Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
De Aarde en haar Volken: Geïllustreerd Maandblad
In het Oerwoud en bij de
Kannibalen op de Nieuwe Hebriden. [1]
Naar het Duitsch van Felix Speiser.
De schetsen, die Felix Speiser tijdens zijn reis naar de Nieuwe
Hebriden ten papiere bracht, willen geen uitvoerige beschrijving
geven van de eilanden en hun bewoners. Hij nam de pen ter hand, om aan
zijn vrienden, van wier belangstelling hij overtuigd was, iets mee te
deelen van zijn indrukken. Hij heeft ernaar gestreefd, zegt hij in de
voorrede van zijn boek, bij zijn bekenden eenig gevoel te wekken voor
de heerlijke koraaleilanden en hun idyllischen vrede, voor den ernst
van het donkere oerwoud en den grimmigen toorn van den oceaan. Hij
wilde de lezers bekend maken met het eenvoudige en toch bewegelijke
leven van de inboorlingen, met hun grillig karakter, waarin men nu eens
op schuwe nieuwsgierigheid stuit, dan op verraderlijke vrees, heden op
trotsche zelfstandigheid en morgen op goedmoedige onderdanigheid. Hij
hoopte, dat uit zijn woorden mochten klinken het vleiende ruischen
der palmen en het zware grommen der branding; hij zou anderen willen
doen meegevoelen de vroolijkheid, die het klare koraalstrand wekt,
en den ernst, waarmee het oerwoud de ziel van den zwerver vervult.
Of het hem is gelukt, mogen onze lezers beoordeelen.
Den 26sten April 1910 bereikte ik Nouméa op Nieuw Caledonië met de van
Marseille komende stoomboot van de Messageries Maritimes, waarop ik
mij te Sydney had ingescheept. Vier dagen later kwam de "Pacific" uit
Sydney in Nouméa en nam mij mee naar de Nieuwe Hebriden. Nouméa maakt
geen al te besten indruk; sedert Nieuw Caledonië geen strafkolonie
meer is, nam de achteruitgang snel toe, en men krijgt in de stad den
indruk, dat ze nog in haar eigen aanleg moet groeien, zoo leêg en
verlaten doen zich de pleinen voor, zoo onverzorgd zijn de tuinen,
en zoo weinig aantrekkelijk zien de huizen eruit. Hier en daar zijn
over de trottoirs daken van gegolfd plaatijzer gespannen, waaronder
men naar stoffige winkels kan kijken, en waar op iederen hoek een
matrozenkroeg lokt. Er is een raadhuis, van hout opgetrokken, en
de residentie van den gouverneur is ook niet veel bijzonders. De
ambtenaren spelen kaart in de club en gaan vroeg naar bed, nadat ze
zich hebben laten vermaken door afgespeelde operadiva's uit Sydney
of door de voorstelling van een kinotheater.
De eenige afleiding is de maandelijksche aankomst en het vertrek van
de stoomboot uit Sydney, wanneer iedereen op de kade zich vertoont
en onbekenden toewuift met een naïeveteit, die op de verveling in
de plaats een helder licht werpt. Het was een druilerige regendag,
toen wij wegvoeren. Mismoedig stonden de passagiers op het natte dek
en keken toe, hoe de lading werd verpakt, die bestond uit deelen van
uit elkaâr genomen huizen, oude spoorrails, kisten met ingemaakte
levensmiddelen, paarden, prikkeldraad, enz. Het vertrek werd van den
middag tot den avond verschoven; de blanke passagiers, kolonisten,
soldaten, kooplieden, werden ongeduldig; maar de inboorlingen trokken
er zich niets van aan. Voor hen beteekent tijd niets; ze sloegen hun
dekens om in een droog hoekje en bleven rustig zitten droomen.
Toen we eindelijk wegvoeren, veegde de regen van de bergen af door de
lucht, en toen er daarna nevel opkwam, moesten wij het anker uitwerpen,
want de loods was niet zeker van den weg door de vele kleine eilanden
en ondiepten, die de vaart binnen het Barrièrerif zoo gevaarlijk
maken. Het was volslagen donker, en het schip rukte onrustig aan
zijn ankerkettingen. Wie niet zeeziek was, ging naar de rookkamer,
waar het gesprek natuurlijk op schipbreuken kwam, die in den laatsten
tijd talrijk waren geweest in deze wateren. Men vertelde avonturen
met haaien en roggen en sprak over cyclonen. Van tijd tot tijd ging
er één op het dek en keerde terug met een bedenkelijk gezicht, zoodat
een ongevaarlijke positie ongemoedelijk begon te worden. Ten slotte
ging men maar naar zijn hut en kon daar bij gesloten vensters kennis
maken met tropische hitte en vochtigheid.
Den volgenden dag bij het ontwaken waren we het rif al voorbij en
rolden op de zware, hooge golven, die de zuidoostpassaat over de
onmetelijke watervlakte jaagt, en een dag later deden we Port Vila
aan, de ingangshaven van de Nieuwe Hebriden op het eiland Elate. Uit
den lichten nevel van den zomermorgen kwamen de vormen van een
eiland voor den dag en de koepels van bergen, en bij het naderkomen
onderscheidde men kronen van vijgenboomen, die hoog boven het andere
groen uitstaken als kathedralen boven de huizen van een stad. Men
kon nu ook de branding zien schuimen tegen de vlakke kust, zag den
ingang van de wijde baai, herkende palmen, en onvoorziens waren we
al in de lagune, waar het water in den zonneschijn fonkelde met den
glans van juweelen. We hadden nu de vlakke landtongen achter ons, en
de bocht werd hier omzoomd door steile hellingen van koraalplateau's,
waarlangs watervallen van oerwoud neerstortten in overweldigenden
overvloed van gewassen. Er was iets spontaans in die weelde van den
plantengroei, en men werd herinnerd aan een vulkaan, waarbij de eene
rookzuil de andere schijnt te willen verdringen. Zoo scheen hier
de eene boom den anderen te willen verstikken als in de worsteling
om het leven, waarin de zwakkeren, beroofd van hun plaats, zich nog
krampachtig vastklemden aan den oever en ver daarbuiten, tot boven
de spiegelende watervlakte, terecht waren gekomen. Daar, boven het
water, welfden ze zich in ronde kruinen en vormden een prachtige
randversiering. Slechts hier en daar bleef het strand vrij, en het
blinkend witte zand scheidde het blauw van het water van het woudgroen,
zoodat het landschap in kleurenpracht straalde.
De baai vernauwde zich tot de eigenlijke haven van Port Vila, en kleine
eilanden lieten kijkjes toe op koele bochten, waar lichtgekleurde
huizen aan het strand stonden. Op het hooge plateau bij de stad lagen
grootere villa's, en in het havenbassin witte zeilschepen van de
planters. Ongeveer duizend meter van het land wierpen we het anker uit.
Zooals ons het kleurige tropische landschap aangenaam aandeed,
zoo was de aankomst van ons schip een welkome afwisseling voor de
kolonisten van Vila. Reeds kwamen uit alle richtingen witte roei- en
motorbooten nader, die om het schip rondvoeren, tot de havendokter den
toegang toestond. Vlug klauterden de wachtenden tegen het schip op, en
plotseling was er op dek een druk gepraat, gelach en handgeschud. Een
vriendelijke planter bracht mij met mijn weinige bagage naar den wal,
waar ik mij in het hôtel een kwartier zocht.
Het middelpunt van de groote plantages is Mele, maar door haar
ligging werd Port Vila handelscentrum. In den laatsten tijd echter
ontwikkelden de omliggende eilanden zich krachtiger, en Port Vila
wordt meer en meer bestuursplaats, terwijl de eigenlijke handel zich
afspeelt aan boord van de schepen. Evenmin als Nouméa gaat Port Vila
vooruit; het is een droomerige, stille plaats, waar de planters uit
Mele op postdagen wat leven brengen, en de inlanders waren laden
en lossen. Men kan hier onder matrozen en planters gestrande levens
vinden, van wie enkele hun afkomst uit betere kringen nog graag nu en
dan aan den dag leggen, maar anderen ook alle eerzucht dienaangaande
hebben afgelegd en van de eene herberg naar de andere strompelen,
waar u grammofoonmuziek en getwist uit tegenklinken.
Iets aardigs zijn de feestelijk uitgedoste vrouwen uit de
inboorlingendorpen met haar gracieusen gang, de mooie, donkere oogen
en het bakvischgegichel, die inkoopen komen doen. Ook de zeilbooten
op het water, waarin bruine mannen kwamen aanvaren, maakten een
schilderachtigen indruk. Mijn hôtel was niet veel bijzonders. Het eten
was er goed, maar men kon er zich haast niet wasschen, en de gasten
waren een zonderling zoodje. Er werd 's avonds sterk gedronken, en
gespeeld, wat dikwijls met vechtpartijen eindigde. Een vreemdeling
voelt er zich niet op zijn plaats, en men heeft geen gelegenheid,
zich terug te trekken. Toen ik het allernoodigste had uitgepakt,
beklom ik het plateau, om naar de fransche residentswoning te gaan
en mij den bestuurder voor te stellen. Het kantoor van de engelsche
residentie was toen nog op het eiland Iririki, waar ik zonder boot
niet kon komen. Het condominium heeft wel wat meer leven in de plaats
gebracht door de ambtenaren van beide nationaliteiten.
Het fransche residentshuis was een laag gebouw met een weide eromheen,
waar kippen en paarden liepen en die een kaal aanzien had. Maar van de
veranda had men een verrukkelijk uitzicht op den uitgang van de baai,
doordat de beide oevers te zien waren, die de watervlakte insloten
en hun landtongen vooruit schoven. Aan den horizon verloor zich dan
de open zee tot in het oneindige. Iririki ligt aan de overzij op den
groenen waterspiegel, en men kan gemakkelijk de goed verzorgde tuinen
onderscheiden met hun mengeling van cultuurplanten en natuurlijken
plantengroei. Daarnaast ligt de wijde haven in een druk spel van
kleuren, waarin het donkere purper van de koraalriffen door het water
te zien is. De pracht van het landschap was wel een vergoeding voor
het betrekkelijk minderwaardige van het menschenwerk.
De fransche resident, de heer Colonna, ontving mij zeer vriendelijk
en noodigde mij uit, bij hem mijn intrek te nemen, zoodat ik het
hôtel vaarwel kon zeggen tot mijn niet geringe vreugde. Ik had mij
voorgenomen, in Vila met het land en de menschen vertrouwd te worden,
daar dienstpersoneel te huren en mijn expeditie naar plaatselijke
omstandigheden in te richten. Maar de resident scheen te meenen,
dat ik goed zou doen, eerst ook op de andere eilanden rond te zien en
sloeg mij voor, hem te vergezellen op een inspectiereis, die hij over
een paar dagen ging ondernemen. Als zijn gast kon ik niet weigeren;
maar wees op de noodzakelijkheid, dat ik personeel moest huren. Men
stelde mij gerust met de mededeeling, dat ik gemakkelijk op Espiritu
Santo, het grootste eiland, waar de resident mij zou afzetten,
mannen zou kunnen vinden, en dat ik daar ook mij bij een fransche
opmetingsexpeditie kon aansluiten, wier werk binnen kort in Santo
zou beginnen.
Aldus gerustgesteld, trof ik mijn voorbereidingen voor het vertrek
en ordende mijn bagage. De resident scheen niet te weten, dat in
de haven Canal du Segond geen inboorlingen meer wonen, en dat, wat
er in de omgeving aan arbeidskrachten aanwezig is, door de planters
wordt in beslag genomen, zoodat ook de staatsopmetingsexpeditie geen
arbeiders genoeg had en mij volstrekt niet kon helpen.
Het zou het beste zijn geweest, als ik een eigen schip had zien te
krijgen; daardoor zou ik veel tijd hebben bespaard, daar ik niet
van andere schepen afhankelijk had behoeven te wezen. Nu werd ik
door transportmoeilijkheden opgehouden. Ik vond dus geen personeel,
en daar ik onbekend was met de verhoudingen op de eilanden, verliet
ik mij op den raad van den resident en vond den tocht met hem een
gelukkig toeval.
De residentieboot werd te mijner beschikking gesteld voor mijn bezoek
aan den engelschen resident op Iririki. Het uiterlijk voorkomen van
dit residentiehuis was opvallend beter verzorgd; maar de engelsche
resident was er al vier jaren, en de fransche nog slechts een half
jaar. De heer Morton King bood mij eveneens gastvrijheid aan, maar
als gast van den heer Colonna kon ik die niet aannemen, en eerst
later heb ik veel steun en raad van Mr. King gekregen, waarvoor ik
hem altijd dankbaar zal blijven. De volgende dagen had ik ook de eer,
den engelschen rechter van het condominium te leeren kennen, Judge
Alexander, en den bisschop van de katholieke zending, monseigneur
Douceré. Beiden beloofden mij steun. Onder gezellige samenkomsten
verliep de tijd tot het vertrek van het regeeringsjacht "Gallia". Het
was oorspronkelijk een wedstrijdboot, wat haar vormen nog bewezen; maar
van binnen was de boot zeer verwaarloosd; gelukkig had ze goede zeilen
en een voldoend sterken motor, die ook in tegenwind flink kon werken.
Op een donkeren Meimorgen voeren we de baai uit, de resident, de
rechter, de heer S., en de kapitein met acht politiedienaren van de
Loyalty-eilanden, die voortreffelijke zeelui waren en hier dienst
deden als matrozen en politie tegelijk. We hadden dien dag nog een
fransche plantersvrouw met haar dochter aan boord, wier bestemming
Port Havannah was in het Noordwesten van het eiland Efate.
Port Havannah is een der beste havens van de groep, omdat er
veel ruimte is, en men niet door koraalriffen wordt gehinderd. Het
eenige nadeel is de groote diepte, waardoor kleinere vaartuigen geen
ankergrond kunnen vinden. Wij ankerden er en gingen toen dadelijk op
de duivenjacht, daar de heer S. een hartstochtelijk jager was. Duiven
zijn met wilde zwijnen en enkele eenden het eenige jaagbare wild op
de Nieuwe Hebriden; maar als sport schijnt er mij een eigenaardige
geestdrift voor noodig, om er plezier in te vinden. De duiven zijn
uiterst schuw en houden zich veelal in de hoogste boomen op. Daar
kan een Europeaan ze haast niet ontdekken, en als men ze met hulp
van een inlander heeft gezien, vliegen ze meestal weg. Gelukt het,
ze van den boom naar beneden te schieten, dan is de buit gewoonlijk
onvindbaar. De inboorlingen kunnen zonder geluid nadersluipen en de
buks dichtbij den vogel losbranden. Voor mij bestond de duivenjacht
uit een vervelend wachten in het struikgewas, en het resultaat van
verscheiden uren was één of geen duif. De vette dieren leveren anders
een smakelijk hapje, dat, als het goed is toebereid, een aangename
afwisseling is van busjesvleesch.
Dezen keer had niemand van het gezelschap geluk op de jacht. De avond
werd nog besloten met een danspartij in de bescheiden woning van de
beide dames. Op de zoete klanken van een grammofoon draaide men in
het rond, en zelfs de niet meer slanke moeder kon de verzoeking niet
weerstaan en huppelde met den niet mageren resident zoo ijverig mee,
dat men voor beiden bezorgd moest wezen. Wij sliepen aan boord bij
het zachte schommelen van het schip. Soms plaste een groote visch
in het water, maar verder was het stil en drukkend warm als in een
bangen droom.
We stonden al vroeg op, om weer op de jacht te gaan, maar het
resultaat was al niet beter dan den vorigen dag. Gelukkig zeilden
we toen spoedig weg in helder weêr en een frisschen wind. Langs de
kleinere eilanden Nguna en Mataso kwam ons doel Maei naderbij en in
den laten namiddag wierpen we er het anker uit. Maei is een eilandje,
waar de inboorlingen, als op veel eilanden in de buurt, bijna geheel
verdwenen zijn. Er was daar een kleine plantage, met welker agent de
heer Colonna een onderhoud moest hebben. Toen we ons door de lastige
nauwe invaart hadden heengewerkt, om door het koraalrif den oever te
bereiken, vonden we den blanke in een half waanzinnigen toestand. Hij
beweerde, dat hij koorts had; maar de alcohol had ook een groot deel
aan zijn zonderling gedrag. De man trok de gekste gezichten, kon
slechts met moeite praten en was niet in staat, om te schrijven. Hij
zei, dat de koorts hem de macht over zijn vingers had doen verliezen.
De arme man werd uitgenoodigd, aan boord te komen soupeeren;
maar hij kende geen Fransch; de fransche beambten verstonden geen
Engelsen, en dus moest ik als tolk optreden. Dat was bij den planter,
die in het Engelsch ook niet scheen te kunnen spreken en zich in
mysterieuse klanken uitte, een moeilijk ding, te meer daar de man
trots de afgepaste portie wijn, die wij hem schonken, al meer onder
den invloed van den drank raakte en zich op het laatst beleedigend
over den resident uitliet, wat ik in het Fransch moest overbrengen,
om hem het antwoord dan weer in het Engelsch te presenteeren. Het
was lastig en komisch, en we brachten al spoedig den planter aan land
onder de hoede van zijn inlandsche vrouw en drie politiedienaren.
We rookten nog een pijpje, keken naar de uitgezette hengels, die
natuurlijk leêg waren en gingen slapen op dek. Den volgenden morgen
kwam de planter weer, nu wat handelbaarder. Hij bracht de inlandsche
en haar kind mee, dat hij wou laten erkennen. Daar de inlandsche
vrouwen vaak weer wegloopen en in het algemeen aan de belofte van
huwelijkstrouw moeilijk kunnen vasthouden, worden zulke kleurlingen
in het register opgenomen als kind van die en die, moeder onbekend,
wat den oningewijde wel vreemd moet lijken. Na voltrekking van die
formaliteit lichtten we het anker en stuurden naar Tangoa, een eiland,
dat voor het grootere Epi lag. We kwamen daar nog in den voormiddag
aan en begaven ons dadelijk op weg naar het binnenland. Daarheen voert
een goed onderhouden rijweg, de eenige in den archipel buiten Vila.
Er was juist een heftige strijd over het recht op dien weg. De
protestantsche zendeling, de heer M., had dien weg door de inlanders
laten aanleggen en verlangde van een planter, den heer E., die in het
binnenland woonde, tolgeld voor elken zak copra, dien deze naar de
kust voerde. De planter was bereid, zijn aandeel aan het onderhoud
van den weg te betalen, maar weigerde, de hooge tol te betalen. De
inboorlingen, waarschijnlijk opgezet door den zendeling, versperden
hem daarom den weg en dreigden, zijn huis in brand te zullen steken,
als hij niet toegaf. Wij kwamen juist op tijd, om den twist voorloopig
bij te leggen. Daarna keerden we naar de kust terug, aten in de
schaduw van een tent en flaneerden het overige van den dag.
Tangoa is een van de weinige eilanden, waar de inboorlingen niet in
aantal achteruitgaan. Daar ze allen bekeerd zijn, schrijft de zendeling
zich de eer toe, dit verheugende feit te hebben teweeggebracht. Al
moet men zijn werk waardeeren, toch schijnen andere oorzaken te hebben
meegewerkt. Het is namelijk opmerkelijk, dat op andere, juist zoo
gelegen kleine eilanden, de bevolking zich ook weet te handhaven,
zooals op Paauma, Vao, Mele, zonder dat de zending tot voor korten
tijd er voet heeft gevat.
Na een prachtigen, helderen nacht voeren we vroeg naar Epi, het
grootere eiland ten noorden van Maei. De lucht was betrokken geworden,
en een grauwe nevel hing over het land. Waar de bekoring van het
landschap zoo geheel op kleuren berust, heeft een verandering in
het weêr, in atmosfeer en verlichting, ten gevolge, dat hetzelfde
eiland er den eenen dag idyllisch kan uitzien en den anderen dag
alle aantrekkelijkheid kan hebben verloren. Onze tocht werd dan
dadelijk tot een plichtreis, waar hij eerst een prettig uitstapje
was geweest. Daarbij was de stemming gedrukt door ongesteldheid van
den heer Colonna, die koorts had en last van zijn lever en zich met
allerlei medicamenten er bovenop hield.
Op Epi wordt hoofdzakelijk koffie verbouwd door een aantal fransche
planters; we hielden er ons niet op en voeren verder naar Port Sandwich
op Malekula. We hadden in den nacht doorgevaren voorbij Ambrym. De
roode gloed van den daar aanwezigen vulkaan bescheen de rookzuil,
die overdag alleen een zware damp scheen. Port Sandwich is na Vila de
drukst bezochte haven van den archipel en heeft, omdat het zulk een
centrale ligging bezit, menig schip in een cycloon een schuilplaats
verschaft. De ingang is smal; de baai wordt verder binnenwaarts breed
en dringt ver naar het Zuidwesten binnen. Op de ankerplaats is men
geheel door land omringd en meent, in een binnenmeer te wezen, want
overal ziet men de oevers begroeid met dichte bosschen, waarvan de
begroeide bodem tot het water reikt.
De leuze was ook hier terstond bij aankomst de duivenjacht. Ik gaf er
echter al gauw de voorkeur aan, met den zoon van den aanwezigen planter
de in de nabijheid gelegen inboorlingendorpen te bezoeken. Hier zag
ik voor de eerste maal de echte, werkelijke wilden. Niemand, die iets
voelt voor dergelijke dingen, zal de plechtigheid ontkennen van het
oogenblik, als hij voor het eerst den onvervalschten natuurmensch voor
zich ziet. Gebeurt dat in het oerwoud, dat zelf al een natuuropenbaring
is, dan kan het zijn, dat de donkere, naakte inboorling plotseling
opduikt, nadat hij onhoorbaar door het struikgewas is gedrongen. De
takken uit elkaar wringend, staat hij op het smalle pad vóór ons, wij
verbaasd, hij schuw. Slechts weinig steekt hij af tegen het groen van
de omgeving; hij is verwant aan de omringende natuur, maakt er deel
van uit en lijkt ons een vreemd wezen, tot een woord den ban breekt,
iets van herkennen over zijn trekken glijdt en wij den mensch in hem
beginnen te zien.
Zoo herbergt het eindelooze, ongastvrije woud, zonder wegen of open
plekken, zonder zon en licht, de dichte wirwar van lianen en stammen,
menschen van ons eigen maaksel! Het lijkt ons als een wonder, dat in
die diepten, die als een groene, onpeilbare zee zijn, menschen kunnen
leven, en men kan het van vroegere geslachten begrijpen, dat ze de
verwantschap met de boschbewoners loochenden, want nooit doet zich de
inboorling primitiever voor, dan als hij door het woud trekt. Naakt
met enkel den gordel van boomschors en den schaamdoek, met woest,
krullend haar en veêren als tooi, enkel voorzien van pijl en boog,
doet hij zich weinig vriendelijk voor, en plotseling heeft het woud
hem weer opgeslokt; de groene wand is weer gesloten, en ons oog en
oor kunnen hem niet vinden.
Anders is het, als we zijn woning betreden of de dansplaats met
de groote trommels, de geheimzinnige steenen tafels, de beelden en
palen. Uit een hut kruipt langzaam een man, en uit het bosch naderen
ze uit woningen, die wij eerst niet eens hadden bemerkt. Daar staan
vrouwen en kinderen in vreesachtige verbazing, tot er een levendig
gesprek begint of een zacht gefluister over den vreemdeling. We zijn
midden in het leven, in een drukke menschenkolonie, waar het in veel
opzichten toegaat als bij ons. Dan heeft het oerwoud zijn sluier
opgeheven; we hebben het heiligdom betreden, en de ongastvrijheid
van een vijandige natuur is verdwenen.
Zou misschien de vaak genoemde eenzaamheid van het individu in de
groote steden niet een symptoom van grooter wreedheid en hardheid zijn
dan de afgeslotenheid van den natuurmensch, die met de zijnen in zijn
eigen kringetje leeft, waar hij gebieder is? Wij verheffen ons dikwijls
op onze heerschappij over de natuur; maar is die niet een vlucht eruit,
omdat haar krachtigste uitingen ons schrik aanjagen? Wij kwamen niet
in nadere aanraking met de bewoners en voeren den volgenden dag langs
Malekula's oostkust verder naar het Noorden.
Voor de kust liggen hier reusachtige koraalriffen, zoodat de
branding een paar mijlen ver in zee begint. Die riffen zijn een
samenhangende massa van verbrokkeld koraalgesteente, dat al verder
in zee vooruitgroeit. De oppervlakte is effen, ongeveer ter hoogte
van den laagsten waterstand, zoodat ze bij eb haast droog ligt. Dan
kan men droogvoets op het rif loopen; maar men moet de vaak breede
riffen aan den buitenkant eerst passeeren. Die zouden de geheele kust
spoedig insluiten, als niet overal waar zoet water de zee bereikt, een
opening in den gordel was gelaten, terwijl ook hier en daar grootere
einden van den oever vrij zijn gebleven. Het groeien van de koralen
in de open zee heeft de ingangen van de baaien vernauwd, maar voor
kleine vaartuigen zijn ze bruikbaar gebleven en vormen uitstekende
ankerplaatsen, omdat daarbinnen de branding zich niet doet bemerken.
De invaart in die strandbekkens is vaak zeer lastig. Toch bracht onze
kapitein het er goed af en voerde ons schip in een ruime lagune achter
het Eliza-Maryrif, zoo genoemd naar een groote schoener, die er voor
jaren strandde. Nog lagen er groote balken en stukken ijzer op het rif,
half overgroeid door koraal, en daarnaast hoopen ballast en steenen,
waar latere geologen nog wel voor kunnen staan als voor een raadsel.
Men had mij de jacht op het droge rif als bijzonder prettig
afgeschilderd, en we maakten ons daarom den volgenden dag klaar, om
bij eb op de wijde vlakte avonturen te beleven. Op het rif had zich al
eenige plantengroei afgezet, voornamelijk mangroven, die zich op hun
luchtwortels boven den hoogwaterstand trachtten te houden. Ofschoon
er voor mij niets te jagen viel, was het waden door het stijgende,
lauwe water een genoegen, omdat ik er kennis kon maken met een wereld
van onbekende dieren. Er waren holothuriën, die geel of purperkleurig
als worstjes in de poelen lagen en door de Chineezen worden gegeten,
waarom ze een kostbaar uitvoerartikel zijn. Groot was het aantal
kleurige vischjes, die in de plassen verschrikt heen en weer schoten,
evenals dat van de wormen, de zeesterren en polypen. Toen het water
hooger steeg, gingen we aan boord en zeilden verder naar Vao en van
daar verder noordwaarts, voeren door de Bougainvillestraat met haar
lastige stroomingen en wierpen des middags het anker uit in de haven
Canal du Segond in het Zuidwesten van het grootste eiland der groep,
Espiritu Santo of alleen Santo.
Het eigenlijke Canal du Segond is een lange, smalle inham, gevormd
door de kust van Espiritu Santo en door die van de kleinere eilanden
Aore en Malo. De lengte is ongeveer acht mijlen en de breedte op de
smalste plaats slechts drie vierde mijl. Aan de oevers, die aan de
Société Francaise des Nouvelles Hébrides behooren, woont een ongeveer
honderdvijftig zielen tellende kolonie van fransche planters. Men heeft
er een goede haven, maar die, helaas, niet zeer centraal is gelegen,
en ook gaat er een sterke strooming in het kanaal. De oevers zijn
vlak en laten de monding vrij van de Sarakatta, een groote rivier,
die in het binnenland van het eiland ontspringt.
Die rivier is een bezienswaardigheid, en een vaart van de monding
stroomop maakt een diepen indruk. De plantengroei om het Canal du
Segond is de allerweelderigste van de eilanden, en de rivier snijdt
direct in het oerwoud, zoodat men tusschen twee hooge woudmuren
vaart. Geluidloos glijdt het water voort; geluidloos is het woud,
en slechts zachtjes plast de boot of slaat een visschestaart het
water. Altijd nieuw en verrassend is de afwisselende plantengroei en
zijn de kijkjes bij de verschillende bochten van den stroom. Als in
een droom glijdt men dan weer den stroom af en behoudt een liefelijke
herinnering te meer.
De resident stelde mij voor aan het planterspaar, den heer en mevrouw
Ch., en verzocht voor mij huisvesting. Zijn wensch was voor hen zoo
goed als een bevel. Ze hadden een jaar geleden een weelderig leven in
Parijs verwisseld voor het plantersbestaan op de Nieuwe Hebriden en
hadden, daar ze een oude plantage van de Societé des Nouvelles Hébrides
hadden gehuurd, dadelijk een huis gereed gevonden, anders dan de
overige kolonisten, die de eerste grashut voor zichzelf moeten bouwen
en vaak eerst na jaren zich een behoorlijk huis kunnen veroorloven.
Toen ik mijn kwartier had betrokken, voer de resident in de "Gallia"
weg, en ik bleef achter aan den rand van de wildernis.
Wat er nu volgde, was een wachtperiode van twee maanden, de eerste
van vele volgende. Daar ik geen dienstpersoneel had, kon ik niets
degelijks beginnen, en van de inboorlingen kreeg ik heel weinig te
zien. Maar wel kreeg ik een goeden kijk op het leven van een, zij
het dan ook slecht geleide, plantage.
De heer Ch. had bij de plantage ongeveer dertig inboorlingen
overgenomen en trachtte de verwaarloosde aanplantingen weer
bruikbaar te maken. Veel hectaren stonden vol koffieboomen, maar
bij de voortdurende wisseling van beambten van de maatschappij
was het plantsysteem zoo vaak veranderd, dat er niet veel van den
oogst terecht kwam. Ieder nieuw aangestelde had het werk van zijn
voorganger laten liggen en had nieuwe aanplantingen aangelegd. In
een oogenblik zijn zulke oude aanplantingen overgroeid, zoodat hier
de koffieboompjes bij duizenden tusschen het onkruid en het hooge
geboomte stonden te worstelen om licht en lucht en geen vrucht meer
droegen. Men kan het haast niet gelooven, dat in veertien dagen op
een glad gemaaiden grond weer meterhoog gras kan staan, of dat in
zes maanden een gewiede aanplanting weer dicht bosch met stammen van
een vinger dikte draagt. Alleen de planter weet, dat de overgroote
weelderigheid zijn grootste vijandin is, en dat hij meer arbeid moet
besteden aan het schoonhouden van de plantage dan aan het eerste
uitroeien van het oerwoud en het zetten van de jonge planten.
Er was dus voor dezen planter veel te doen, wilde hij de koffieboomen
weer doen dragen, en om toch dadelijk wat te verdienen in den tijd,
voordat de koffie een opbrengst leverde, wat eerst na twee of drie
jaren te verwachten was, deed hij als alle planters en zaaide maïs,
die in drie maanden al vruchten levert. Zijn arbeiders, kroesharige,
donkere, in lompen gekleede kerels, waren dan ook bezig, de een
voet lange maïskolven te plukken. Met onverschillige hand wierpen
ze de goudgele vruchten over hun rug op den grond; daar werden ze
door eenige vrouwen opgezocht, in zakken gedaan en naar de loods
aan den oever gedragen. De heer Ch. wekte de menschen op, voort te
maken, daar de maïs voor de verzending gereed moest wezen, tegen dat
de binnen enkele dagen te verwachten "Pacific" zou aankomen. Bij de
groote vochtigheid van het klimaat kan men de waren niet lang laten
liggen, zonder dat ze verrotten, vooral niet in eenvoudige loodsen
of open ruimten onder daken van palmbladeren.
De "Pacific", waarop gewacht werd, was een engelsche stoomboot, de vlag
voerend van het groote australische handelshuis Burns, Philp en Co uit
Sydney, dat ook met andere eilandengroepen relaties onderhoudt. Die
stoombooten doen eerst de Lord Howe- en de Norfolkeilanden aan, dan
Port Vila, de ingangshaven van de Nieuwe Hebriden, om van daar in een
rondvaart van vier weken alle grootere plantages van de groep en bijna
alle eilanden aan te doen. Door een aanzienlijke rijkssubsidie is de
maatschappij verplicht tot den postdienst, maar drijft buitendien
een levendigen handel met de planters en kooplieden. Aan boord van
de schepen is een ambtenaar van de maatschappij, de zoogenaamde
supercargo, die de producten van de kolonisten koopt en hun
daarvoor waren levert, ruil- en handelswaren voor het verkeer met de
inboorlingen, alsook alles, wat ze zelf noodig hebben. Ook brengt
hij alle bestellingen over van de blanken naar het handelshuis te
Sydney, bestellingen van allerlei aard, van naainaalden tot paarden
en motorbooten toe.
Een groote voorraad goederen wordt altijd aan boord meegenomen, vooral
dingen van dagelijksch gebruik, zoodat men daar een soort van warenhuis
heeft en alles kan uitzoeken, wat men aan levensmiddelen en kleeding
behoeft. Daarbij wordt gaarne crediet verleend aan beginnende planters,
dat zijn menschen, wier plantages nog niets opbrengen, waarvoor dan
de planters de verplichting op zich nemen, al hun producten later
aan Burns en Philp af te geven, en wat ze noodig hebben, ook van
die firma te betrekken. Zoo komt het, dat veel planters in schulden
steken bij Burns, Philp en Co, en deze, omdat er geen concurrentie
is, de prijzen voor copra en andere producten kunnen vaststellen. De
firma is dus een belangrijke machtsfactor op de eilanden.
Anders is het gesteld met de fransche stoomvaartlijn der Messageries
Maritimes. Door een groot subsidie van de regeering ondersteund, is
die lijn alleen postdienst en geeft zich niet af met handel. Het mooie
schip vaart in drie weken van Sydney naar Nouméa en Port Vila, bezoekt
drie planterscentra van de groep, om de eilanden al na drie weken te
verlaten en langs dezelfde route naar Sydney terug te keeren. Die
lijn vormt daardoor de snelste en ook de geriefelijkste verbinding
met Australië in acht dagen, terwijl de engelsche stoombooten voor
de reis elf dagen noodig hebben.
Buitendien circuleeren nog verscheiden kleine stoombooten
en zeilschepen door de groep en trachten door hun komst in de
tusschenpoozen tusschen de australische booten wat te verdienen en
den kolonisten van dienst te zijn.
Bij het wachten op de boot wordt de oogst, om bederf te voorkomen,
vaak tot het laatst uitgesteld, en als het dan regent, moet er weer
uitstel volgen, zoodat er op het laatst een zenuwachtig haasten
heerscht op de plantages, want als de producten niet klaar zijn,
om te worden ingeladen, blijft alles liggen, en de heele oogst is
verloren. Zoo moest de heer Ch. de helft van het veld, circa honderd
zakken, ongeplukt laten, daar hij ze niet meer verwerken kon. De
vochtigheid is juist aan het Canal du Segond verbazend groot; er
verloopt haast geen dag zonder regen.
Wij stonden op het kleine koraalstrand, dat de oevers van het kanaal
omzoomt. Onze kleêren waren doorweekt van den regen, dien we hadden
meegenomen van het gras en de struiken van de plantage. Het water
leek slaperig en dik; alles rook modderig, en bruine regenwolken
kwamen aandrijven uit het midden van het eiland over de bergen
en het oerwoud. Door de zware lucht druilde een fijne motregen,
die alles doordrong. De messen in onze zakken gingen roesten, en
de lucifers wilden niet branden. Het was trouwens al maanden zoo,
en men behoeft zich niet te verwonderen, dat in die omstandigheden
de malaria haar slachtoffers maakte. De heer Ch. zag er na een jaar
al uit als een verlorene, broodmager, geel en uiterst zenuwachtig,
en met zijn vrouw was het al niet beter gesteld. Zij was een dame
uit de beste kringen, een Fransche, die haar man was gevolgd en met
hem voor zijn fouten boette. Ze hield zich dapper, kookte en waschte
en vervulde de plichten van een plantersvrouw, terwijl ze vroeger
zich in het geheel niet met de huishouding bemoeide. Tot steun had
ze enkel een inboorlingenvrouw, die weinig uitrichtte.
We keerden terug naar het eenvoudige houten huis, dat ongeveer
tweehonderd meter van den oever verwijderd stond. De zwarte dekte juist
de tafel voor den avondmaaltijd, wat haar blijkbaar veel moeite kostte
en hoofdbreken, maar welke bezigheid ze verrichtte met kinderlijke
zorgvuldigheid en onder het uitstooten van moeilijk verstaanbare
inlandsche klanken en veel zuchten. Het was een gedrongen vrouwtje uit
het Noorden van Malekula, waar het ras leelijk is. Een laag voorhoofd,
kleine, diepliggende oogen en een mond als een snuit gaven haar een
dierlijk voorkomen. Daarbij was haar kleine hoofd kaalgeschoren, en
in haar mond ontbraken de middelste bovensnijtanden als bewijs, dat
ze eenmaal getrouwd was geweest. Wij mannen maakten ons vaak vroolijk
over het arme schepsel, maar voor de huisvrouw werd haar goedwilligheid
slechts een kale troost voor haar gebrek aan geoefendheid.
Men kan trouwens niet ontkennen, dat de vrouwen van deze eilanden,
waar ze maatschappelijk laag staan, niet zoo leerzaam en intelligent
zijn als de mannen, omdat ze van der jeugd onderdrukt worden en tot
machinalen arbeid opgeleid. Maar in dien lichamelijken arbeid zijn ze
krachtig en flink en vlijtiger dan de mannen. Na het eenvoudige maal
van vleesch uit een bus, yams en bananen kwam de voorwerker, iemand,
die voor eenige jaren nog een echte wilde was uit het zeer gevaarlijke
en ook nu nog niet ontsloten noordelijk district van Malekula. Ook
zijn hoofd was kaalgeschoren met uitzondering van een plek boven het
voorhoofd, waar de mode een pruikje haren wil zien. Hij was welgebouwd
en zag er goed gevoed uit, terwijl hij zich met natuurlijke beleefdheid
bewoog. Hij had iets vriendelijks in den blik en hij sprak met zachte
stem. Zijn lijf leek in het lampenschijnsel een bronzen standbeeld.
De heer Ch. zei hem, dat de menschen dien avond verder moesten werken;
maar vooraf wou hij hun een glas wijn geven ter opwekking. Aan alcohol
zijn de inboorlingen verslaafd, en gewetenlooze kooplieden maken daar
misbruik van. Wel is het afgeven van alcohol aan inlanders verboden
bij de wet van het condominium; maar van franschen kant wordt daar
niet de hand aan gehouden. Vandaar dat er niet weinig planters zijn,
die groote sommen door den alcohol verdienen en met hun handel den
ondergang van de inboorlingen bewerken. Anderen gaan daarbij indirect
te werk, door namelijk elken Zaterdag aan de zwarten wijn en jenever
te geven, waardoor dezen bij hen in schuld raken en vaak hun heele
weekloon verdrinken. Willen ze dan na afloop van hun contract naar
huis terug, dan wordt hun duidelijk gemaakt, dat zij bij hun meester
nog diep in de schuld staan en minstens nog een half jaar moeten
dienen, om hun schulden af te doen. De arme kerels drinken natuurlijk
verder en komen nooit uit de schuld en nooit naar huis. Deze praktijk
dateert nog maar van de laatste jaren en is een gevolg van het gebrek
aan werkkrachten, maar tevens is ze een manier van slavernij. Zoo'n
arbeider is namelijk zoo goed als rechtloos, omdat de blanken niet
tegen elkander zullen getuigen, en als er al eens een ambtenaar kwam
ter contrôleering, wat bij de Franschen haast nooit gebeurt, dan
kan de een of andere schriftuur gemakkelijk worden voorzien van een
kruisje, dat, onzinnig genoeg, als onderteekening van den inboorling
wordt erkend, en als document tegen den zwarte worden gebruikt.
Mijn gastheer behoorde niet tot die klasse van planters; zijn
europeesch geweten was nog wakker. Maar het moet gezegd, dat hij,
helaas, zich ook hierin heeft geacclimatiseerd en later wel dingen
heeft gedaan, die hij als socialist eigenlijk niet zou kunnen
verantwoorden. Het afgeven van alcohol als medicijn aan zwarten,
dat geoorloofd is, maakt het misbruik maar al te gemakkelijk.
De arbeiders waren dan ook dadelijk bij de hand, en ieder wachtte
begeerig, tot zijn beurt kwam; eenigen dronken haastig, anderen
met kleine slokjes als kenners; maar allen droegen zorg, zich ter
zijde te wenden bij het drinken, net of ze een soort van schaamte
gevoelden. Daarna gingen ze lachend aan het werk, en de zieken
verschenen ten tooneele. Het waren meest tuberculeusen, verkouden
menschen, menschen met verteringsbezwaren, koorts en infecties, en men
kan nagaan, dat de behandeling al heel primitief en ondoelmatig is. Er
wordt wat gewerkt met likkepotjes, patentmedicijnen en universeele
geneesmiddelen, en de blanken wagen zich er maar aan, want de goede
natuur geneest gelukkig veel, ofschoon de mensch haar wel eens in de
wielen rijdt.
De heer Ch. heeft koorts, maar wij gaan toch naar de werkloods. Het was
pikdonker, en de lucht drukkend als in een warme broeikas. De branding
kon men hooren bruisen, en de regenwind zwiepte het oerwoud. Nu en
dan kraakte er een zware tak. Al uit de verte klonk het geluid van
de machine, die de maïskorrels uit de kolven haalt. Twee aan twee
draaien de arbeiders aan de drijfraderen, die hun amusement schijnen te
verschaffen, want hoe sneller en luider het gaat, des te onderhoudender
schijnen ze het te vinden. De paren zijn met zorg uitgekozen, en het
is een eer, zoo lang mogelijk en zoo krachtig mogelijk te draaien,
waarbij ze elkander met geschreeuw aanvuren. Het leek, alsof ze op
een dansfeest waren, waar ze ook den heelen nacht kunnen springen en
huppelen onder gelach en geschreeuw. Zoo kon men alleen den werklust
begrijpen, die allen had aangegrepen, en hun verlangen, om maar weer
aan de zware raderen te mogen draaien.
Wij gingen bij den trechter staan en gooiden de groote kolven
tusschen de raderen. Er waren reuzenexemplaren bij, waarvan het haast
jammer was, ze te vermorselen. Maar onverbiddelijk gingen ze in de
machine, werden door de tanden gegrepen en onder knarsende ratels,
verwreven. Een heldergele stroom van maïskorrels en een armzalig dun
kolfje rolden uit de machine. Dat laatste wordt door de arbeiders op
zij geworpen, en er hoopt zich bij de machine een berg van maïskorrels
op. Met emmers worden de korrels naar de zuiveringsmachine gevoerd,
waar een systeem van zeven alle onreinheden verwijdert, waarna men
de maïs in zakken pakt, ze dichtnaait en merkt.
Tegen middernacht stond een statige rij prachtig volle zakken in de
loods, en de heer Ch. gaf het sein tot ophouden, waarna de arbeiders
gingen slapen. Maar de meesten, door den dansduivel bezeten, wilden
niet van ophouden weten, en toen wij door een stofregen naar huis
gingen, hoorden we de machine weer dreunen. De heer Ch. was op van
de koorts, en vermoeid legden we ons te bed. Den volgenden morgen om
zes uur begon het werk in de koffie, en in den nacht was weer de maïs
aan de beurt. Dat duurt zoo drie dagen. Dan zijn de menschen doodmoe
en als lamgeslagen.
Op een morgen kwam een inboorling aan het huis en meldde, dat er "men
bush" waren, menschen uit het binnenland. We gingen op de veranda en
zagen magere gestalten met zware haarvlechten met lichten tred over
het smalle pad naderen. Achter hen op eenigen afstand volgde een heele
schaar, die bij het laatste heestergroepje op den grond gingen zitten
en schuw en opmerkzaam rondkeken, terwijl de eersten wantrouwig het
huis naderden. Bijna allen droegen geweren, oude Snidergeweren, die
altijd geladen en gespannen zijn. De mannen bleven een poosje stom
bij de veranda staan, tot eindelijk een van hen in gebroken "pidgin"
Engelsch een woord mompelde. Hij duidde de waren aan, die hij en
zijn vrienden wilden koopen, messen, bijlen, patronen, kruit, tabak,
aarden pijpjes, lucifers, katoen en glazen kralen. "All right", zei
de heer Ch., en eenige mannen haalden van de achtergeblevenen keurige,
voor dit doel van palmbladeren gevlochten manden, vol copra.
Ieder, vooral de vrouw, doet mee aan het dragen, en de last komt vaak
van ver uit hun dorpen en moet over slechte wegen worden vervoerd soms
dagen lang, om de gewenschte artikelen te erlangen. De manden werden
gewogen en de ervoor afgegeven hoeveelheid waren voor iederen korf
bepaald, waarbij de blanke hier een winst van honderd tot driehonderd
procent opstrijkt. Op andere eilanden moet hij zich tegenwoordig met
dertig procent tevreden stellen. Ieder stuk wordt door de zwarten
onderzocht; elke pijp geprobeerd of ze wel wil trekken; de lucifers
afgestreken, of ze willen branden, en de scherpte van de messen wordt
beproefd, terwijl de schuwe menigte op den achtergrond met gespannen
opmerkzaamheid toeziet.
Toen de langwijlige ruil was afgeloopen, keerden de afgezanten terug;
het gezelschap stond fluisterend op en was in een wipje verdwenen. In
het dichtstbij zijnde bosch lieten ze zich neer, verdeelden de
inkoopen, die bestonden uit misschien een dozijn pakjes lucifers,
twee kilo tabak, twintig pijpen, een mes, een paar gordels en een
pak katoen, geen schitterende vergoeding voor den bezwaarlijken
tocht. Meestal overnachten ze dan nog in de buurt onder overhangende
rotsen, zoo maar op de steenen, gelegerd om een groot vuur, kauwen
wat scheepsbeschuit, die ze hebben gekocht en keeren des morgens
terug. Vaak hebben ze een beetje geld, als ze een paar dagen bij
een blanke hebben gewerkt. Ofschoon ieder planter een winkel heeft,
koopen ze toch veel liever bij zijn buurman uit een vaag, maar niet
volkomen ongemotiveerd wantrouwen.
Voor een werktijd van langeren duur verhuren ze zich zelden en enkel,
als ze een grooter voorwerp willen koopen, meestal een geweer,
waar zonder de inboorling zich niet graag ergens vertoont. Dan
werken gewoonlijk een aantal mannen samen voor een enkele, die hen
later naar inlandschen trant voor de hulp schadeloos stelt, door hun
varkens ten geschenke te geven of hun op andere wijze diensten te
bewijzen. Op de plantages zijn ze vreesachtig, wantrouwend en vaak
lui, maar ongevaarlijk, zoolang men ze niet hindert of prikkelt. De
heer Ch. had lang achtereen al aan dertig van zulke daglooners
werk gegeven, tot eens één van hen in de nabij zijnde rivier viel,
hangen bleef tusschen geknikt bamboe en, daar hij niet kon zwemmen,
verdronk. Volgens de inlandsche rechtsbegrippen was dat de schuld
van den heer Ch., en hij had voor den doode boete moeten betalen,
wat hij uit onbekendheid met de volkszeden niet deed.
Eerst was er algemeene ontsteltenis onder de vrienden van den
gestorvene; niemand wou meer naar de rivier gaan, en spoedig trokken
de menschen af, verschenen na een paar dagen met geweren en zwierven
om het huis, om bloedwraak te nemen. De heer Ch. werd door de
andere arbeiders, die van Malekula herkomstig waren, gewaarschuwd,
anders zou hij stellig verraderlijk vermoord zijn. Hij wapende
zijn lieden en ging zelf nooit ongewapend uit het huis; maar toch
duurde de onbehagelijke toestand eenige weken, eer de inboorlingen
tot kalmte waren gekomen en verdwenen. Voortaan kwamen nu echter ook
geen arbeiders meer.
Men kon trouwens aan deze "men bush" geen vertrouwen schenken. Thans
waren ze nog onder den indruk van een goed geslaagde strafexpeditie van
een paar oorlogsschepen in het vorige jaar, toen eenige inboorlingen
een ouden, goedmoedigen planter, die de inboorlingen van alle blanken
wel het allerbeste had behandeld, plotseling doodgeschoten hadden
en zijn beide dochters met bijlen hadden geslagen, om zijn, naar ze
meenden, welvoorzien wapenmagazijn te rooven. Ze hadden echter niet
veel gevonden en moesten hun daad met het verlies van hun dorp en
hun have en goed boeten.
Den derden avond was nu alles klaar voor de verzending. We zaten nog
aan den avondmaaltijd in de gewone zware, vochtige lucht. Plotseling
klinkt een lang gefluit: "De Pacific!" Alles springt op in blijde
verrassing, want de stoomboot brengt een beetje beschaving, en haar
aankomst is het besluit van een drukke week, de hoofdgebeurtenis aan
het Canal du Segond, want men rekent hier niet naar maanden, maar per
"Pacific".
Alles snelt naar het strand en zet op bepaalde punten lantaarns
neer, om het schip de ankerplaats te wijzen. Dan gaat men in huis
terug, trekt een nieuw, wit pak aan en wekt de arbeiders uit den wel
verdienden slaap. Ze komen langzaam en nog half in den dut en weten,
dat hen een zware nacht wacht door het laden van de zakken in de
boot. Intusschen komt het schip snel nader, kolossaal en feestelijk
in de duisternis; dan zoekt het langzaam naar de plaats, waar het
anker moet vallen, en na een oogenblik ligt de lange rij van helder
verlichte vensters rustig op het water, en de spiegeling schommelt
onregelmatig op de golven door het zwart van den nacht. Dan duiken
ook al uit alle richtingen de bootslantaarns op van de aanvarende
planters, die hun lading opgeven en de post afhalen, om aan boord
een genoegelijken avond door te brengen.
Er waren dezen keer nog een paar reizigers aan boord, planters van
andere eilanden, die naar Vila, Nouméa of zelfs naar Sydney wilden,
en spoedig was men aan het drinken en spelen, waaraan eerst een eind
kwam, toen de rooksalon gesloten werd. Den heelen volgenden dag bleef
de "Pacific" in het Kanaal, nam van alle planters goederen in, en
nog twee dagen duurde de feeststemming. Toen herstelde zich de rust
met het eentonige leven van iederen dag.
Eenige dagen later beproefde ik aan den zuidwesthoek van Santo, waar
de inboorlingen uit het bosch zich vaak moesten vertoonen, dienst
personeel te huren. Een buurman van Ch. wou in zijn kleine kotter
erheen varen, om verfhout van de inboorlingen te koopen, hout, dat
ze gebruiken voor het verven van hun grasmatten. Hij dacht, dat dan
weer op Malekula aan inboorlingen te verhandelen. Ik verzocht hem, mij
mee te nemen, wat hij gaarne deed. Wij voeren dus op een regenmorgen
door het Kanaal, maar moesten spoedig ankeren, omdat er geen wind was
en de tegenstrooming ons dreigde, terug te voeren. We gebruikten den
wachttijd voor een bezoek aan den heer R., die behalve anarchistische
beginselen ook een kokos- en cacaoplantage kweekt, zoo flink in orde,
dat ze in scherpe tegenstelling was met zijn antikapitalistische
stellingen. Hij was een van die niet zeldzame fransche kolonisten, die,
afkomstig uit zeer bescheiden boerenkringen, van de koloniën niets
anders verwachten, dan zich een betere maatschappelijke positie te
scheppen. Spaarzaam, vlijtig, aan harden veldarbeid gewend, had hij
zich van een heel klein begin af langzaam omhoog gewerkt en was nu
nog op jeugdigen leeftijd eigenaar geworden van een groote plantage,
die hem tot een welgesteld man maakte en hem rijk zou kunnen doen
worden. Dat goede boerenslag, waar Frankrijk zoo rijk aan is, levert
de beste kolonisten, terwijl die menschen, die in korten tijd geld
willen vergaren, zooals mijn gastheer, niet buiten schulden bij de
handelshuizen in Nouméa kunnen blijven.