Die huizen leenen geld tegen zeer hooge rente en verlangen bovendien,

dat alle waren van hen betrokken worden en alle voortbrengselen aan

hen moeten worden verkocht. De prijzen van hun goederen bepalen ze

zelf, zoodat de renten van het geleende kapitaal wel oploopen tot

dertig procent en meer.

Naast die beide categorieën van planters van fransche afkomst is er

dan nog een derde, die ook met de Nouméa-groep in betrekking staat,

maar met het eiland Nou. Men zal die later ook leeren kennen.

Nadat wij de plantage van den heer R. in voldoende mate hadden

bewonderd, waarbij hij zich iemand toonde, die elke plant kende

met naam en toenaam en overal een dor blad had af te plukken of

een takje af te snijden, voeren we verder en kwamen in den vroegen

morgen bij Tangoa aan. Op dat eilandje is de centrale school van

de presbyteriaansche zending, waarheen uit den geheelen archipel

de begaafdste inboorlingen worden gezonden, om te worden opgeleid

tot onderwijzer. Het uiterlijk van die school maakte een aardigen

indruk. De eene helft van het eiland had men ontboscht en tot groene

weiden gemaakt, waar groote boomen wat schaduw op wierpen. Op een

gedeelte ervan weidde het vee, een ander was tot park geworden, en

daarin lagen de woonhuizen van den directeur en de onderwijzers. Men

zou kunnen gelooven, een engelsch landgoed te zien. Ik gaf mijn

brieven aan den directeur af, en hij vroeg mij, of ik van plan was,

de "missing link" te vinden, wat hij heel grappig scheen te vinden. Ik

nam al spoedig afscheid.

Wij brachten aan boord een paar dagen door; maar de inboorlingen kwamen

trots talrijke dynamietontploffingen, waardoor men aangeeft, dat men

met hen handel wil drijven, niet van de bergen naar beneden. We zagen

hun vuren ver in het binnenland bij de Piek van Santo. Wij flaneerden

langs den oever en vischten.

Ik zag toen een methode van visschen, die elders ook wel wordt

toegepast,namelijk door vergiftiging van het water. Een der leerlingen

van Tangoa gebruikte de tijd van eb, om op de steenen in de poelen van

het rif een zekere vrucht kapot te wrijven. Het sap van die vrucht

verdooft na eenigen tijd de visschen, die dan onbewegelijk aan de

oppervlakte komen drijven of krampachtig in een kring rondzwemmen en

gemakkelijk met de hand kunnen worden gevangen.

Nadat verscheiden dagen in ledigheid waren doorgebracht, geen prettigen

lediggang, want het regende onophoudelijk, en aan boord van de kotter

was weinig gerief, wou ik naar het Canal du Segond terugkeeren, want

ik verwachtte met de engelsche stoomboot mijn bagage, daar ik niet

alles aan boord van de "Gallia" had kunnen meenemen, en ik wilde mij

meteen een en ander aanschaffen voor het geval, dat het mij gelukte,

personeel te krijgen.

Ik moest te voet gaan, want de kotter was nog niet klaar met de zaken,

maar ik kon voor den kleinen afstand geen gids huren. De afstand was

ongeveer vijftien kilometer, en ik besloot, alleen te gaan, hoewel

men het mij afried. Ik geloofde echter, met het kompas den weg te

kunnen vinden en in staat te wezen, met behulp van enkele paden er

mij door te slaan.

Daarom marcheerde ik dienzelfden morgen met wat proviand en een

stomp kapmes weg, eerst op een goed pad, dat zich echter spoedig in

het woud verloor. Ik volgde met het kompas de richting, maar kwam

aan een lagune, die mij tot een grooten omweg noodzaakte. Toen

volgde ik een pad, dat plotseling ophield. Ik stond voor bijna

ondoordringbaar lianen-struikgewas, waar ik met mijn stomp mes haast

niet doorheen kon. Vaak klauterde ik over stammen of moest op handen

en voeten kruipen, en dan kwamen weer meer open plekken, moerassen,

rotspartijen, kortom, ik maakte in korten tijd grondig kennis met

het beruchte woud op Santo. Maar ik had toch het gevoel, verder te

komen en was wel eens bang, dat ik mijn doel al voorbij was gegaan.

Tegen vier uur kwam ik aan een rivier, waarin ik waadde naar den

overkant; maar mijn teleurstelling was groot, toen ik zag, dat ik mij

niet meer dan vijftienhonderd meter van de op den morgen geziene lagune

had verwijderd. Dat was een schrale belooning voor de inspanning van

acht uren. Ik wou toch niet omkeeren en vervolgde mijn weg langs het

strand. Het was niet bepaald prettig loopen, daar op het strand van

die kantige stukken koraal lagen, en de uitgeslepen koraalbodem er

messcherpe punten en kanten had. Daarbij kwam ik telkens aan spleten,

waarin de branding bruiste, en waarover ik moest springen. Er brak een

koraalplaat onder mij, en ik kwam in een spleet en schaafde mij het

scheenbeen en de handen op onverkwikkelijke manier. Maar hier kwam

ik tenminste vooruit, beter dan in het oerwoud. Soms werd de oever

hoog, en er volgde een klimpartij. Tot overmaat van ramp overviel

mij de nacht, en in donker kon ik geen pas doen, zonder de kans te

loopen in een spleet te storten. Ik moest maar gaan zitten op den

koraalbodem, waar die het minst scherp leek, en wachten. Een poging,

om een vertroostend vuurtje aan te leggen, mislukte volkomen; de

nacht was pikdonker en er viel een fijne regen.

Zelden heeft mij een nacht langer geschenen, en zelden voelde ik mij

zoo verlaten. Maar de schemering bracht nieuw leven; ik klauterde

verder, zwom door verscheiden lagunen, waarin, naar men mij later

vertelde, het van haaien krioelde, en ten slotte hielden de koralen

op. Nadat ik nog twee uren lang tot het middel door het zeewater

langs de kust had gewaad, zonk ik uitgeput bij de plantage van den

heer R. aan den oever neer. De eigenaar was afwezig, en de boys

verwezen mij naar zijn buurman, waar ik juist tijdig aankwam voor

het middagmaal. Dat smaakte uitstekend na de vermoeienis, al bestond

het slechts uit vliegenden hond. Een kotter nam mij op en bracht mij

"naar huis", naar den heer Ch. Ik had de onherbergzaamheid van het

oerwoud van nabij ervaren en heb sindsdien nooit meer wandelingen

zonder gids ondernomen.

Na eenige dagen kwam de engelsche stoomboot, maar daarmee nog geen

uitzicht op verbetering van mijn positie. Ook de opmetingsexpeditie

kwam aan, maar daar ze zelf niet genoeg bediening had en vooreerst aan

de onbewoonde kust werkte, kon ik van haar vriendelijke aanbiedingen

geen gebruik maken. Ik bleef op de plantage en hield mij bezig, zoo

goed het ging, en las de heele collectie fransche romans van den heer

Ch., tot het hoofd mij omliep van al de dwaasheid.

Eindelijk kwam er dan een gelegenheid, om ten minste "wilden" te zien.

Greorges, de zoon van een buurman, had zich bereid verklaard,

voor den heer Ch. arbeiders te werven. Zooals ik al zei, is het

krijgen van werkkrachten voor den planter op de Nieuwe Hebriden het

hoofdprobleem. Vroeger had de werving plaats niet door de planters

zelven, maar door beroepswervers en was geworden tot een formeele

slavenjacht. Met hun schepen kwamen ze aan de kust, schonken sterken

drank aan de inboorlingen en sleepten ze in dronkenschap aan boord,

om ze te verkoopen, of lokten ze door allerlei voorspiegelingen op het

schip, om ze dan op te sluiten. Veelzijdig en wreed waren de middelen,

die deze zeeschuimers gebruikten. Moord en doodslag waren aan de orde

van den dag, en het was dan ook geen wonder, dat de wervers door de

inlanders gehaat werden en aangevallen werden, waar de gelegenheid

zich maar voordeed.

De betere elementen onder de kolonisten konden met die toestanden geen

vrede hebben, en de regeering ziet tegenwoordig op de werving toe;

beroepswervers zijn er nog maar weinige, daar de inboorlingen zich

alleen willen laten huren door een eigenaar van een plantage, dien ze

hebben gezien, en ieder planter vaart thans zelf op zijn zeilboot uit,

om arbeiders te zoeken, waar hij maar denkt, ze te zullen vinden.

Terwijl van engelsche zijde zeer strenge voorschriften de werving

regelen, en aan de bepalingen nadrukkelijk de hand wordt gehouden, is

het bij de Franschen, precies als bij den alcoholhandel, de regeering

drukt een oogje toe en bemoeit zich op de noordelijke eilanden zoo

goed als niet met de werving en de behandeling van de arbeiders. Er

gebeuren daar in stilte nog allerlei gruwelen, en men mag gerust

beweren, dat de slavernij er nog bloeit.

Op de volgende bladzijden zal men nog hooren van een paar gevallen;

maar ik wil hier toch een en ander over de werving vertellen.

Terwijl in vroeger jaren de inboorlingen door onervarenheid,

door reislust en begeerte naar handelsartikelen bij honderden

op de werfschepen werden gedreven, is dat tegenwoordig slechts in

weinige en zeer afgelegen districten het geval. Daarentegen kennen de

inboorlingen de toestanden, die ze zullen aantreffen, en ze kunnen,

indien ze willen, al wat hun hart begeert, zich door den handel in

copra verschaffen. Dus nu komen er heel andere prikkels in werking,

die de inboorlingen naar den arbeid drijven.

Vaak is het bij jonge mannen de wensch, naar den vreemde. te trekken,

andere eilanden te zien en uit de engte van den eigen kring te komen,

waar, vooral op sexueel gebied, strenge regels gelden, en waar de heele

stam op hen toeziet. Menigmaal is het ook de wensch, geld te verdienen

voor den aankoop van de thans zeer dure vrouwen, die ze niet kunnen

missen bij het winnen en bereiden van de copra. Dan drijft velen de

angst voor de vervolging van machtige hoofden en toovenaars, om een

toevlucht te zoeken op de werfschepen. Maar behalve aan hen bieden deze

schepen ook een schuilplaats aan allerlei misdadigers, wien de grond

onder de voeten thuis te warm is geworden, en aan de liefdespaartjes,

die aan de woede willen ontkomen van een wraakgierig bloedverwant of

een bedrogen echtgenoot. Zoo wordt het werfsysteem indirect een steun

voor de toch al voor het ras zoo nadeelige anarchie en zedeloosheid,

ja, het is daarop eigenlijk alleen gebaseerd. Dit zien de wervers wel

in, en daarom stoken ze zoo dikwijls de vuurtjes, die wanorde stichten.

Als men weet, dat er ergens in het land oorlog is, dan verzamelen zich

aan de kust de schepen, om de vluchtelingen op te nemen. Is er geen

oorlog, dan zoekt men ook wel door intriges verwarring te stichten. Men

deelt alcohol uit, die twist veroorzaakt, en neemt den volgenden morgen

de inboorlingen, die physieken en moreelen Katzenjammer hebben, aan

boord of overreedt dronken knapen tot meegaan door voorspiegelingen

van de vreugde, die hen wacht op de plantages, waar wijn en vrouwen

zijn en dansen. Lukt het ook dan niet, dan overvalt men badenden aan

het strand of drijft heele familiën door gewapenden, die veelal van

de Loyalty-eilanden komen, naar de schepen. Ook tracht men vrouwen te

lokken, om door haar de jongelieden aan te trekken. Neen, het zijn geen

mooie middelen, die het meerendeel der wervers aanwenden, en het is

gemakkelijk te begrijpen, dat ze bijna overal, waar ze zijn geweest,

een verscheurd familieleven, ontevredenheid en wrok achterlaten en

een sterken haat tegen zichzelven en tegen de blanken in het algemeen.

Er zijn vooral onder de engelsche kolonisten velen, die zich, hetzij

noodgedrongen of uit principe, in het geheel niet van zulke middelen

bedienen. Dan hebben verscheiden van die kolonisten een bepaald

recruteeringsdistrict, waar zij en hun plantages goed bekend zijn,

waar de inboorlingen dus weten, welke behandeling hen wacht, en weten,

dat ze ter rechter tijd naar huis worden gebracht en hun volle loon

meekrijgen. Die kolonisten hebben dan ook bijna altijd een voldoend

aantal arbeiders.

De techniek van het werven houdt in, dat het kleine zeilschip een

paar honderd meter uit de kust voor anker gaat liggen en twee booten

met gewapende bemanning naar den wal stuurt, waar één boot zich

dichtbij de kust ophoudt en met de aan het strand op het hooren van de

dynamietontploffing te zamen gekomen bevolking een bespreking houdt,

terwijl de andere boot verder naar buiten de inboorlingen bewaakt,

om bij den eersten aanval op hen te vuren en de eerste boot den

terugtocht gemakkelijk te maken. De blanke blijft meestal aan boord

van de zeilboot achter. Die voorzichtige taktiek is nu nog maar op

weinig plaatsen noodig, doch daar men nooit kan weten, wat de blanke

voorganger op zulk een plaats heeft uitgevoerd, en de inboorlingen

dan daarvoor op den volgende blanke wraak nemen, is het wijs, den

ouden regel te volgen.

Ik wil hiermee niet beweren, dat de inboorlingen nooit zonder

provocatie aanvallen. Dat overkwam al aan Cook op Erromango,

en hij had toch stellig nooit de inboorlingen gekwetst, op welke

manier ook. De Melanesiër echter is een bloeddorstig wezen, als hij

meent, de sterkste te zijn; maar tegenwoordig moeten stellig zonder

uitzondering alle aanvallen op werfschepen op de Nieuwe Hebriden aan

misgrepen van blanken worden toegeschreven.

Daar een van de regeeringen van het condominium zoo goed als niets

uitvoert, wat de misbruiken kan tegengaan, en aan den anderen kant

de plantages zonder voldoende werkkrachten te gronde moeten gaan,

zou het in het belang van de inboorlingen zijn, alsook in dat van de

planters, als het tegenwoordige werfsysteem geheel werd afgeschaft

en daarvoor in de plaats een arbeidersconscriptie werd ingevoerd van

wege de regeering. Daarmee zou het ras zijn gediend en de degelijke

kolonisatie eveneens.

Het werven van arbeiders is dus volstrekt geen onschuldig of gevaarloos

werk, vooral niet aan de noord westkust van Malekula, waar nog totaal

primitieve en zeer krijgshaftige en groote stammen wonen.

Georges, onze kapitein, was een merkwaardige knaap. Hij was zeventien

jaar, maar men zou hem best veertig kunnen geven. Bleek, met kleine,

grijze oogen en een wantrouwigen blik, een zwak gekromden neus,

smalle lippen, liep hij met hooge schouders en gebogen knieën altijd

blootsvoets, in een blauwen werkmansbroek, een groen hemd en met een

ouden, verweerden vilten hoed. Hij sprak weinig, en als hij praatte,

gebeurde het zoo snel en zacht, dat haast niemand hem kon verstaan

behalve zijn boys, die instinctmatig zijn bevelen begrepen. Maar

hij was een uitstekend zeeman, kende de zee op zijn duimpje en wist

zijn scheepje te besturen. Dat scheepje, drie meter breed en zes tot

zeven meter lang, was zeer geschikt voor een verblijf van een dag of

twee, drie; maar voor een reis van verscheiden weken was het totaal

onvoldoende, vooral omdat het dek door talrijke kisten en voorraden

was ingenomen, zoodat voor ons beiden slechts een kleine ruimte bij

het stuur en de miniem kleine hut overbleef. Die hut was twee meter

lang, anderhalven meter hoog, en daar waren al onze voorraden gepakt,

de kleêren, de geweren, de ruilgoederen enz. Alleen kruipend kon men

er zich bewegen, en als we met ons beiden waren, moesten we ons in

de onmogelijkste bochten wringen, om naar dit of dat te reiken.

Bij mooi weêr, als men zich op dek in de frissche lucht kon ophouden,

leek het best uit te houden, maar bij regen, en het regende zeer

dikwijls en hevig, als men zich redden moest naar de kajuit, was het

heel onaangenaam aan boord. Maar de heer Greorges had geen oog voor

dergelijke kleinigheden. Ofschoon hij alles met gemak veel dragelijker

had kunnen maken, gaf hij zich daarvoor geen moeite. Het zonne- en

regenzeil werd zoo laag gespannen, dat men er net niet meer recht onder

kon staan, en hoe irriteerend dat op den duur werkt, weet ieder die

het heeft ondervonden, terwijl het even goed anders zou hebben kunnen

gebeuren. Voor het eten had hij daarbij volstrekt geen zin. Niet enkel

had hij blijkbaar geen fijnen smaak, maar ook geen menschelijke maag,

want als hem maar het een of ander eetbaars in de hand kwam, rauw

of gekookt, etenstijd of niet, hij slikte het begeerig naar binnen,

en hij vond het een overbodige beslaglegging op zijn boys, wanneer ik

nu en dan mij wat rijst kookte of een bord liet wasschen. Zoo had hij

eigenlijk altijd gegeten, en als ik hem vertelde, dat het etenstijd

was en de maaltijd klaar stond, hulde hij zich in zijn dekens en

legde zich, zonder een woord te zeggen, neer, om te slapen.

Het gevolg van een en ander was, dat ieder van ons zijn eigen leven

leidde, wat de materiëele zijde betrof. Maar de gemoedelijkheid, die

voor de vele ontberingen aan boord wat vergoeding had kunnen geven,

ontbrak geheel. Intusschen, het ging zoo ook wel.

Sinds vele weken was het de eerste zonnige dag, toen we ons door de

strooming uit het Kanaal lieten drijven; de riemen moesten helpen,

als het al te langzaam ging. Na verscheiden uren kwamen we in de open

zee; een frissche bries kreeg vat op ons, en vliegensvlug lieten we

Santo en de kleinere eilanden Aoré, Malo, Tutuba achter ons.

Blauwe, met wit schuim gekroonde golven hieven ons op, zoodat we ver de

prachtige zee konden overzien; maar dan zonken we weer in een golfdal,

van waaruit we de nabijzijnde golven dreigend zagen naderen. Achter

ons schommelde de eene roeiboot zigzagsgewijze mee, zwevend als een

eend op het water.

In den laten namiddag naderden we de noordpunt van Malekula en

volgden dan de westkust naar het Zuiden, naar het land van de "Big

Nambas", ons reisdoel. In tegenstelling met de andere eilanden van

den archipel biedt Malekula hier niet den aanblik van een dicht, groen

tapijt. We zagen hier niet het ondoordringbare oerwoud met de wuivende

kronen, de vele schakeeringen van het groen en de veelsoortigheid

van den plantengroei, maar een nog al magere vegetatie, gras op

de koraalriffen, eenige boschjes erachter, dan schraal woud tegen

steile heuvels, op welker ruggen hoog bruingroen gras groeide. In

het grijze licht, dat door nevels brak, was het niet juist een

verheugende aanblik.

Langs een verbrokkelde koraalkust, waar nu en dan een lichtgekleurd

strand zich vertoonde, voeren we langzaam verder en wierpen tegen den

nacht het anker uit in helder water, waarin men tot op een diepte van

wel vijftien meter de wonderbare vormen van de koraalbanken en hun

diepe, geheimzinnige kleuren kon herkennen. Het water was kalm als in

een vijver, en toch bevonden we ons aan het strand van die reuzenzee,

die zich naar het Westen tot aan de Torresstraat uitstrekt.

Wolkenflarden dreven over de steile heuvels aan den oever, de

sterren schenen waterachtig; het was heel eenzaam en stil, nergens

een vuur of eenig geluid. Op het dek uitgestrekt, luisterde ik naar

de branding, die zich in de vele bochten nu eens luider, dan weer

zachter deed hooren. Het is het geweldige reinigingsproces van de

zee, het onophoudelijke vermalen en uitwerpen van alle onreinheden,

het langzame, onweerstaanbare verkleinen en vernietigen van allen

afval van het vasteland, ja, van het vasteland zelf.

De streek Big Nambas, aan welker kusten we ons bevonden, draagt haar

naam naar de grootte van een zeker kleedingstuk, dat ten deele onze

broek vervangt. In verschillende vormen is de nambas bijna in den

geheelen archipel bekend, maar nergens vindt men het kleedingstuk in

zoo kolossale afmetingen als hier. Big Nambas is nog de minst bekende

streek van de eilandengroep; bijna nog nooit heeft een blanke het

binnenland daar betreden. In tegenstelling met andere streken hebben

de inboorlingen hier nog hun strenge organisatie behouden, en dat is

waarschijnlijk de reden, waarom ze niet gedegenereerd en machteloos

zijn geworden.

Onder hen is nog de oude hoofdeninstelling krachtig, wat een waarborg

is voor de orde in hun staatswezen. Het hoofd heeft natuurlijk het

grootste belang bij het in standhouden van zijn machtsmiddelen, in de

eerste plaats bij het aantal van zijn krijgers; hij onderzoekt daarom

streng iederen moord of doodslag en iedere daad van wraak, die hem op

een krijger kon komen te staan. Evenzoo verhindert hij kindermoord,

zoodat hij, trots zijn willekeur, zijn hebzucht en wreedheid, over

het geheel voor den stam zegenrijk werkt.

Bijna overal is de eerbied voor het hoofd sterk verminderd, en het

gevolg is, dat ieder alleen voor zijn eigen belangen zorgt, en zich

recht verschaft en voordeel door wapengeweld en vergift, zoodat heele

stammen binnen een enkele generatie geslonken zijn tot op een tiende

van hun aantal. Daarbij kwamen kindermoord en veel ziekten, om het

vernielingswerk te voltooien.

Maar, zooals gezegd, Big Nambas is nog krachtig en kan de blanken op

een afstand houden. Omdat echter van daar de opgewektste en flinkste

arbeiders komen, beproeven de wervers telkens weer, er vasten voet te

krijgen, wel met weinig resultaat, maar ze winnen toch enkelen. Op onze

boot was als tolk een man uit Big Nambas, en van de vijf andere boys

waren vier van Aoba, die een heel ander type vertoonden in voorkomen

en taal, terwijl er één van Malekula bij was.

Bourbaki, zoo heette onze man uit Big Nambas op de plantage, had zich

vóór twee jaren laten aanwerven. Toentertijd was hij de moordenaar

geweest van het groote hoofd met honderd-vijftien vrouwen, en nu was

hij een zeer bruikbaar arbeidsleider op de plantage van den heer

Georges. Een gemoedelijke, vroolijke vent, met brutaal gezicht en

kleine, sluwe oogen, die zich in de europeesche kleeding zeer goed

kon schikken. Hij was een van de weinige inboorlingen, die openlijk

erkende, hoe smakelijk menschenvleesch was, en een jaar geleden moet

hij ontroostbaar zijn geweest, toen hij bij een bezoek thuis een

dag te laat kwam voor een kannibalenmaaltijd, en moet zijn vader

bittere verwijten hebben gedaan, dat hij niet een portie voor hem

had bewaard. Maar, afgezien van die smaakafdwaling, was Bourbaki een

zeer net mensch, betrouwbaar, dienstvaardig en innig verheugd, nu en

dan zijn papa en mama weer te zien. Wij hoopten, dat hij ons bij het

werven goede diensten zou bewijzen en beloofden hem commissieloon.

Toen Bourbaki zich had laten aanwerven, was het hoofd woedend geweest,

dat hij zijn beul verloor en had bevel gegeven, den werver, een

zwager van den heer Georges, te dooden. Eenige inboorlingen loerden

op hem aan het strand en schoten op hem, toen hij in zijn boot ging;

de blanke werd licht gewond, en een inlandsche vrouw, die achter hem

in de boot zat, werd gedood. De boot verwijderde zich snel. Bourbaki

vond het zoo erg niet, nu er maar één vrouw bij was omgekomen.

De morgen was donker en regenachtig. We lieten een dyamietpatroon

ontploffen en wapenden ons tot de tanden. Elk van ons had een

revolver en een repeteerkarabijn; de boys kregen een oud geweer en

vier patronen. De boot lag ongeveer tweehonderd meter van den wal;

we konden het vlakke strand overzien. Daarachter steeg de dicht

beboschte oever steil omhoog tot honderd meter hoogte.

Op het water waren wij volkomen veilig, want de inboorlingendorpen

liggen vrij ver naar het binnenland, en de menschen zelf schuwen

de zee en komen enkel naar het strand, om nu en dan tusschen het

koraalgesteente wat schelpen en mossels te zoeken. Ook bezitten ze

geen vaartuigen, in tegenstelling met de oeverbewoners uit andere

streken, die met hun primitieve boombooten met uitleggers vaak verre

reizen naar naburige eilanden ondernemen.

Wij brachten Bourbaki, die zeer er naar verlangde, zijn verwanten te

zien, naar land; op een smal pad verdween hij in het bosch met het

geweer over den schouder.

We keerden naar de boot terug en wachtten. Men mag bij het werven niet

op tijd zien, maar moet zich wapenen met veel geduld, want alleen

daardoor kan men op eenig succes hopen. De zwarten zelf hebben geen

idee van de waarde van den lijd en geen begrip van de haast, die onze

beschaving in het leven heeft geroepen.

In den namiddag verschenen eenige naakte gestalten aan het strand. Eén

van hen wenkte met een tak. Weldra kwamen er meer, en op het laatst

waren het ongeveer vijftig man; op den achtergrond, half verborgen

in het bosch, stonden eenige vrouwen, ongeveer een dozijn.

We gingen in de booten, telkens twee boys en een blanke, en naderden

langzaam de kust. De inboorlingen droegen geweren in de rechterhand

en in de linker groote yamsknollen. Ze wilden ruilen. We beduidden

hun, dat ze de geweren moesten neerleggen. Toen ze dat niet deden,

spanden wij de hanen van onze geweren en toonden ons gereed, om te

schieten. Daarop legden enkelen de wapens aan den boschrand neer,

en de anderen gingen met hun geweren zitten en keken naar ons. Toen

legden ook wij de geweren in de boot en toonden onze ruilwaren, tabak,

lucifers, aarden pijpen en katoen.

In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden (deel 1 van 2) De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 2 / 6 段