II.

De vallei van Mexiko.--De Desague van Huehuetoca.--De

hoofdstad.--De Kathedraal.--De Plaza de Armas.--De Plazuelo van

Santo Domingo.--Het klooster van Barmhartigheid.--De Salto del

Agua.--Markten.

De vallei, te midden waarvan zich het Venetië der Azteken verheft,

vormt een ovaal van achttien mijlen in de lengte en van ongeveer

twaalf in de breedte, en wordt door een krans van porfierrotsen

omgeven, wier afwisselende lijnen het schilderachtigst effect te weeg

brengen. De Iztaccihuatl of Witte-Vrouw, die door den glans van haren

altijd besneeuwden top, het oog schier verblindt, en de Popocatepl

of Rookende Berg, de hoogste bergspits van Mexiko en wellicht de

sierlijkste vulkaan der gansche wereld, die beiden ten zuidwesten van

de hoofdstad liggen, vormen als 't ware den sluithaak dezer prachtige

keten. Hoewel de laatste dezer bergen zijnen naam nog maar al te zeer

rechtvaardigt, en de bewoners der hoofdstad zich steeds met angst en

schrik de geduchte aardbeving van 1858 herinneren, is de mexikaansche

vallei voor het tegenwoordige veel minder vulkanisch dan vroeger.

Zes groote meren nemen een aanzienlijk deel van de oppervlakte der

vallei in. Tegenover Huehuetoca ligt het meer Zumpango; daarna volgen,

in eene zuidelijke richting, die van Jaltocan en San-Cristoval, het

groote meer van Tezcuco; en eindelijk die van Jochimilco en Chalco,

welke slechts door een straatweg vaneen worden gescheiden. Van al

die meren is het water zoet, uitgenomen van het Tezcuco-meer, welks

water brak is.

Groote belangstelling verdient in deze vallei de vermaarde "desague"

van Huehuetoca: een dwars door het hooge gebergte gegraven kanaal,

ter afleiding van de rivier Guantitlan--die zich vroeger in het

Zumpango-meer stortte, hetgeen veelvuldige overstroomingen ten gevolge

had--naar de ruim 200 voet lager gelegen Rio de Tula, die zich in

den mexikaanschen zeeboezem ontlast. Dit reusachtige werk, in 1607

begonnen, werd eerst in 1789 voltooid, hoewel er schier onophoudelijk

15,000 Indianen aan arbeidden. Het kostte millioenen schats en, zoowel

ten gevolge van vermoeienis, ziekte en harde behandeling, als van

herhaalde instortingen van bergwanden, duizenden menschenlevens; maar

nog bereikt het in verre na niet het nut, dat het zou kunnen opleveren

wanneer het met het Tezcuco-meer in gemeenschap was gebracht, daar

alsdan de hoofdstad niet langer, zoo als thans, aan overstroomingen

blootgesteld en, bij droogte, van toevoer van water uit de bovenvallei

verstoken zou zijn. In 1804 werd wel door den onderkoning Iturrigaray,

op raad van Humboldt, last tot voltooiing der grootsche onderneming

gegeven, maar de geduchte hinderpalen die het terrein tusschen Mexiko

en Huehuetoca oplevert, deden den arbeid staken.

Mexiko, niet slechts de grootste en schoonste stad des rijks, maar

ook de prachtigste stad van Noord-Amerika en misschien regelmatiger

en grootscher gebouwd dan eenige andere stad der wereld, droeg,

lang voordat Europa het bestaan van Amerika nog vermoedde, den naam

van Tenochtitlan. Deze residentie der Aztekenkoningen deed geenszins

onder in luister en grootte voor de hedendaagsche hoofdstad van het

mexikaansche rijk. Men kan dit alleen reeds nagaan uit de schier

fabelachtige berichten, die tot ons kwamen omtrent hare talrijke en

weidsche tempels en het beroemde paleis van Montezuma, dat twintig

poorten of ingangen had, onder zijn overgroot aantal zalen er ééne

bezat die drie duizend personen kon bevatten, en waarin zich onder

anderen eene menagerie bevond, welker vogelen-afdeeling alleen,

naar verzekerd wordt, zóó groot was, dat er driehonderd personen

aan verbonden waren. Van deze luisterrijke oude hoofdstad, die

door Cortez nagenoeg geheel geslecht werd,--voornamelijk omdat zij

sedert onheugelijke tijden het tooneel eener afgoderij was geweest

die, volgens de getuigenis van Zumarragia, den eersten bisschop van

Mexiko, jaarlijks meer dan 20,000 menschenoffers eischte;--is niets

meer in wezen; hoewel er van tijd tot tijd nog genoeg overblijfselen

worden opgegraven, om de nasporingen der geschied- en oudheidkundigen

te beloonen.

Het hedendaagsche Mexiko, dat ruim 13,000 voet van het Tezcuco-

en omstreeks tweemaal zoover van het Chalco-meer verwijderd, en

ruim 7000 voet boven den spiegel der zee verheven ligt, telt eene

bevolking van 206,000 zielen. Die bevolking bestaat, even als door

het geheele land, uit de navolgende rassen: Guachupinen (Europeanen,

meestal Spanjaarden), Creolen (inboorlingen van onvermengd spaansch

of europeesch ras), Mestizen (afkomelingen van blanken en Indianen),

Mulatten (afkomelingen van blanken en negers), Zambos (afkomelingen van

negers en Indianen); voorts uit enkele echte Indianen (onverbasterde

afkomelingen van de oorspronkelijke bewoners des lands), die

zich evenwel meestal ver van de steden ophouden; eindelijk uit de

onderrassen, die uit het kruisen dezer verschillende hoofdrassen

ontstonden.

De huizen der hoofdstad, over 't geheel stevig gebouwd, hebben

meerendeels twee hooge verdiepingen en ruime vertrekken, terwijl

de gevels schier zonder uitzondering witgepleisterd of met kalk

bestreken zijn. Op de hoeken der huizen bevinden zich nissen met het

beeld der H. Maagd of van den eenen of anderen heilige. De daken of

azoteas (terrassen) zijn plat en veelal met eene sierlijke balustrade

omgeven. De straten zijn fraai geplaveid, van weêrszijden van trottoirs

voorzien en meest allen breed en rechthoekig.

De hoofdstad bezit niet minder dan zestig kerkgebouwen en veertig

kloosters. Heeft men echter de kathedraal en haren sagrario (kapel),

het klooster van San-Fransisco met zijne twee kerken en drie kapellen

en zijn ongemeen prachtigen gevel, de kerken van het nonnenklooster

der Menschwording en die van de Jezuïeten der Professa bezichtigd, dan

kan men zich vergenoegen met op de overige slechts in het voorbijgaan

een blik te werpen.

Boven alles wordt het oog geboeid door de hoofdkerk, die op dezelfde

plek staat waar zich weleer de aan den oppersten mexikaanschen

krijgsgod Huitzilopochtli gewijde, luisterrijke tempel verhief,

in welken zeker niet het geringste gedeelte der gruwzame offers

voltrokken werd, met welke de Azteken hunne vertoornde godheden

meenden te kunnen verzoenen. Deze kathedraal vormt de noordzijde der

Plaza de Armas, het Wapen- of ook wel Constitutie-plein geheeten,

en wekt door hare grootsche afmetingen, de schoone evenredigheid die

tusschen hare verschillende deelen heerscht, en den smaak waarmede

de bouwkunstige versieringen zijn aangebracht, hooge bewondering. In

den voorgevel bevinden zich drie deuren, die tot het schip en de

beide zijbeuken toegang verleenen. Het middengedeelte van den gevel,

dat veel hooger dan de zijgedeelten is, prijkt met een aantal schoone

beelden en sierlijke dorische en korinthische zuilen. Boven het schip,

dat insgelijks veel hooger dan de zijbeuken is, verheft zich een in

edelen stijl gebouwde en met vele beelden omringde hooge koepel. Binnen

in het tempelgebouw wordt het oog niets dan goud en zilver gewaar. Men

vindt hier eene beeldengroep, Maria's hemelvaart voorstellende, die

uit massief goud vervaardigd is. De zilveren hostiekas en de zilveren

kroonkandelaar vóór het hoofdaltaar zijn verscheidene tonnen schats

waard. Bovendien wordt in deze kathedraal een tal van diamanten,

robijnen, saffieren en andere edelgesteenten en eene aanzienlijke

hoeveelheid gouden en zilveren vaatwerk gevonden. De hoogste waarde

wordt door de Mexikanen echter aan een in de kerk voorhanden

schilderstuk van Murillo gehecht, Onze-Lieve-Vrouwe van Belèn

voorstellende: een doek, dat nogtans niet onder de voortreffelijkste

van den schilder kan gerangschikt worden.

Deze kerk heeft nog eene groote en rijk versierde kapel, waarin de doop

toegediend, de huwelijken gesloten, de uitvaarten gehouden worden,

en het hoogwaardige ten toon wordt gesteld. De stijl dezer in later

tijd gebouwde kapel is echter in verre na zoo onberispelijk niet als

die der hoofdkerk zelve. De bouw dezer laatste, die in 1573, op last

van Filips II, begonnen en niet vóór 1657 geheel voltooid werd, heeft,

naar verzekerd wordt, nagenoeg derdehalf millioen piasters gekost.

De oostzijde van het Wapen- of Constitutie-plein wordt ingenomen door

het even prachtige als uitgestrekte regeerings-paleis, welks voorzijde

eene lengte van tweehonderd el heeft, en waarin, behalve de woning

van het hoofd van den staat, de bureaux en archieven der regeering,

eene gevangenis, eene kazerne en eene ontzaggelijk groote munt

vereenigd worden aangetroffen. Tegenover de kathedraal staat de Casa de

Cabildo of het stadhuis; terwijl zich aan de westzijde de portales de

mercaderes bevinden, waar men verscheidene koffiehuizen en restaurants

benevens de schoonste winkelmagazijnen der stad aantreft. In de

meeste steden van spaansch Amerika wordt de kleinhandel niet in

afzonderlijke, door de gansche stad verspreide winkelhuizen, maar,

op een of meer bepaalde punten, onder portales of gaanderijen gedreven.

Dit plein wordt zeer druk bezocht: het wemelt er steeds van soldaten,

priesters en monniken, pordioseros, leperos, aguadores, vrouwen

van alle standen, ruiters en rijtuigen van allerlei soort. Vóór de

koffiehuizen doen zich bestendig guitareros en andere muziekanten

hooren. Midden op het plein zijn kramen en stellages opgericht, waarin

de kalebassen, helados en aguos frescas, of ijs en soortgelijke

ververschingen, op met linnen overdekte en met bloemen versierde

tafels zijn uitgestald.

Een ander fraai plein is dat van Santo Domingo, ook Douanenplein

geheeten, waar men het gewezen paleis der Inquisitie en het

hoofdkantoor der in- en uitgaande rechten vindt. Het eerste gebouw, het

voormalige klooster van Santo Domingo, tegenwoordig tot geneeskundige

school ingericht, is, uitwendig, een der schoonste van de hoofdstad;

inwendig heeft het echter veel van zijn vroegeren glans verloren. In

den omtrek van het andere groote gebouw, dat zeer uitgestrekt is maar

er weinig behagelijk uitziet, heerscht steeds eene ongemeene drukte

en beweging.

Het klooster der Mercie of Barmhartigheid beveelt zich, zoomin als

zijne kerk, door een fraai uiterlijk aan; maar het inwendige van het

klooster en vooral zijn binnenplein is misschien bezienswaardiger dan

eenig ander gebouw der mexikaansche hoofdstad. Op dit binnenplein

verheft zich slechts eene eenvoudige fontein, doch het wordt door

uitgestrekte gaanderijen met witte kolommen en getande bogen omringd,

die zoo edel van vorm en zoo schoon gebeiteld zijn, dat men zich bij

de aanschouwing in de Alhambra van Grenada verplaatst waant. De muren

dezer gaanderijen zijn met schilderijen bedekt, die met levensgroote

figuren prijken. Het klooster bezit eene belangrijke bibliotheek;

terwijl het koor der kerk, dat een honderdtal fraai gebeeldhouwde

koorstoelen bevat, tot de schoonste werken der kunst mag gerekend

worden.

Onder de monumenten verdient ook nog genoemd te worden de Salto del

Agua, de eenige wezenlijk fraaie fontein die Mexiko bezit. Zij staat

in een der voorsteden en vormt het einde der waterleiding, die het

water uit de bronnen van Chapultepec naar de hoofdstad voert. Tusschen

twee zuilen met korinthische kapiteelen prijkt een groote arend met

uitgespreide vlerken, het wapenschild der stad in de klauwen houdende;

terwijl op de kapiteelen zelve twee zinnebeeldige figuren, Europa en

Amerika voorstellende, zijn geplaatst.

Er zijn vele markten in Mexiko; de belangrijkste is ongetwijfeld

die, welke des morgens in de straat Roldan en op de kaaien langs

het kanaal van Viga gehouden wordt, waar de schuiten met vruchten,

groenten, gevogelte en bloemen liggen, die van de drijvende eilanden

in het Tezcuco-, Jochimilco- en Chalco-meer worden aangevoerd. Hier

verschijnt niet alleen de opkooper, maar ook de huismoeder uit den

burgerstand en de kok uit de aanzienlijke huizen komen hier hunne

inkoopen doen; terwijl het voorts wemelt van lieden van allerlei

slag, beroep en kleur: Indianen, Creolen en vreemdelingen, bedelaars

en rijke burgers, cargadores, soldaten en muildierdrijvers, monniken

van allerlei orden, dienstmeisjes, chinas (de mexikaansche grisetten)

en fruit- en bloemenverkoopsters, die op de omgekeerde en ter hoogte

van den schouder opgeheven hand, in eene echt academische houding, den

met vruchten of bloemen gevulden korf of den sierlijken cantaro dragen.

Mexiko De Aarde en haar volken, Jaargang 1865 · 第 4 / 11 题