreden stellen, daar we geen rijst konden koken. Ze gingen al spoedig
slapen op een legerstede van bebladerde takken naast het glimmende
houtvuur. Ik las nog korten tijd en bluschte toen de lantaarn.
Des morgens moesten de dragers zich met droge beschuit vergenoegen;
er was nog juist zooveel water, dat ik een kop thee kon krijgen. De
moli was den weg kwijt, en eerst na lang zoeken kwamen we weer op het
goede pad. Het was een eentonig dringen door de struiken, ontwarren
van lianen en omtrekken van al te dichte gedeelten. Gelukkig stieten we
op bamboeboschjes, die water leverden voor mijn dorstige dragers. Ook
vulden we ons vaatwerk en kookten thee. Over een oneffen plateau
vervolgden we onzen weg, en na een half uur troffen we een goed
onderhouden aanplanting van yams en weldra een ontgonnen gedeelte,
waar bataten, yams en kawa werden gekweekt. In de nabijheid van het
dorp verzamelde ik mijn troep en in een net gelid trokken we het
dorp binnen.
Hoewel de bewoners vriendelijk gezind heetten, kon ik toch bemerken,
dat mijn mannen zenuwachtig waren. Ze grepen hun wapens ostentatief
vast en bleven dicht bij elkander. Op een plein stond het mannenhuis,
een lang en laag gebouw met rieten dak, rustend op den grond. In de
donkere, vochtige ruimte lag maar een enkele man, die door lepra een
voet had verloren. Met moeite stond hij op en deelde aan den moli mee,
dat de beide hoofden in een naburig dorp bij een feest waren, en dat
de andere mannen verspreid waren op de velden. Wij gingen dus geduldig
op den grond zitten wachten, door varkens besnuffeld, terwijl de moli
een trommel bewerkte, die voor de gamal in het slijk lag. Hij had zijn
eigen maat, die de inboorlingen van het district kenden en gaf daardoor
zijn aankomst te kennen. De mannen kwamen langzamerhand opdagen.
Bijna allen waren ziek en leden aan lepra, elefantiasis of
tuberculose. Allen waren na de lange regenperiode verkouden,
waren aan het hoesten of leden aan rheumatiek, een treurig beeld
van ziekte en verval. Ik liet de bagage in de hut brengen en beval
de boys eten te koopen, kippen, yams, varkens en kokosnoten. De
menschen schenen overvloed te hebben, want ze brachten ons meer, dan
we noodig hadden, en waren met wat tabak en een paar doosjes lucifers
tevreden. Terwijl mijn mannen bezig waren met het vuur, deed ik eenige
lichaamsmetingen, en al was er wel een beetje wantrouwen bij het zien
van de glinsterende instrumenten, de tabak was te aanlokkelijk en
overwon de bedenkingen. Een nieuwsgierige menigte stond om mij heen
en verhoogde de onbehagelijkheid van wie object van mijn arbeid moest
wezen. Men is verbaasd, vreest voor geheime tooverij, maar wil den
blanke toch niet graag het bevelend verzoek weigeren. De vrouwen,
die in de verte toezagen, want ze mogen het plein om de gamal niet
betreden, waren leelijk en hadden weer het met asch besmeerde, kale
hoofd, terwijl ze in het tusschenschot van den neus korte stokjes
droegen of platte steentjes.
Tegen den avond verschenen de hoofden, twee groote, knappe mannen met
lange baarden en dichte haarbossen. Als teeken van hun waardigheid
hadden ze breede armbanden om en donker gekleurde crotonbladeren
aan den lendengordel. In hun haar hadden ze een eenvoudigen kam en
zwijnestaartjes, en in de ooren sieraden van schildpad en been. Op
mijn laag veldbed sliep ik in de gamal, omsnuffeld door honden, die
kwamen en gingen in de hut. Des morgens liet ik de vrouwen aan den
rand van het plein komen en begon mijn metingen. Er heerschte onder de
vrouwen en meisjes een stemming van onderworpenheid en gedruktheid,
zooals bij haar slavinnenpositie te verwachten was. Komisch was
het, hoe onhandig ze waren bij het photografeeren. Ze konden zich
niet rustig houden en bewogen handen of vingers, voeten of teenen op
zenuwachtige manier. De profielopneming was haar niet aan het verstand
te brengen. Toch gelukten ten slotte enkele opnamen.
Voor het vervoer van de groote, den vorigen dag gekochte yams had
ik meer dragers noodig, en gewillig boden de hoofden aan, mij te
helpen. Er was niet veel lust bij de mannen, om mij te vergezellen,
en het bevel van de hoofden had weinig effect. Toen had één van hen
het idee, zijn vrouwen voor den dienst te gebruiken, en dadelijk
stonden zijn vijf gemalinnen op en belastten zich met driemaal zoo
zwaren last als de mannen. Die werd met lianen samengebonden en op
het hoofd gedragen. Alleen de favoriete droeg niet anders dan een
kleine vrucht en mocht voorop gaan en den weg open slaan. Zij was
een nog mooie, jonge vrouw.
De heele colonne van wel dertig personen liep nu in den helderen morgen
een paar uren over vrij gelijk terrein tot naar het volgende dorp. Bij
den rand van de open plek om het mannenhuis gingen de vrouwen zitten
naast de lasten. De vrouwen uit het dorp kwamen bij haar en lieten
zich allerlei vertellen van den grooten dokter en toovenaar. Wij
mannen begaven ons in de gamal, waar de bewoners ook terstond werden
ingelicht. De gezondheidstoestand was hier nog treuriger dan in het
eerste dorp; ik zag geen enkelen gezonde, en de zindelijkheid liet
nog meer te wenschen over. Overal zweren en builen en uitgeteerde
gestalten.
Ik betaalde de dragers uit het andere dorp met tabak en lucifers, nadat
ze met den prijs zich tevreden hadden verklaard. Toen ze op het punt
waren, weg te gaan, zei de tolk, dat ik de vrouwen nog moest betalen,
wat echter in den prijs was begrepen. Ik hield het voor een middeltje,
om den blanke nog meer af te persen en weigerde beslist. Er was lang
een ontevreden wachten voor de hut, tot ze eindelijk verdwenen, maar
de stemming was erdoor bedorven, en ik beproefde niet, de menschen te
meten, wetend, dat ik geen succes zou hebben met mijn verzoek. Daarbij
deed zich het onaangename gevolg gevoelen van mijn verblijf onder deze
wilden, want ik vond in mijn hoed, mijn zakken en overal bloeiende
koloniën van ongedierte. Het was een gruwelijke gewaarwording, en
hier kon ik niet aan een grondige reiniging denken.
Slechts met groote moeite kon ik eenige dragers voor het volgende
dorp krijgen, waar het hoofd en eenige mannen voor de gamal zaten en
koel en onvriendelijk waren. De dragers verlieten ons, en ofschoon
ik hier geen hulp kon krijgen, waren ze niet te bewegen tot verderen
dienst. Het hoofd, dat goed Engelsch sprak, wou wel met ons meegaan,
maar zei, geen enkelen gezonde ter beschikking te hebben. Mijn mannen
waren ook mismoedig; ik kon hun geen zwaardere lasten geven. Ik liep
met den hoofdman vooruit, toen de moli mij kwam zeggen, dat er een
bedenkelijke gisting onder de lieden was; ze waren bang, om verder
in het binnenland door te dringen en wilden allen deserteeren. Ik
liet stilhouden en verklaarde, dat de lasten niet te zwaar waren,
dat ze gisteren bijna niets en vandaag nog niet veel hadden gedaan,
en dat ze allen konden wegloopen, als ze wilden; de moli en ik zouden
den weg wel samen vinden. Als de lasten te zwaar waren, zou ik de
conservenbussen wel weggooien en ook de beide flesschen sterken drank,
die ik niet voor mijzelf had meegenomen. Ik beval, de flesschen uit
te pakken en tegen de rots te verpletteren. Dat was te veel; haast
schreiend smeekten ze mij, dat toch niet te doen; ze wilden den last
wel dragen, en de weg was niet meer lang. Aarzelend gaf ik toe en na
een paar dreigementen had ik gewonnen spel, maar het vertrouwen in
mijn mannen had een schok gekregen.
De volgende dagen bleven ze gewillig en goed, terwijl ik in het
Noordoosten van het eiland nog eenige dorpen bezocht. De moli begon
naar huis te verlangen, en het seizoen was niet gunstig, om dragers
te krijgen, daar de inboorlingen op hun velden moesten zijn. Daarom
besloot ik tot den terugtocht. Het bevel daartoe gaf mijn mannen
nieuwe kracht, zoodat we in razende vaart voort marcheerden. In een
halven dag hadden we de helft van den terugweg afgelegd, en des avonds
sloegen we ons kamp op aan den oever van de Jordaan, waar we ons in
het koele rivierwater flink konden afspoelen. Hier was het in den
frisschen wind beter kampeeren dan in de dorpen tusschen varkens en
honden en kippen, samen met allerlei ongedierte.
Het ging den volgenden dag langs de rivier door een onbewoonde streek,
en in den laten namiddag lag de baai voor ons. Nu moest er nog een
paar uren gemarcheerd over het strand, waarbij we rivieren moesten
doorwaden, maar des avonds waren we bij den heer F. Na de afbetaling
der dragers volgden een heerlijk bad en een goed maal.
Wetenschappelijk had de reis niet veel opgeleverd, maar ik had de
natuur en de leefwijze van de binnenlandsche stammen leeren kennen,
en moest tot het bedroevend inzicht komen, dat wegens ziekte, gebrek
aan vrouwen en weinig geboorten er niet veel jaren meer behoeven te
verloopen, of de bevolking van Centraal Santos zal uitgestorven zijn.
AANTEEKENING
[1] Tekst en illustraties ontleend aan Felix Speiser, Südsee, Urwald,
Kannibalen, Leipzig, R. Voigtländer's Verlag 1913.