VII.

De vallei van Otumba.--De bouwvallen van Teotizuacan.--Perote.--Het

graf van Iturbide.--De mexikaansche wegen.--De laatste beklimming

van den piek van Orizaba.--Jalapa en zijne typen.--De hacienda

Manga de Clavo.--Vera-Cruz.

Behalve over Puebla, kan men zich nog langs een anderen weg, over

Tlascala namelijk, uit Mexiko naar Vera-Cruz begeven. Deze prachtige

weg is niet minder rijk aan geschiedkundige herinneringen. Immers hij

leidt door de vallei van Otumba, waar Cortez, zes dagen na zijn aftocht

in la noche triste, aan het hem achtervolgende talrijke heir der

Mexikanen slag leverde, en met zijn handvol dapperen, bijgestaan door

de hem trouw gebleven Tlascalanen, eene merkwaardige zege behaalde:

eene zege, die echter 't meest aan het beleid en den persoonlijken

moed van Cortez zelf te danken was. Waarschijnlijk toch zouden de

Mexikanen niet op de vlucht gegaan zijn, wanneer hij niet--zich ter

rechter tijd herinnerende, dat de val der rijksvaan in hunne oogen

den slag besliste--slechts door eenige weinige ruiters vergezeld, op

den aanvoerder, die den mexikaanschen standaard droeg, was losgerend

en de vaan in triomf met zich had gevoerd.

In het aan deze vermaarde vallei grenzend dal van Tlascala worden de

bouwvallen van Teotizuacan gevonden, die, met de teocalli van Cholula,

de oudste overblijfselen der toltekische bouwkunst zijn. Reeds bij

de komst der Azteken in Mexiko, was Teotizuacan (godenverblijf),

thans een onbeduidend indiaansch vlek, de mededingster van Tula,

de groote hoofdstad der Tolteken. De twee voornaamste pyramiden die

men hier aantreft, waren gewijd aan Tonatiuh (de zon) en Metztlie

(de maan), en de vele kleinere, van welke slechts weinigen hooger dan

tien el zijn, aan de voornaamste sterren of sterrenbeelden. Op den

top der twee eerstgenoemde teocallies stonden reusachtige beelden,

zon en maan voorstellende, die geheel met goud bekleed waren; 't

geen den volgelingen van Cortez nog te eerder tot hunne vernieling

deed besluiten.

De beide wegen naar Vera-Cruz gaan over Perote, die ruim 2350 el

boven het vlak der zee gelegen is, en waar het dan ook streng koud kan

zijn; niet streng genoeg evenwel om den naam van mexikaansch Siberië,

dien Perote draagt, te rechtvaardigen. In de nabijheid dezer plaats

verheft zich de Nauhcampateptl of Coffre de Perote, eene vulkanische

porfierrots, die nagenoeg 4100 el hoog is, en welker top de gedaante

eener kist heeft.

De kapel van het sterke, met een tuighuis, eene kanongieterij en

eene wapensmederij verbonden kasteel van Perote bevat de asch van

den gewezen mexikaanschen keizer Augustus I (generaal Iturbide), die,

in 1824 uit Europa naar Mexiko wedergekeerd om zich op nieuw van het

gezag meester te maken, dadelijk bij zijne landing te Soto la Marina,

door La Garza gevangen genomen, en den 19den Juli te Padilla, zonder

vorm van proces, gefusilleerd werd.

Sprekender bewijs van de zorgeloosheid der mexikaansche regeering

bestaat er wel niet, dan de toestand, waarin de weg tusschen Perote

en Jalapa verkeert. Wij bedoelen natuurlijk den straatweg: spoorwegen

zijn in Mexiko nog uiterst schaars; maar ook de steen- en andere

wegen verkeeren er over 't geheel in een droevigen staat van verval en

verwaarloozing, 't geen er het reizen met postwagens--groote gevaarten,

in den trant der engelsche en noord-amerikaansche stage-coaches,

met drie tot vijf paar muilezels of paarden bespannen--verre

van aangenaam maakt. Voegt men hierbij, dat het meerendeel der

openbare wegen in Mexiko over 't geheel niets minder dan veilig is,

dan zal men te eerder begrijpen, dat het reizen in dit gedeelte der

nieuwe wereld nog wel iets te wenschen overlaat. Intusschen werd er,

dank hebbe de zorg van den handelstand van Vera-Cruz, in het begin

dezer eeuw, van die haven, over bergen en door wildernissen heen,

een fraaie weg naar het hooge binnenland aangelegd. In het jaar 1815

maakten de opstandelingen dezen weg echter op sommige plaatsen, en

vooral op dit punt, totaal onbruikbaar; en nu werd er, noch door de

spaansche onderkoningen, die zich achtereenvolgens tot in 1821 in

de opgestane kolonie trachtten te handhaven, noch door de overheden

der latere republiek, iets verricht om de veroorzaakte verwoesting te

herstellen, zoodat de beste gedeelten van den weg misschien die zijn,

waar geen zweem van plaveisel gevonden wordt.

Men mag zich echter vleien, dat Mexiko, wat zijne middelen van

gemeenschap en het veilig gebruik daarvan betreft, spoedig gelukkiger

dagen beleven zal. De staat der wegen is--het kon inderdaad niet

anders--een der eerste onderwerpen geweest, die de aandacht der

keizerlijke regeering tot zich getrokken hebben. Naar men verzekert,

is er reeds een fransch hoofdambtenaar van den waterstaat naar Mexiko

op weg, om die regeering bij de uitvoering harer plannen ter zijde te

staan; terwijl eene concessie, in 1856 aan den heer Escandon verleend,

om den Atlantischen oceaan met de Stille Zuidzee door middel van een

spoorweg, van Vera-Cruz uitgaande en langs de hoofdstad loopende, te

verbinden, op dit oogenblik weder een punt van ernstige overweging bij

het mexikaansche kabinet uitmaakt. Van hoeveel belang voor Mexiko's

handel en nijverheid en ook voor het algemeen verkeer, het bestaan

eener gemakkelijke en snelle gemeenschap van het binnenland met de

oost- en westkust des lands zou zijn, behoeft wel geen betoog. [3]

Hoe meer echter de reiziger, die zich van Perote naar Jalapa begeeft,

deze laatste stad nadert, hoe meer hij zich de schokken getroost,

die hij onophoudelijk moet doorstaan; want zoodra hij San Miguel el

Soldado achter den rug heeft, wordt het landschap, dat in den omtrek

van Perote zeer dor en eentonig is, weder veel fraaier; en terwijl

het oog nog met bewondering op den Coffre de Perote rust, daagt

aan den zuidelijken gezichteinder de in den eeuwigen sneeuwmantel

gehulde piek van Orizaba weder op, aan welks voet de steden Orizaba

en Cordova liggen.

In 1856 werd deze piek, althans voor zoover bekend is, voor 't

laatst beklommen, en wel door den duitschen natuuronderzoeker baron

Von Müller. Den 30sten Augustus verliet hij de stad Vera-Cruz met

drie reisgezellen: den heer A. Sonntag, dezelfde, die herhaaldelijk

den Popocateptl besteeg; Malmsjö, een Zweed van geboorte, en een

ongenoemd berlijnsch geneesheer. Zij vernachtten den derden dag na

hun vertrek op een punt van den berg, dat reeds hooger lag dan de

hoogste spits van den Mont-Blanc, die zich 4800 el boven het zeevlak

verheft. De koude was hier zoo streng, dat zij niet alleen een vuur

ontsteken, maar ook een hut moesten samenstellen om zich een weinig

te beschutten. De thermometer teekende 10° onder nul, terwijl hij

weinige uren te voren nog 29° daar boven stond. Den volgenden morgen

te zeven uur nam de beklimming van den top een aanvang. Na met zeer

veel moeite en inspanning 360 el te zijn gestegen, waren de gidsen zoo

kortademig en afgemat, dat zij moesten achterblijven; Von Müller en

zijne medgezellen zetten nu alleen den tocht over het met eene dunne

ijskorst bedekte en hoe langer hoe steiler wordende sneeuwveld voort;

terwijl zij om beurten zelven den korf met mondbehoeften en verdere

benoodigdheden droegen.

Reeds waren zij den rand des kraters tot op een geringen afstand

genaderd, toen eene breede, gedeeltelijk met sneeuw gevulde rotskloof

hun den weg afsneed. Een plotseling opkomende dikke nevel maakte

het hun onmogelijk den koers te bepalen, dien zij volgen moesten om

deze kloof om te trekken; zij oordeelden het dus raadzaam naar de

door hen gebouwde hut terug te keeren. De tweede nacht, dien zij

hierin doorbrachten, was nog vrij wat hachelijker dan de eerste;

want niet alleen hadden zij de mand met ververschingen onder weg

verloren, maar hunne oogen waren door de gestadige opstijging van

het bloed naar het hoofd en door de scherpe koude zóó ontstoken,

dat zij eene geduchte pijn leden. De oogen van twee der reizigers,

de heeren Sonntag en Malmsjö, bevonden zich den volgenden morgen

zelfs in een deerniswaardigen toestand.

Von Müller besloot thans de bestijging aan de zijde van Chalchicomula

te ondernemen. Hier liet hij de ooglijders achter, en voegden zich twee

nieuwe metgezellen bij hem: de heer Campbell, een Noord-Amerikaan,

met het bestuur van het mexikaansche telegraafwezen belast, en de

heer de la Huerta uit Puebla. De beklimming ging nu aanvankelijk

voorspoediger; maar weldra werd de ademhaling der reizigers zeer

belemmerd, en ondervonden zij, ofschoon hun gelaat gesluierd was, zulk

eene pijn aan de oogen, dat de gidsen weigerden verder te gaan, en

Von Müller enkel door de ernstige bedreiging dat hij den tocht alleen

zou vervolgen, zijne reisgezellen bewegen kon om dien met hem voort

te zetten. Ondanks alle bezwaren: vermoeidheid, benauwde ademhaling,

hartkloppingen, drukking der hersenen, eene scherpe jachtsneeuw die

de huid allergevoeligst aandeed; ondanks het opgeven van bloed uit

neus en mond en van herhaalde flauwten zelfs,--bereikte Von Müller,

tegen zes uur des namiddags van den 9den September, den rand van den

krater. De vreugde over het bereiken van zijn doel deed hem al zijn

doorgestaan lijden vergeten; maar toen hij zich de verkregen uitkomst

ten nutte wilde maken, verloor hij andermaal zijn bewustzijn.

"Zoodra ik weder tot mij zelven gekomen was," zegt hij, "spande ik

alle krachten in om den krater nauwkeurig op te nemen. Ik kon dien

echter, zoo ten gevolge der sneeuwbuien als van mijne afgematheid,

niet met den sextant meten; maar de indruk, dien zijn geduchte omvang

en diepte op mij maakten, was onbeschrijfelijk. Welk eene verbazende

kracht, riep ik uit, moet de natuur ontwikkelen, om den lavastroom uit

dien ontzettenden afgrond tot aan den rand des kraters op te voeren!"

De reizigers hadden den nacht op den top willen doorbrengen; maar

de omstandigheden gedoogden dit niet. De beide gidsen, die zich

weder bij hen hadden gevoegd, vormden nu van de petates of matten,

die zij medegenomen hadden, eene soort van sleden, met behulp waarvan

Von Müller en de zijnen zich met zulk eene snelheid langs de steile,

bevroren berghelling naar beneden lieten glijden, dat hunne vaart op

sommige oogenblikken veel naar een val geleek. Bij hunne terugkomst

te San Andres Chalchicomula, werden zij door de bevolking feestelijk

ingehaald. De piek van den Orizaba--Cilalteptl of Berg van het

gestarnte genaamd--is, volgens Von Müller's berekening, niet minder

dan 5527 Ned. el hoog; door anderen wordt zijne hoogte echter op nog

geen 5300 el geschat.

Jalapa, aan welke stad de bekende medicinale wortel, die hier in

't wild groeit, zijne naam ontleent, is niet zeer groot--zij telt

ongeveer 12000 inwoners--maar allerfraaist gelegen, en zoo gezond dat

het een toevluchtsoord is voor kranken en zwakken uit den omtrek,

vooral gedurende die gedeelten des jaars, waarin de vomito zijne

verwoestingen langs de kust en in de vlakte aanricht. Het plantenrijk

is hier misschien weelderiger dan ergens elders in Mexiko en vervult de

lucht met de heerlijkste geuren. De tint der bevolking is er blanker

dan in het binnenland, en de vrouwen van Jalapa gaan zelfs voor de

schoonste des lands door.

Niet slechts de jaarmis, maar ook de gewone markten worden te Jalapa

ongemeen druk bezocht. Onder de velen, die van alle kanten hunne

koopwaren hier komen brengen, onderscheiden zich de bloemen- en

fruitverkoopsters van eene op eenigen afstand der stad gelegen streek,

door het teekenachtige en inderdaad klassieke van hare gestalte en

kleeding. Deze laatste bestaat uit eene meestal witte sarape (mantel)

en een rooden, gelen of blauwen rok, even als de mantel prijkende

met een zoom van eene sterk afstekende kleur, die met eigenaardige

figuren in bijna etrurischen stijl, versierd is. Ze hebben fraai

gekruld zwart haar of dragen het in sierlijke vlechten, door welke

roode linten of koorden zijn gestrengeld.--Nog andere typen trekken

op deze markten de aandacht van den vreemdeling. Onder anderen is

dit het geval met den indiaanschen mandenkoopman. Het zoogenaamde

markt-zonnescherm is hier, even als op andere plaatsen in Mexiko,

zeer in zwang, en voor de kleinere kramers, die er geen tenten op na

houden, eene onontbeerlijke beschutting tegen de tropische zon.

In den omtrek van Jalapa ligt de bekende hacienda Mango de Clavo,

waar generaal Santa-Anna--die gedurende ruim een veertigtal jaren, in

hoedanigheid van legerhoofd, president of dictator der mexikaansche

republiek, dikwerf eene allerbelangrijkste rol speelde--zich veelal

ophield wanneer hij niet verbannen was; in welk geval Carthagena in

Nieuw-Grenada of Cuba hem tot wijkplaats verstrekte.

Hoewel Jalapa de officiëele hoofdstad van den staat Vera-Cruz is,

kan de stad van dien naam toch als de gewichtigste van dien staat

worden beschouwd. Zij is tevens de voornaamste van al de havens van

Mexiko, daar hare scheepvaartbeweging, ondanks de onveiligheid der

reede, gemiddeld de helft van die der gezamenlijke mexikaansche

havens bedraagt. [4] In 1856 werden in geheel Mexiko slechts een

duizendtal schepen, een inhoud van honderd-duizend ton hebbende, in-

en uitgeklaard, en daarvan deden alleen 435 zeilschepen, te zamen

67,423 ton metende, en 104 stoomvaartuigen de haven van Vera-Cruz

aan. Ongeveer de helft der genoemde duizend vaartuigen bestond uit

kustvaarders. De belangrijkste mexikaansche havens, na Vera-Cruz,

zijn Acapulco, Tampico, Mazatlan en Matamoras.

Gedurende de drie laatste jaren voor 1864 is, ten gevolge der

buitengewone omstandigheden, het verkeer te Vera-Cruz natuurlijk sterk

verminderd. Uit een dezer dagen bekend geworden feit blijkt echter, dat

het zich van de geleden schokken wondersnel herstelt. De invoerrechten

te Vera-Cruz hebben namelijk over de negen eerste maanden van dit jaar

(1864) 2,445,292 piasters opgebracht: met andere woorden drie maal

meer dan gedurende 't zelfde tijdvak van 1863, en slechts weinig minder

dan zij (in evenredigheid) gemiddeld over de jaren 1856-60 bedroegen.

De haven van Vera-Cruz is slechts eene reede tusschen den vasten wal

en San-Juan d'Ulloa, het kasteel of versterkte eiland, dat de stad

dekt en reeds zoo menig bombardement onderging. Vera-Cruz is fraai

en regelmatig gebouwd en bezit vele schoone kerken en andere openbare

gebouwen. In weerwil echter dat deze stad het middenpunt vormt van het

verkeer tusschen het voormalige Nieuw-Spanje en Europa, en Mexiko's

voornaamste haven is, telt zij niet meer dan 18,000 inwoners. De

oorzaak daarvan moet hoofdzakelijk worden gezocht in de omstandigheid,

dat Vera-Cruz, door zijne ongunstige ligging tusschen moerassen

en zandwoestijnen en door de verschroeiende zuide- en verstijvende

noordewinden, die afwisselend langs deze kust heerschen, gedurende

een groot deel des jaar door de gele koorts wordt geteisterd.

Vier en een half uur van Vera-Cruz ligt het dorp Oud-Vera-Cruz, de

plek waar Cortez op Goeden Vrijdag van het jaar 1519 (21 April) aan

wal stapte, en waar nog in dat zelfde jaar eene stad door hem gebouwd

werd, aan welke hij, naar aanleiding van den dag waarop hij geland was,

den naam Vera-Cruz (het ware kruis) gaf. Deze stad moest echter om de

ongezondheid der plek, drie jaren later zuidwaarts worden verlegd. De

nieuwe stad, Antigua geheeten, werd evenwel om dezelfde reden weder

verlaten, toen de spaansche onderkoning Monterey, op 't laatst der

16de eeuw, overging tot het bouwen der tegenwoordige stad Vera-Cruz.

Mexiko De Aarde en haar volken, Jaargang 1865 · 第 9 / 11 题