Na den terugkeer van die reis deed zich het vraagstuk, om van het

Canal du Segond in een beter werkgebied te komen, nog dringender

voor. De eenige hoop was nu de eventueele aankomst van den pater

van Port Olry in het noorden van Santo met zijn kotter, waarmee hij

nu en dan tochten naar zijn collega's ondernam. Hij deed dat alle

paar maanden, en het was mijn geluk, dat hij toevallig na ongeveer

veertien dagen door het kanaal voer en bij den zendeling het anker

liet vallen. Ik bracht hem een bezoek en besprak mijn toestand met

hem. Hij ried mij, met hem naar Vao te varen, waar hij zijn kotter

moest laten repareeren, wat wel een paar weken zou duren, en dan later

met hem naar Port Olry terug te varen. Mijn bagage moest ik dan voor

een groot deel achterlaten, maar ik kon de gelegenheid niet voorbij

laten gaan, om uit het verloren uithoekje van het Canal du Segond weg

te komen, en de kapitein van de "Marie Henri", het zeilschip van de

opmetingsexpeditie, dat dikwijls naar het noorden voer, beloofde mij,

mijn hebben en houden dan naar Port Olry mee te nemen.

Terwijl wij op gunstigen wind wachtten, brak er op een nacht het

hevigste onweder uit, dat ik ooit heb beleefd. Van zonsondergang tot

den morgen volgde de eene donderslag op den anderen met een geweldigen

regen; men hoorde in het woud de takken breken en men kon elkander niet

verstaan onder het plaatijzeren dak van het huis. Stroomen vloeiden

over den weg, en des morgens stond het huis als in een meer. De heele

aanplanting was vernield, en het kanaal zag totaal geel.

Wij zeilden weg en hadden bij den tegenwind twee dagen noodig, om op

Vao te komen. Het is een eilandje, dat vóór Malekula is gelegen in

het Noordoosten. Als men de doodsche kust van laatstgenoemd eiland

voorbijvaart, is het als een openbaring van iets schoons, Vao te

zien. Niet enkel, dat de natuur afwisseling biedt, maar vooral de

levendigheid is aantrekkelijk. Vao is een der dichtstbevolkte eilanden

van de Nieuwe Hebriden. Er wonen vijfhonderd inwoners op een eilandje

van anderhalven kilometer lengte en één kilometer breedte, voldoende,

om overal menschelijke werkzaamheid te toonen zonder overhaasting,

op vroolijke, luchthartige wijze verricht. In deze omgeving vonden

we hutten en haardvuren en levendige menschen, die den vreemdeling

weer hoop en vertrouwen gaven.

Ongeveer zeventig uitleggersbooten lagen aan het strand. Het waren

boombooten, door dwarsstangen verbonden met de uitleggers, die ze voor

omslaan behoeden. Aan de punt hebben ze een gesneden houten reiger,

waarschijnlijk een halfvergeten totemteeken van de inboorlingen. Al

naar de maatschappelijke positie van den eigenaar is het snijwerk meer

of minder rijk uitgevoerd, en er wordt streng op gelet, dat niemand

zijn boot versiert met snijwerk, dat niet in overeenstemming is met

zijn rang en positie. Dan zijn er ook nog kleine dwarsbalkjes, die zich

in aantal ook richten naar den stand van den bezitter. Onder afdaken

werden in de schaduw van de woudboomen een paar groote zeilbooten

bewaard van europeesch fabrikaat. Enkele familiën hadden die gekocht,

om verre reizen te kunnen doen naar de grootere eilanden in de buurt,

Espiritu Santo, Aoba, Ambrym, enz., waar ze varkens koopen. Die

zeilbooten vervangen de lange, groote booten uit vroegeren tijd,

oorlogsvaartuigen, waar dertig tot veertig man in konden zitten,

en waarmee groote rooftochten werden ondernomen. Want de bewoners

van Vao waren echte zeeroovers, die overal gevreesd werden, omdat

ze onverwachts bij eenig dorp landden, de bewoners overvielen en

met rijken buit terugkeerden. De europeesche invloed heeft aan die

liefhebberij een einde gemaakt, en met den invoer van europeesche

booten zijn de groote pirogen verdwenen en rotten ongebruikt weg aan

het strand.

In den vroegen morgen was het strand ledig, maar een paar uren na

zonsopgang werd het druk; mannen en vrouwen baadden er, de moeders

waschten de kinderen, en in het warme zand werd daarna gerust, tot

het tijd was voor de vaart naar den overkant, waar op het vasteland

de aanplantingen waren. De vrouwen schoven de booten in het water,

jonge meisjes, slank en sterk, de moeders en oudere vrouwen wat

onbeholpener, velen met een kind op de heupen. Uit loodsen of verborgen

hoekjes aan den wal haalden ze zeilen van palmbast, driehoekig en in

bamboestangen gevat, en maakten ze vast aan de booten. Daarna stieten

ze zich af van den wal en zaten of stonden in het smalle bootje,

dat nauwelijks plaats had, om de voeten naast elkander te zetten. De

kleine zuigelingen zaten op den schoot der moeders of hingen op haar

rug in bedenkelijke nabijheid van het water.

De kleine flotille volgde eerst de landtong en kwam toen onder

den invloed van den frisschen, stevigen wind, die de booten snel

voortdreef. Tusschen tien en vijftien booten gleden over de zee,

geelbruine vogels, waartegen de korte golven opsprongen. Een vrouw

stuurde, en de anderen schepten met kokosschalen het water uit het

vaartuig, een echt Danaïdenwerk. Maar gauw was het kanaal overgestoken

en de booten werden op den veiligen wal gehaald. Een jonge man was

bereid, ons in zijn boot te nemen en bracht ook ons naar den anderen

oever.

Smalle paden, aan weerszijden begrensd door dicht oerwoud, voeren

ons over koraalblokken naar de aanplantingen op de hoogte. Bij eenige

kokospalmen stond de gids stil en klauterde behendig langs den slanken

stam naar de kroon, met de voeten steunend tegen den stam, alsof hij

een ladder beklom. Drie zware, groene noten vielen met een plof op den

grond. Met een paar handige meskloppen werden ze geschild en geopend,

en de verkwikkende, zuurachtig smakende melk werd mij aangeboden als

een geschenk aan den gast.

Zijpaden leidden van den weg naar de aanplantingen. Ieder individu had

een stuk land, waarvan hij zijn levensonderhoud betrok. Daar groeien

vleezige bananen met groote, sappige bladeren; yams klimmen tegen

vlechtwerk op en hebben kleurige bloemschermen, en ertusschen staan

kokospalmen, broodvruchtboomen, roodbloeiende crotonstruiken en veel

sterk geurende kruiden. In die groene weelde brengt de inboorling

zijn dag door, een weinig arbeidend en veel luierend. Hij schiet op

de groote duiven en de kleine papegaaien en nuttigt ze als welkome

toegift bij de geroosterde yams.

Tegen zon en regen waren beschuttende daken opgesteld, waar des middags

allen samenkomen en eten en praten. Lang geleden lagen hier dorpen,

waarvan een reusachtige, nu gebroken monoliet nog getuigt. De steen

was vijf meter hoog en moet door ondernemende menschen van de kust

hierheen zijn gesleept als sieraad voor een dorpsplein, misschien

ook als monument op een begraafplaats.

Terwijl des namiddags de vrouwen den voorraad voor den avondmaaltijd

verzamelden, keerden wij naar Vao terug. De wind was heviger geworden,

maar veilig kwamen we over en trokken nu naar het binnenland van het

eiland. Eerst liepen de paden nog door het oerwoud, toen door een

rietveld en daarna gingen we tusschen steenen muurtjes met rechts en

links kleine aanplantingen. Toen werd de weg breeder; steenblokken

stonden aan weerszijden, en we traden onder het ruime gewelf, gevormd

door een geweldigen vijgenboom. Uit den zonnegloed kwam men in de

diepste schaduw, uit de middaghitte in de vochtige koelte.

We stonden op een wijde vlakte, die ver overschaduwd werd door de

knoestige takken van den reuzenboom. Aan den eenen kant was de stam,

die al zwaar genoeg was, nog versterkt door de vele luchtwortels,

die als dikke touwen van de kroon naar den grond gaan, hier en daar

den stam geheel bedekkend, als een vlechtwerk of als de touwen langs

een scheepsmast. Eenige lianen slingerden zich door de takken, alsof

reuzenslangen in een gevecht waren verstijfd.

We waren op een van de offerplaatsen van Vao. De rijen steenen

langs den weg hadden zich verdubbeld en verdrievoudigd en sloten het

plein in. Bij den stam van den grooten boom was een steenen altaar,

en daaromheen stonden offertafels, zware steenen platen, rustend

op dikke steenen blokken. Een rotsblok lag midden op den weg op een

houten slede, half onder steenpuin en aarde bedolven. Een dikke liane

diende als sleeptouw. Een vijftigtal mannen zullen er aan getrokken

hebben, om het zware blok van den oever naar den kleinen heuvel te

transporteeren, en halfweg is hun de arbeid onmogelijk geworden en

tot latere tijden uitgesteld.

Rechts van het groote altaar stonden de "tamtams", uitgeholde stammen,

die als trommels dienen. Aan het boveneind zijn ze uitgesneden als

een menschengezicht, met breeden, lachenden mond en ronde, holle

oogen. Scheefstaand naar alle richtingen, lijken ze spoken, die

den beschouwer uitlachen om hun eigen grootte en de kleinheid van de

menschen. Daartegenover stonden mansfiguren, ruw uit stammen gesneden,

met lange lijven en overlange gezichten, vaak slechts een hoofd met

denzelfden scheeven mond als de trommelboomen, een langen neus en

smalle oogen. Ze waren rood, blauw en wit beschilderd en steunden

met de hoofden reuzenvogels, met uitgebreide, lange vlerken. Dat

waren weer reigers, zwevend, alsof ze zoo juist uit het woud waren

komen aanvliegen.

Dat was alles op de dans- of offerplaats; maar het was voldoende,

om een diepen indruk te maken. Want als daarbuiten de zon brandt,

als de bladeren in den wind ruischen en de wolken langs den hemel

jagen, is het hier donker en koel als in een dom. Geen wind waait, en

er beweegt niets. Een behagelijke stemming, een wenschloos zich laten

gaan, een verheffende gedachteloosheid, een stichtelijk droomen worden

gewekt door de schaduw van den reuzenboom, den zachten boschgrond en

het groene mos, dat overal op groeit, op de steenen, de trommels en

de idolen.

Buiten straalt de zon op boomen met purperen bloemen en de roode

gloed schijnt door het groene loover; buiten zingen de vogels, maar

hier sluipen ze stil door de bladeren; buiten werken de menschen,

maar hier is het eenzaam; buiten is het leven, hier heerscht onder

den reuzenboom de gewijde stilte van een tempel. De plek zou voor

den verhevensten godsdienst kunnen dienen; zoo zal het er hebben

uitgezien om de steenen altaren der Druïden.

Achter de dansplaats was een open ruimte in het woud, waar, tusschen

roodbloeiende boomen, het groote mannenhuis stond. Op palen rustte

een groot dak, dat tot den bodem reikte. Van voren en van achteren

werd de ingang vernauwd door groote steenen platen. Dooreengeslingerde

takken vormden een haag om het huis, en aan den eenen kant stond een

stellage, waaraan honderden van zwijnekaken waren bevestigd.

In het huis zagen we eenige vuurhaarden en primitieve bedden,

bestaande uit een rooster van naast elkander gelegde bamboestaven,

een nachtleger, dat een niet verwenden Europeaan toch wel hard en

ongemakkelijk zal voorkomen. Onder het dak waren allerlei curiosa

verborgen. Dansmaskers, merkwaardige visschen, zwijnekaken, beenderen,

oude wapens, enz. alles met een dikke korst van roet overtrokken

door de bijna voortdurend brandende vuren. Die mannenhuizen zijn

een soort van sociëteiten of clubhuizen, waar de mannen samenkomen;

ze brengen er ook wel den nacht door. Bij regenweêr zitten ze pratend

en rookend om de vuren of knutselen aan het een of ander voorwerp.

Elk geslacht of familie heeft zulk een mannenhuis, dat natuurlijk voor

de vrouwen taboe is; op Vao zijn er vijf, in overeenstemming met het

aantal geslachten. In de nabijheid en min of meer rondom het mannenhuis

liggen de woonhuizen, ieder met een lap grond eromheen en ingesloten

door een meterhoog muurtje van los op elkaar gestapelde koraalblokken,

zoo los, dat men niet tegen de muren kan leunen. Achter de muren heeft

men meer dan manshooge schermen aangebracht, van riet gevlochten,

die ongewenschte blikken naar binnen verhinderen. Daar de terreinen

dikwijls bij elkaar aansluiten, zijn de wegen ertusschen zeer smal;

men loopt als door een steegje tusschen de steenen muurtjes en de

rietmatten. Soms kan men bij een bocht vrouwen zien wegloopen en

kinderen schreiend aanschouwen, want de blanke schijnt hier de rol

van boeman te vervullen.

Als men met de bewoners aan het strand een beetje vertrouwd is geraakt,

kan men soms wel eens in de geheimzinnige woningen binnentreden,

natuurlijk altijd vergezeld en bewaakt door een mannelijken bewoner.

Men krijgt weinig bezienswaardigs te kijken; kleine hutten liggen

binnen de omheiningen, een voor den huisheer, terwijl iedere vrouw

haar eigen woning heeft, die ze met haar kinderen bewoont en waar ze

meesteres is. Op de open ruimte tusschen de hutten loopen varkentjes

rond en honden en kippen in vreedzame harmonie met kinderen en

volwassenen.

Het varken is op Vao, net als op bijna alle eilanden van Melanesië, het

hoogst geschatte dier. Om het varken draait het denken en trachten van

den inboorling, want door dat dier kan hij allerlei begeerenswaardigs

erlangen. Hij kan er een vijand door uit de wereld laten helpen;

hij kan veel vrouwen koopen; hij kan op de maatschappelijke ladder

tot de hoogste sporten stijgen, en hij kan er zich het paradijs

mee verzekeren.

Het is dus geen wonder, dat de varkens even zorgvuldig of nog

zorgvuldiger worden verzorgd dan de kinderen, en dat het de

belangrijkste plicht van de oude vrouwen is, over het welzijn van de

zwijntjes te waken. Het zijn intusschen alleen de mannelijke varkens,

die zoo hoog op prijs worden gesteld, het vrouwelijke varken beteekent

niets; men laat het vrij rondloopen en bekommert er zich weinig

om; maar het heeft daardoor juist een veel prettiger leven dan het

mannelijke dier, dat jaar uit, jaar in aan een kort touw aan een paal

is gebonden en zich haast niet kan bewegen. Wel wordt het dagelijks

gevoederd, doch het eten wordt hem vergald door hevige tandpijn, want

men heeft het dier de bovenvoortanden uitgebroken. De tanden van de

onderkaak vinden nu geen vlakte meer, waartegen ze kunnen schuren en

groeien tot een vervaarlijke lengte, gaan een boog vormen, tot ze

op de kaak stooten, waarna ze in het vleesch van de wang dringen,

waar een wonde ontstaat, die maar zeer langzaam geneest. De tanden

groeien voort en buigen buiten de kaak een tweede maal, en als het

arme varken lang genoeg leeft, een derde maal.

Die varkens met gebogen tanden zijn de trots en de rijkdom van de

inboorlingen. Macht en aanzien richten zich naar het aantal van zulke

zwijnen, die een man bezit en naar de grootte van hun tanden; daarom

worden ze zoo zorgvuldig behoed en vastgehouden, dat hun maar geen

ongeluk zal overkomen en ze nergens hun tanden breken. Rijke lieden

bezitten een groote hoeveelheid van die dieren; anderen slechts één of

twee, en zeer arme menschen hebben er geen enkel. Er is in Melanesië

dus sprake van een soort van eeredienst van het varken, die men daar

Suque noemt, en waarbij het zwijn het offerdier is, misschien omdat

men dan het grootste zoogdier van de eilanden aan de goden afstaat,

dus de beste uitdrukking van vereering geeft, of omdat mogelijk

het zwijnenoffer in de plaats is getreden van het menschenoffer. De

Suque is de vereeniging van alle mannen, die zwijnen hebben geofferd,

een bond, die in tallooze kleine groepen is verdeeld naar districten

en dorpen. Wie niet tot de Suque behoort, staat eigenlijk buiten het

leven van de inboorlingen, heeft geen vrienden en mist alle geloof. Als

knaap kan men al tot de Suque toetreden, als een oom van moederszijde

in den naam van den neef een zwijn offert. De jongen mag dan het

"gamal", het clubhuis van de Suque, betreden.

Op Vao had ik gelegenheid, een doodenfeest bij te wonen. De man leefde

en was gezond en wel, maar hij wou zeker wezen, dat het feest niet

werd verzuimd na zijn dood en liet het dus al bij zijn leven plaats

hebben. Als namelijk een man van Vao sterft, reist zijn ziel naar het

eiland Ambrym, ten oosten van Malekula, terwijl Vao bij de noordpunt

van dat groote eiland is gelegen. Op Ambrym is een vulkaan, die door

de ziel in een reis van vijf dagen wordt bestegen. Halfweg op den

tocht naar den krater zit een monster met een krabbeachtig uiterlijk

en twee reusachtige scharen. Heeft men nu voor den overledene vóór

den vijfden dag geen voldoend aantal varkens gedood, dan is de

arme ziel alleen, en het monster pakt en verteert haar. Maar als

men het offer heeft gebracht, dan draven achter de ziel aan alle

zielen van de geofferde zwijnen, en deze eet het monster liever dan

de menschen. De overledene kan dientengevolge ongehinderd zijn weg

vervolgen en komt spoedig in een paradijs met veel zwijnen, vrouwen,

dansen en eten. Op den feestdag werden geschenken naar de offerplaats

gebracht, en in den morgen kreeg iedere familie eenige yamsknollen,

een varken, een kokosspruitje en eenige bundels geld, bestaande uit

opgerolde matten. Oorspronkelijk is zoo'n mat een lijkkleed, maar

wordt na eenigen tijd weggenomen, als de lijken enkele dagen in den

grond hebben gelegen. De groote rollen worden nu niet meer gebruikt,

maar komen bij feestelijke gelegenheden nog voor den dag.

Veel plechtigs was er niet aan het feest, waarbij de gastheer met een

mes de vastgebonden varkens slachtte, waarna ieder man zijn geschenk

mee naar huis nam. Niet alle feesten verloopen zoo prozaïsch, maar toch

zal het niet lang duren, of met deze ceremoniën wordt geheel gebroken.

Op Vao, met name in Atchin op het eiland, vindt men veel heilige

vooroudershuisjes, waar een altaar wordt aangetroffen van

steen. Daaronder ligt waarschijnlijk het hoofd van den voorvader

begraven. Op het huis staat het beeld van een reiger, ruw gesneden

en gedragen door een standbeeld, dat, schijnt het, den voorvader

voorstelt. Daar de beelden in de open lucht staan en sterk verweêren,

worden ze niet oud, en de jongere producten zijn niet met de oudere

te vergelijken. Ik was zoo gelukkig, een oud exemplaar te krijgen van

een ouden man, die er wel bezwaar in zag en meende, dat de voorvader

het sterk zou afkeuren, maar ten slotte zich geruststelde met de

overweging, dat de man al zoo lang dood was, en dat hij een zwijntje

op het graf zou offeren, welk offer ik ook nog moest betalen. Het

beeld was niet minder dan twee meter hoog en mooi gesneden.

Trots de veelvuldige aanraking met Europeanen is de oude cultuur op

Vao in stand gebleven, doordat de inboorlingen zoo weinig lust hebben,

op plantages te gaan werken. Maar terwijl wij op het eiland waren

had er een gebeurtenis plaats, die aantoont, hoe hierin verandering

kan worden gebracht. Op een morgen lag vóór het eiland een schip voor

anker. Een zwaarlijvig beambte van de fransche opmetingsexpeditie ging

aan wal. Hij liet alle mannen aan het strand samenkomen en deelde hun

mede, dat hij tegen den avond een aantal arbeiders moest hebben tegen

goede betaling voor licht werk. Men zou hem in zijn gezicht hebben

uitgelachen, als hij zijn verzoek in dit geval niet had ondersteund

met de bedreiging, dat hij het eiland in geval van weigering zou laten

ontruimen, want dat de "Société francaise des Nouvelles Hébrides"

al voor jaren de eilanden had gekocht.

De onderhandelingen duurden tot den laten namiddag, en bij

zonsondergang stonden bijna alle beschikbare mannen op het

strand, werden door groote roeibooten afgehaald en verdwenen in de

avondschemering. Aan den oever bleven oude mannen achter en de vrouwen,

die luide klaagden in aandoenlijke smart. Ook voor den buitenstaanden

toeschouwer was het een treurig tooneel, dit wegvoeren van de beste

krachten van een stam, die ruwe greep in het familieleven door de

brutaliteit van het blanke ras, dat zich veel laat voorstaan op zijn

beschaving. Men voelt geen ziekelijk medelijden met de mannen, die

tot arbeid worden geprest, maar wel doet het bitter aan, te moeten

zien, hoe een stuk eerwaardig oud leven en natuurlijke ontwikkeling

wordt vernield. Het is, alsof een oud bouwwerk voor profaan gebruik

wordt geschonden.

Den volgenden morgen was het strand eenzaam. Vrouwen en grijsaards

en kinderen misten alle vroolijkheid van vroeger, en ik besefte,

hoe het op de andere eilanden in de buurt was gegaan, waar thans zoo

goed als geen inboorlingen meer zijn op plaatsen, vroeger met dorpen

bezet. In de laatste zeven jaren is in enkele omvangrijke gebieden de

bevolking tot op een derde geslonken. Er behoeven geen vijftien jaren

meer te verloopen, of men zal van een inboorlingenbevolking niet meer

kunnen praten. De volgende generatie zal er weinigen meer vinden.

Voor mij was die gebeurtenis het bewijs, dat ik geen bedienden op

Vao zou kunnen krijgen; de jonge lieden, die erover hadden gedacht,

mij te vergezellen, hadden moeten helpen, om het aantal opgeëischten

vol te maken, zoodat ik teleurgesteld vertrok, toen de kotter van den

pater hersteld was en wij, afscheid van het gastvrije Vao nemend,

naar het Canal du Segond voeren, om van daar langs de oostkust van

Espiritu Santo naar Port Olry te gaan. Daar was, in het noordoosten

van het groote eiland, een zendingsstation, waar de honden, de katten

en de bewaker ons kwamen begroeten, en waar ik weer gast was in het

huis van den pater en er een interessanten tijd doorbracht.

De bevolking van Port Olry, zooals de kleine haven aan den mond van

een riviertje heet, verschilt nog al van die der andere eilanden. Ze is

donkerder van kleur en heeft een ander gelaatstype; ook is ze grooter

dan elders. Men moet haar als typisch melanesisch beschouwen, terwijl

de bevolking van Vao bij voorbeeld veel polynesische elementen in

zich heeft opgenomen. Het waren hier gespierde gestalten met nog al

brutale gezichten, waaruit weinig intelligentie sprak. De leefwijze

was dan ook nog zeer primitief. Kleeding en versiering waren beperkt

tot het eenvoudigste, zoodat we hier de primitiefste bevolking van den

archipel vóór ons hadden. De versiering bepaalde zich tot kammen, die

groote vormen hadden en van bamboe waren gesneden, of die bestonden

uit varkensstaarten, bevestigd aan vederschachten, die in de dichte

haarpruik werden gestoken. Wie zich mooi wilde maken, liet het haar

lang groeien, rolde dan de haren tot rollen op, die netjes naast elkaar

werden gelegd, of maakte vlechtjes, die aan alle kanten langs het hoofd

neerhingen. Met kokosolie, roet en vet werden de haren ingesmeerd.

Een merkwaardige vervorming van den neus werd door beide geslachten

in toepassing gebracht en gaf een aanblik van groote leelijkheid. Het

tusschenschot van den neus wordt namelijk doorboord, en behalve dat

er in de opening een houtje wordt gestoken, komt het vaak voor, dat

men een spiraal neemt, die de neusvleugels omhoog drukt, zoodat een

breede punt aan den neus komt, die bij mannen op hoogen leeftijd een

afschuwelijk uiterlijk geeft. Het duurt lang, eer men aan het gezicht

gewend is. Bovendien maken ze op dien opdringerigen neus nog roode

strepen of een roode streep tusschen twee zwarte.

Veel mooier is het, als de mannen zich kleurige bloemen in de haren

steken. Een violette of roode bloem boven ieder oor ziet er op den

donkeren grond aardig uit. In de oorlelletjes dragen ze spiralen

van schildpad of vlakke plaatjes van been. Ook daaraan worden

varkensstaartjes vastgemaakt. Als ze uitgaan, beschilderen zich de

mannen vaak het gezicht met roet en olie, dooreengemengd. Meestal

wordt het bovengedeelte van het voorhoofd zwart gemaakt, en ook wel

de rug van den neus en het benedengedeelte van de wangen.

De kleeding der mannen bestaat uit een breeden gordel, die laag

afhangt, en waaraan van voren een zestal smalle matjes hangen. Vroeger,

en nu nog op feesten, droegen ze op het kruis een merkwaardig houten

ovaal, waarvan de beteekenis aan ethnografen veel hoofdbrekens heeft

gekost. Men zal wel het naast bij de waarheid zijn, als men denkt,

dat ze erop gingen zitten, want de Melanesiër gaat niet graag zóó

op den grond zitten en gebruikt, als het kan, liefst een stuk hout,

waar hij dan met dit kleedingstuk niet naar behoefde te zoeken.

Terwijl dus de mannen een, hoewel niet mooien, maar dan toch

interessant wilden indruk maken, worden de vrouwen door de mode

zoozeer ontsierd, dat men eenigen tijd noodig heeft, om er niet meer

door te worden afgestooten. Ze mogen niet veel versiering dragen en

moeten daarentegen het haar zeer kort houden, waarvoor ze zich den

schedel met kalk insmeren, zoodat het kale hoofd levendig aan een gier

herinnert, vooral ook omdat de neus uitsteekt als een snavel, en de

mond juist niet klein is. Daarbij zijn bij de vrouwen als teeken van

het getrouwd zijn de bovensnijtanden verwijderd. De kleeding bepaalt

zich tot een zeer klein blad, bevestigd aan een dun lendekoord. Van

achteren dragen vrouwen en mannen altijd een bosje bladeren, knapen

en vrouwen meestal geurige kruiden, en de mannen crotonbladeren van

verschillende tint naar de kaste. De zeer hooge kasten mogen de donkere

kleuren dragen. De voorraad wordt geleverd door de crotonstruiken,

die altijd worden aangeplant om de gamals of clubhuizen.

In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden (deel 1 van 2) De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 4 / 6 段