VIII.

De bouwvallen bij Palenque en Chichen-Itza.--Processie te Merida.

Toen Francisco Hernandez de Cordova, in 1517, van San Domingo in

het schiereiland Yucatan kwam, vond hij het in verscheidene kleine

staatjes gesmaldeeld; hij vernam echter van de ingezetenen, dat deze

oostelijke uithoek van Mexiko sedert onheugelijke tijden één rijk

had uitgemaakt, maar dat omstreeks zeventig jaren vóór zijne komst

de verschillende hoofden des volks hunne onafhankelijkheid bevochten

en de prachtige en groote hoofdstad Mayapan verwoest hadden. Twee en

een halve eeuw ruim verliepen er voordat deze mondelinge overlevering

op onwederlegbare wijze bevestigd werd, en men door het ontdekken van

overoude bouwgewrochten in de bosschen van het aan Yucatan grenzende

Chiapas tot de overtuiging kwam, dat het schiereiland in een ver

verleden tijd een machtigen staat had gevormd, die niet onder de

heerschappij der Azteken en Tolteken gestaan, en welks bevolking

een nog hoogeren trap van beschaving bereikt had, dan waarop die

vroegste bewoners der overige deelen van Mexiko stonden. Hoogst

merkwaardig zijn de uitgestrekte bouwvallen, door kapitein Antonio

de Rio en don Jose Alonso in 1787, bij Palenque in den mexikaanschen

staat Chiapas ontdekt, maar, ten gevolge der verregaande lauwheid van

het spaansche bestuur, eerst in 1822 door kapitein Dupaix beschreven

en in plaat gebracht. Niet minder belangrijk echter en wellicht nog

uitgestrekter, zijn de ruïnen, in 1842 door een noord-amerikaansch

reiziger te Chichen-Itza bij Uxmal in Yucatan ontdekt, en die, naar

men meent, tot eene stad behoord hebben, welke "een der grootste was

die ooit op de aarde bestonden."

De fransche natuuronderzoeker Charnay gevoelde zich, door hetgeen hij

omtrent deze bouwvallen gelezen en vernomen had, in 1860 aangespoord

om eene reis naar Yucatan te ondernemen, uitsluitend met het doel om

door middel der photographie getrouwe afbeeldingen van een deel dezer

ruïnen te verkrijgen. De plaat, die wij op bladz. 21 mededeelen,

en die van den bouwtrant der te Chichen-Itza ontdekte gebouwen een

juiste voorstelling geeft, toont genoegzaam tot welk een hoogte

de oude bewoners des lands het in de bouwkunst gebracht hadden, en

doet tevens zien in welken toestand hunne fraaie bouwgewrochten zich

tegenwoordig bevinden.

Het belangwekkendste der gebouwen; door den heer Charnay in plaat

gebracht, is het zoogenaamde "Nonnenpaleis," waarvan hij drie

afbeeldingen gaf, één van het voorfront en twee van de noordzijde. Hij

noemt dit gebouw Chichen-Itza's juweel, om den rijkdom van beeldwerk

en andere versieringen, dien zijne gevels ten toon spreiden en die

hem aan den bouwtrant der Chineezen en Japaneezen herinnerde, te meer

nog omdat de vorm van het gebouw naar een chineeschen koffer gelijkt;

punten van overeenkomst, waardoor de meening dat de Chineezen reeds

in de eerste eeuwen onzer jaartelling met Amerika bekend waren,

waarschijnlijk op nieuw versterkt zal worden. Het inwendige van dit

gebouw bestaat uit vijf zalen, welke, even als die der te Palenque

ontdekte paleizen, volkomen op elkaar gelijken.

Een ander gebouw, door Charnay afgebeeld, wordt door de inboorlingen

"de kerk" genoemd. Hij gelooft echter met velen, dat het tot een

circus of worstelperk voor het aankomend geslacht gediend heeft,

iets waaromtrent het allegorische van het beeldwerk waarmede zijne

gevels prijken, naar zijne meening, geen twijfel overlaat. Aan het

gebouw, waarvan de afbeelding in dit blad voorkomt, wordt, Charnay

weet niet op welken grond, de naam van "gevangenis" gegeven. Het is

niet het rijkst versierde, maar wel het best bewaarde der in plaat

gebrachte monumenten.

Acht dagen hield de heer Charnay zich te midden der ruïnen op,

werwaarts hij door eenige ingezetenen van het schiereiland en een

geleide van Indianen en soldaten vergezeld was geworden. Voordat men

de bouwvallen kon genaken, moest men zich met de bijl een weg door

de lianen, heesters en doornstruiken banen, waarmede zij bedekt

en omgeven waren. De komst van het reisgezelschap joeg de eenig

overgebleven bewoners dezer verblijven, slangen, iguanen of groote

hagedissen en vogels met ongemeen fraaie vederen, op de vlucht. Des

nachts moesten er rondom de hangmatten vuren ontstoken worden, om de

tijgers op een eerbiedigen afstand te houden.

Merida, Yucatans hoofdstad, werd door den heer Charnay in de

Heilige-week van 1860 bezocht. Hij was bij die gelegenheid getuige

van vele kerkelijke optochten en feesten, die in Mexiko misschien

nog veelvuldiger dan in eenigen anderen katholieken staat plaats

hebben, omdat de mexikaansche geestelijkheid zich overtuigd houdt,

dat de Christenen uit de Indianen grootelijks behoefte hebben om de

voorwerpen hunner aanbidding en vereering verzinnelijkt te zien. Van

een gedeelte der processie op Goeden Vrijdag gehouden deelt Charnay de

photographische afbeelding mede, die op bladz. 13 voorkomt. De vrouw,

die de Heilige Moedermaagd voorstelde, was met eene menigte paarlen

en diamanten versierd, en werd door de Heilige Elisabeth gevolgd,

die zich geheel aan hare droefheid overgaf. Bij den ernstigen aard van

den optocht en bij de prachtige kostumen stak het echter zeer af, dat

het orkest 't welk den trein opende, en zelfs de muziek in de kerk,

enkel uit een draaiorgel bestond. Des avonds waren de vensters der

huizen bij het voorbijtrekken van den stoet met duizende waskaarsen

verlicht, en eene overgroote volksmenigte in bonte, schilderachtige

kleederdracht, onder welke ook vele aanzienlijke vrouwen waren,

sloot zich, met brandende kaarsen in de hand, aan den optocht aan.

Hier nemen wij afscheid van dit schoone land, door de natuur zoo mild

gezegend, met zoo oneindig vele hulpbronnen en schatten van allerlei

aard begiftigd, en toch zoo rampzalig, machteloos worstelende tegen den

druk van een noodlot, dat alle waarachtige ontwikkeling onmogelijk

maakt. Inderdaad, daar schijnt een fatum te rusten op verreweg

de meeste dezer amerikaansche republieken, met bijkans wanhopige

regelmatigheid rondgevoerd in den fatalen toovercirkel van anarchie

en despotisme, zonder dat hetzij de vrijheid, hetzij het gezag, zich

immer op vaste grondslagen vestigen, in ware en vruchtbare harmonie

ontwikkelen kunnen. Een onderzoek naar de oorzaken van dit verschijnsel

zou ons te ver voeren: hopen wij slechts dat spaansch-Amerika eenmaal

een man moge vinden, die uit dezen rampzaligen baaierd orde weet

te scheppen.

Mexiko De Aarde en haar volken, Jaargang 1865 · 第 10 / 11 题