was echter wild en dreigend, toen ze met hun yams naar de booten
toekwamen. De knollen waren zeer groot en wij gaven één of twee rollen
tabak ervoor of pijpen. Katoen en lucifers waren niet erg in trek. De
menschen waren geheel naakt buiten een gordel van palmbast, dien ze
eenige malen om het lijf hadden gewonden, zoodat hij als een dikke
rol afstond. Daaromheen hadden ze gevlochten banden geslingerd van
rood gekleurd gras, waarvan de uiteinden als langen kwasten ter zijde
afhingen. Onder den gordel hing de nambas, die ook van rood gekleurd
gras was vervaardigd. Daarbij kwamen nog kleinere sieraden, als
oorringen van schildpad, bamboe-kammen, armbanden en halskettingen van
schelpen. Maar op de mooie, lenige lichamen zat een hoofd, dat aan de
geschiedenissen van menscheneters uit sprookjesboeken kon herinneren.
Boven de oogen en den neuswortel stak het voorhoofd vooruit en
daaronder gluurden de oogen loerend en onrustig, en hun duistere blik
werd niet verzacht door de bruinachtige kleur van het oogwit. De
neus was een beetje gebogen met dikke neusvleugels, die door een
bamboestaafje nog verbreed leken. De bovenlip was meestal kort
en bedekte maar half een opvallend breeden mond met een stevig
gebit. Men denke zich het heele gezicht omgeven door lange, ruige
haren en baard en besmeerd met een zwarte vetlaag, dan heeft men een
goede voorstelling van de zoo moderne kannibalen.
Wij hadden in het begin niet veel trek, aan land te gaan en
hielden onze vis-à-vis goed in het oog. Die werden langzamerhand
vertrouwlijker, vergaten hun schuwheid en gedroegen zich als
luidruchtige, vroolijke kinderen; maar de minste heftige beweging
van onzen kant deed hen opschrikken en achteruit gaan. Zoo gingen
velen op de vlucht, toen ik haastig een aarden pijpje wou grijpen,
dat van de zitplaats ging vallen.
Nadat onze booten met yams waren gevuld, waagden we, aan land te
gaan. Wantrouwend stonden ze om ons heen, elke onzer bewegingen
bespiedend. We lieten hun onze wapens zien, die ze met bewondering en
verbazing bekeken. Hoe grooter de patronen en de kogels waren, des
te meer indruk maakten ze, en onze revolver beschouwden ze met een
verachtelijk schouderophalen, tot we ermee begonnen te schieten. Bij
elken knal wendden ze zich verschrikt af en lachten dan om hun eigen
angst, maar hadden van toen af groot respect voor "them small fellow
musquets".
Geleidelijk werden ze driester, kwamen nader en begonnen ons
aan te raken, eerst met de toppen van de vingers, dan met de
hand. Ze wilden alles zien, onze patroontasschen, onze kompassen,
enz. Fluiten en smakken met de lippen waren de teekenen van eerbied
en bewondering. Toen er niets meer te kijken viel, werden wij zelf
de voorwerpen van onderzoek, en daar ik daaraan niet gewend was, kon
ik het moeilijk verdragen. Het ging nog, dat ze hun donkere armen
en beenen naast onze lichtere huid hielden, en dat ze liefkoozend
over de zachte huid van de binnenzijde der armen streken; maar toen
ze ook de stevigheid van de bovenarmen en de dijen onderzochten en
met kennersdruk de consistentie van onze spieren nagingen, daarbij
onverstaanbare klanken uitend en heftig smakkend, blijkbaar tevreden
over het resultaat, toen werd het mij hoogst onbehagelijk te moede,
vooral toen ik een man van begeerte zag trillen en van den eenen voet
op den anderen zag springen. In zoo'n geval is het gevoel, met zijn
beiden te zijn en een wapen te hebben, innig troostrijk.
Langzamerhand waren we den boschrand genaderd en konden tersluiks
eens naar de vrouwen kijken. Zij hadden grasschorten om het lijf
en een merkwaardige hoofddracht van gerolde vlechten van gras. Allen
hadden haast kinderen, die ze op de heupen droegen. Velen hadden groote
wonden van het zitten in vocht en vuil aan haar beenen en enkels. Men
drong ons echter vlug weg van de vrouwen en joeg ze in het woud; na
eenigen tijd was het strand eenzaam, en wij keerden naar de boot terug.
Tegen den avond kwamen weer eenige mannen aan het strand. Vergenoegd
over de gekochte tabak, dansten ze een vreugdedans, van den eenen voet
op den anderen springend, zich draaiend en erbij zingend met lagen,
eentonigen klank. Het rumoer en het hinnikende lachen klonken door de
schemering. Toen de nacht aanbrak, werd het rustig, en ze verspreidden
zich aan het strand, ontstaken vuren en roosterden hun yams. In de
verte bliksemde het, de branding bruiste, het scheepje stampte, en
de roeibooten stieten er onrustig tegenaan. De wind ruischte door
het oerwoud, en nu en dan rolde de donder. Wij voelden ons eenzaam;
zou er storm komen? Op ons notedopje waren we niet veilig. Na de
lamp te hebben uitgedaan, gingen we op het dek liggen. Daar sliepen
we in, tot een hevige regen ons opschrikte. In een oogwenk was het
dek overstroomd; we trokken ons in de hut terug en brachten in de
benauwde ruimte een onaangenamen nacht door.
Den volgenden morgen waren weer een twintigtal mannen aan het
strand. Het spelletje van den vorigen dag herhaalde zich. Nu
en dan trokken we ons op de boot terug; maar de menschen werden
vertrouwelijker, kwamen zonder wapens, en toen hun voorraad yams
was uitgeput, gingen ze naar het dorp terug. Een oogenblik van
rust gebruikten we, om langs het smalle, glibberige pad den hoogen
oever te bestijgen. Halverwege stieten we op twee oude mannen, die
yams droegen. Bij onzen aanblik beefden ze sterk, bleven staan en
begonnen te praten. Wij legden de geweren neer en wenkten, dat ze
naderbij moesten komen. Toen wierpen ze hun yams weg en vluchtten in
het dichte struikgewas. We gingen maar terug, om niemand te prikkelen.
Des avonds kwamen langs de kust uit het Zuiden een troep inboorlingen
met yams. Ze naderden voorzichtig en tot schieten klaar. Ze waren van
een anderen stam, die met den stam hier oorlog voerde. Ze hurkten
neer, altijd bereid, om op te springen en nauwkeurig den boschrand
bespiedend. Eén van hen sprak een beetje pidgin-Engelsch. Ze noodigden
ons uit, bij hen te komen en yams te ruilen. We beloofden het voor
later. Daar klonken roepstemmen uit het bosch. Plotseling sprongen
ze op en liepen weg. Georges wou met hen spreken en ijlde achter hen
aan, met de karabijn in de hand. Toen zwaaiden ze dreigend met hun
geweren en verdwenen achter de rotsen. Ze meenden, dat wij op ze wilden
schieten. Zoo ontstaan wel meer misverstanden, die met schieterijen
en moord eindigen, als men niet de grootste kalmte bewaart.
Den heelen dag regende het in sterke buien; alles was vochtig, en de
nacht was donker en stil. We leden in de stiklucht van de hut.
Des morgens kwam Bourbaki terug met een schaar inboorlingen. Weer
werden wij betast en bewonderd. Ik liet enkele mannen met een geweer
schieten, waarbij ze het wapen ver van hun lichaam hielden en op goed
geluk schoten. Bourbaki vertelde, dat er over een paar dagen een groote
slachtpartij van varkens zou plaats hebben, en dat tot dien tijd alle
menschen het druk hadden. Het hoofd was niet te spreken en bleef voor
ieder onzichtbaar, behalve voor een bediende, die hem zijn eten bracht.
Wij landden een geitje en twee varkens. Het geitje wekte groote
verwondering, en niemand waagde, het aan te raken. Bourbaki gelukte
het, drie oude mannen aan boord te lokken. Onhandig gingen ze in de
booten en angstig hurkten ze op het dek van het schip, stom en met
groote oogen. Slechts langzaam overwonnen ze hun schuwheid en bekeken
alles. Een kookpan bracht hen in verrukking en smakkend betastten ze
de planken van het schip, terwijl de aanblik van de hut hen sprakeloos
maakte van bewondering. Als ze iets niet begrepen, haalden ze den
rechterschouder op. We lieten hun een spiegeltje zien. Het duurde
lang, eer ze het gebruik uitvonden; maar toen ze begrepen, dat ze
zichzelf erin konden zien, lachten ze luid en staken de tong uit. Al
spoedig zagen ze in, dat de spiegel een toiletinstrument kon wezen
en staken lucifers in hun haar ter verfraaiing. Een horloge wekte
een geresigneerd schouderophalen en maakte verder geen indruk. Geld
wilden ze zien; maar ze waren teleurgesteld en hadden het zich heel
anders voorgesteld.
Zelfs een goudstuk liet hen koud; een stukje papier hadden ze
liever. Daarentegen imponeerde hen onze voorraad patronen kolossaal. We
lieten Bourbaki vragen, of wij het groote feest mochten bijwonen,
en of ze ons niet zouden opeten.
Na een uur verlieten ze ons weer, wel minder angstig dan ze waren
gekomen, maar toch blij, het schip te kunnen verlaten met al zijn
wonderen. Bourbaki maakte zich vroolijk over hun naïeveteit en kwam
zich verbazend beschaafd voor; maar hij is zelf nog ruw en vertrouwt
mijn fotografietoestel maar half. "De blanke man weet te veel",
is zijn uitspraak.
Het regende den geheelen dag, en eerst tegen den avond klaarde het
op. Eenige inboorlingen bleven den nacht over aan het strand. Ze
maakten vuur en zongen. Onze boys lachten om hen, bootsten het
gezang na en voelden zich ver verheven boven de wilde boschmenschen,
vergetend, dat voor slechts enkele jaren zij zelf niet veel beter
waren, en dat ze, als ze naar hun dorp terugkeerden, al gauw alle
beschaving weer zouden hebben afgeschud.
Langzamerhand werd het stil; alleen de branding was te hooren. We
sliepen weer op het dek en werden als te voren door een regenbui
opgeschrikt, om ons te redden in de nauwe hut. Den volgenden dag
verschenen er haast geen inboorlingen. Ze hadden het druk met de
voorbereiding van hun feest. Wij hadden niets te doen. Onder de grauwe
lucht en den stofregen kreeg de verveling vat op ons. Men bespeurt de
ongerieflijkheden van het leven en krijgt een gevoel, zijn tijd te
verliezen, wordt prikkelbaar, stoot zich aan kleinigheden en maakt
zich noodeloos boos. Als mijn metgezel maar minder slecht gehumeurd
was, zou het beter gaan. Men mist het rustige praatuurtje 's avonds
bij een kopje thee en een pijp. Alleen zijn zou beter wezen dan deze
eenzaamheid met z'n tweeën.
Onder het luisteren naar de branding begreep ik voor de eerste
maal dat verlangen, dat de wind toch bericht mocht brengen uit het
vaderland. Is dat heimwee? Toen er een paar heldere dagen kwamen,
werd alles dadelijk beter. De boot leek geriefelijker, en het groene
tapijt van het oerwoud langs de rotsen maakte meer indruk. Het was
doodstil; alleen lokte in de verte een vogel in het woud. Dan deed
het goed, in het zand te liggen en te vegeteeren, zonder gedachten,
slechts overgegeven aan de zaligheid van het bestaan.
Twee groote wilde zwijnen kwamen dien avond aan het strand en groeven
uit het zand de yams, die de inboorlingen er begraven hadden. Een
jacht, die niet slaagde, gaf ons wat beweging en afleiding. We konden
gerust ons van de boot verwijderen, want de inboorlingen waren allen
boven, in hun dorpen. Heerlijke zonsondergangen besloten heldere
dagen. Een wolkenbank bedekte half de zon, die gloeiend zich met
de zee scheen te verbinden. Naar boven schoten heldergele stralen
in den staalblauwen hemel. Daarna loste alles zich op in een zee
van vuur, en spoedig viel de nacht. De sterren blonken, eerst het
zuiderkruis. Halley's komeet was nog flauw te zien.
Des morgens was de hemel wolkenloos en doorliep alle kleuren, tot de
stijgende zon hem stralend blauw kleurde. Dan ziet men op den bodem van
de zee elken steen, ziet de wonderbare koraalbanken, de bizarre vormen
van de afzonderlijke groepen, de gedempte en toch vurige kleuren, rose,
violet en geel, dat schittert als gedegen goud. Daarop liggen groote,
blauwe zeesterren; reusachtige visschen in heldere tinten strijken
langzaam en welbehagelijk langs de klippen; kleine schieten haastig
als dol ertusschen door, sommige zuiver blauw getint. Alles ademde
welbehagen en vrede.
Bourbaki kwam met zijn broertje. Hedenavond zou het groote feest
beginnen; ik vroeg hem, of er veel varkens zouden wezen, om te worden
geslacht. "O", antwoordde hij, "dat beteekent niets; wij hebben een
mensch. Gisteren hebben we hem in het bosch gedood en hedenavond zullen
we hem opeten". Hij zei het met het kalmste gezicht ter wereld, alsof
hij het over het weêr had. Ik moest mij geweld aandoen, niet van hem
weg te gaan en keek hem ongerust in het gelaat. Hij keek verloren in
de ruimte, alsof hij al aan het maal smulde, nam een stuk kokosnoot
en rukte met zijn sterk gebit het vleesch van de schaal. Dien heelen
morgen was hij zeer vergenoegd en behulpzaam.
Des middags ging Bourbaki weer weg en twee dagen lang zagen wij geen
inboorlingen. Ze waren allen boven in het dorp bij het groote feest,
terwijl wij de dagen in doffe rust doorbrachten. Eentonigheid overal;
de zee en het strand en het oerwoud, alles werd vaal en grauw onder
de regenlucht. Wat is men toch afhankelijk van de omgeving! Een
zonnestraal kan leven brengen en onze stemming meteen verhelderen.
Den derden dag kwam Bourbaki terug, wat vermoeid en gedrukt, maar
zichtbaar tevreden. Eenige vrienden vergezelden hem. Hij bracht een
boodschap van het hoofd, waar we zeer mee waren ingenomen. Het hoofd
liet zeggen, dat hij ons welgezind was en niet ongenegen, ons boys te
leveren. Hij had echter nu nog in het dorp te doen en zou eerst over
tien dagen aan zee komen, om ons te bezoeken. Tot zoo lang moesten
we geduld hebben.
Om de tien dagen te benutten, besloten we, dadelijk naar de
Tesbelbaai in het Zuiden te gaan, om daar ons geluk met de werving te
probeeren. We hadden ook van daar een boy, Macao, aan boord, door wien
we hoopten, te zullen slagen. Bourbaki, die in de weinige dagen, die
hij thuis had doorgebracht, wat verwilderd was, kreeg verlof tot onze
terugkomst. Hij moest in dien tijd flink voor ons werken. Hij scheen
over die vacantie niet weinig in zijn schik, en dus waren we des te
meer verbaasd, toen hij kort vóór ons vertrek aan boord terugkeerde
en zich zonder nadere uitlegging verdienstelijk maakte. Wij zagen
daarin een teeken van zijn aanhankelijkheid en vergaven hem sommige
ongemanierdheden.
De wind was niet gunstig voor onze vaart. Den geheelen nacht kruisten
we heen en weer, zonder vooruit te komen. Regenvlagen streken over
de zee, en even daarna was er geen zuchtje te bespeuren. Maar in de
hoogte dreven zwarte wolken naar het westen, en ertusschen zagen we
enkele sterren in volle sterkte. Het dek was door allerlei voorwerpen
en kisten versperd, dus wist men nog minder dan anders, waar men zich
zou bergen, als men niet in de hut wou stikken. Als er geen wind is,
fluiten de boys om hem op te wekken, eentonig, onvermoeid, en zijn
vast overtuigd, dat zij den eerstvolgenden windstoot hebben uitgelokt.
De roeiboot moest ons naar onze ankerplaats sleepen, want de wind
was weer gezakt; Bourbaki juichte en ging aan het roer zitten. De
Tesbelbaai was een mooie bocht, door hooge koraalrotsen ingesloten. Er
stonden aan het strand twee mannen, die ik kon huren voor den volgenden
morgen, om mij naar de dorpen in het binnenland te geleiden. Bourbaki
en zijn vriend Macao marcheerden vroolijk wenkend weg, om den nacht
in het dorp van Macao door te brengen.
Na zonsopgang liet ik mij met Georges naar den oever roeien, om eens
in het binnenland te kijken; maar halverwege zag ik Macao aan het
strand als een bezetene heen en weer loopen, schreeuwend en wenkend,
waarbij ik, toen ik hem kon verstaan, mij hoorde toeroepen: "Bourbaki
is dood, kom en help mij!" Ik nam hem in de boot en voer naar het schip
terug. Macao trilde over zijn heele lijf, stiet wilde verwenschingen
uit en schreide. Tusschen de vingers van zijn linkerhand had hij zijn
patronen geklemd. Men kon niets verstaanbaars uit hem krijgen. Alles,
wat hij kon zeggen was, dat men tegen den morgen Bourbaki had
doodgeschoten, en dat hij zelf was gevlucht. Wij vermoedden, dat
Bourbaki wat op zijn geweten had gehad; maar achtten het toch noodig,
zijn lijk te halen. Genoegdoening te erlangen zou wel niet gaan. Macao
zei, dat het dorp dichtbij was. We wapenden ons en de boys en landden
na tien minuten. Den jongsten, een veertienjarige, lieten we achter;
hij moest met de roeiboot dichtbij het strand blijven. Zijn oudere
broer, een sterke knaap, wou ook liever in de boot blij ven, en nu
waren we nog met ons vijven. Macao liep vooruit op het smalle pad in
het oerwoud, scherp rechts en links uitkijkend.
De weg was heel slecht, glibberig op de hellingen, met veel
boomwortels, steenen, beken en hoog gras. Elk oogenblik kon een
aanval plaats hebben, maar we stelden ons gerust met de overweging,
dat de inboorlingen slecht schieten en ons wel door een niet raak schot
zouden waarschuwen. We liepen een uur en vroegen ongeduldig aan Macao,
wanneer we er nu zouden zijn. "We zijn er dadelijk", antwoordde hij
steeds. Na anderhalf uur kwam de zaak ons verdacht voor, maar we hadden
ons eenmaal eraan gewaagd en moesten het plan volvoeren. Plotseling
waren we eindelijk in een dorp. Een dozijn mannen en een half dozijn
vrouwen stonden er blijkbaar te wachten op wat er zou gebeuren. De
aanwezigheid van de vrouwen toonde ons terstond, dat de stemming
vreedzaam was. We zagen een ouden man, een bloedverwant van Macao,
zich bij ons aansluiten en wij volgden beiden naar een dorpsplein,
waar ongeveer dertig mannen met geweren stonden.
Macao sprak met hen; ze legden de geweren op den grond en voerden
ons naar twee hutten op zij. Daar lag Bourbaki dood op den rug; hij
had vóór een hut gezeten, toen men hem van achteren à bout portant
had doodgeschoten. Hij was nog opgesprongen en had willen vluchten;
maar was dadelijk neergestort. Zijn geweer en zijn patronen waren er
niet. De mannen stonden om ons heen en spraken heftig, maar blijkbaar
hadden ze geen vijandelijke bedoelingen. We beduidden hun, dat ze
Bourbaki moesten begraven, wat ze ook terstond begonnen te doen;
met toegepunte stokken groeven ze gemakkelijk in den zachten grond
een graf. Toen verlangden we het geweer en de patronen van Bourbaki
en vroegen naar de moordenaars. Er moesten twee zijn geweest. Na
eenig overleg verwijderden zich een paar mannen, onder wie een oude
grijsaard met wit haar, gewapend naar de oude zede met boog en pijlen
en een grooten knods aan een draagband.
Na ongeveer een half uur kwamen ze terug; twee mannen stonden schuw
ter zijde. De inboorlingen hurkten neer en fluisterden te zamen,
tot een van hen ons naar de beide mannen leidde. We begrepen, dat
het de beide moordenaars waren, en Georges en ik grepen elk een
aan. Ze verzetten zich, weinig; maar er volgde wel een algemeen
tumult, waarbij er waren, die de misdadigers vervloekten, maar ook
verwanten, die ze niet wilden uitleveren. Wij zeiden, dat wij met
de uitlevering van de schuldigen ons zouden tevreden stellen; anders
zouden we het oorlogsschip inlichten, en dan zou dat wraak nemen op
het heele dorp. Toen mijn gevangene zich begon te verzetten, bond ik
hem vast, en toen ik daarmee bezig was, hoorde ik een schot, en ik
dacht al, dat het uit was met den vrede, toen Georges mij toeriep,
dat de andere gevangene ontvlucht was. Hij had van de onderhandeling
van Georges met de inboorlingen gebruik gemaakt, om zich los te rukken
en in het woud te verdwijnen. Een schot had hem niet opgehouden.
De stemming werd intusschen zoo opgewonden, dat wij het maar het best
vonden, ons terug te trekken. We namen den gevangene mee en keerden
naar de kust terug. Eenige inboorlingen volgden ons. Toen we het dorp
verlieten, braken de verwanten van den gevangene in luide weeklachten
uit; ze dachten, dat we den man zouden martelen; Belni, zoo heette de
schuldige, trilde als een blad en schreide als een gestraft kind. Hij
vroeg Macao telkens, wat er met hem zou gebeuren. Macao zal hem wel
niet hebben gerustgesteld, want hij was woedend en wou tot elken
prijs zijn vriend Bourbaki wreken. Wij lieten Belni opsluiten in het
schip en deelden toen aan het dorp mee, dat wij voor den volgenden
middag de uitlevering van den vluchteling, de patronen van Bourbaki en
twee varkens verlangden. We leerden toen ook de oorzaak van den moord
kennen. Belni's broeder had zich met de vrouw van het hoofd ingelaten
en was door dezen tot betaling van eenige varkens veroordeeld. Hij was
echter arm, had geen varkens en wou zijn schuld boeten door iemand
te dooden. De ongelukkige Bourbaki kwam hem juist gelegen, en hij
stookte daarom Belni op, hem te vermoorden. De broeders praatten den
heelen nacht met hun slachtoffer en Macao, lieten zich het geweer van
den eerste vertoonen en speelden ermee. Toen Macao zich op eenigen
afstand bevond, maakten ze van de gelegenheid gebruik, om Bourbaki
in den rug te treffen en namen toen de vlucht. Daarmee was de schuld
tegenover het hoofd geboet, wat wel zeer merkwaardig mag heeten.
Nu de eerste opwinding voorbij was, kregen onze boys, die des morgens
zoo moedig waren geweest een gevoel van angst. Ofschoon ze op het water
volkomen veilig waren, dachten ze aan allerlei gevaren van de zijde
van Belni's verwanten. Macao meende, dat ze zijn vader in het dorp
wel konden opeten, en wij waren beiden ook niet recht gerust. Hier
in de Tesbelbaai konden we niet blijven, en onze werving onder de Big
Nambasbewoners gaf niets. De boys waren slechts met moeite te bewegen,
naar land te roeien, om water en hout te halen. We behielden ons de
beslissing voor den volgenden dag voor.
Des avonds haalden we Belni uit de scheepsruimte. Hij was onder een
hoedje te vangen, maar zag blijkbaar zijn schuld niet in. Nu ja, hij
had een man doodgeschoten; maar dat leek hem meer eer dan schande. De
boys bleven op een afstand; alleen Macao gaf hem te eten, hurkte voor
hem neer met haat in de oogen en onder felle dreigementen. Hij kwelde
Belni zoo wreed, dat ik den schuldige weer liet opsluiten, en wij
waakten des nachts, om te beletten, dat Macao een moord beging. Het was
een heldere maannacht. Een van de boys leed aan krampen en bleef op dek
kreunen. Allen meenden, dat hij door de bloedverwanten van Belni ziek
was getooverd, en ze wilden dadelijk wegzeilen. Den volgenden morgen
brachten wij aan boord door in afwachting van de inboorlingen. Ze
verschenen, ongeveer twintig man sterk, maar zonder den vluchteling
van gisteren; ze beweerden, dat het schot hem had getroffen, en in den
nacht was hij gestorven. Dat kon wezen en daar wij toch niets tegen
het dorp konden ondernemen, drongen we niet verder aan. Het geweer
en de patronen brachten ze ons terug en twee groote varkens. Daarmee
hoopte het hoofd, dat wij tevreden waren gesteld, wat hem betrof,
en van toen af hadden we enkel met de beide moordenaars te doen.
Daar wij den goeden wil van de menschen erkenden, verklaarden we ons
tevreden en keerden naar boord terug. De varkens werden bij Belni
opgesloten, en wij lichtten het anker en voeren noordwaarts in een
wind, die ons in vier uren den afstand deed afleggen, waarvoor we op
de heenreis vier-en-twintig uur hadden noodig gehad.
Georges besloot, naar huis te varen, omdat we bang waren dat onze
boys Belni zouden vermoorden, want als de golven bijzonder hoog waren,
hadden ze telkens gevraagd, of ze hem nu niet in zee mochten gooien. De
terugreis ging vlug; maar de golven sloegen over de boot en alles
was doornat. We troostten ons met de gedachte, dat het nu spoedig
voorbij was, en gemak en zindelijkheid leken zeer aantrekkelijk na
de ellende op de kleine boot. Wel had onze werving geen succes gehad,
maar dergelijke tegenslagen behooren tot het handwerk.
Met vreugde begroetten we de eeuwig door regenwolken bedekte kusten van
Espiritu Santo en brachten onzen gevangene heelhuids aan land. Wat met
hem zou gebeuren, was nog onbepaald. Vooreerst zou hij op de plantage
werken. Bij aankomst zagen we, dat ons oude schip voor een vierde deel
vol water stond. Gelukkig dat we er onderweg geen hinder van hadden
gehad, maar lang hadden we ons niet meer boven water kunnen houden.