SLOTWOORD

Ziedaar, hoofdzakelijk in de eigen woorden van Schopenhauer, een niet

al te onvolledig beeld van zijn leer. Uit de „Parerga und Paralipomena”

behoefde ik niets mede te deelen, want zij zijn voortreffelijk in het

Hollandsch vertaald door Dr. van den Bergh van Eysinga, predikant te

Zutphen.

Het is niet te loochenen, dat wij talrijke woorden van wijsheid te

hooren kregen. Toch waagde ik het hier en daar een aanmerking in te

vlechten. Ik had er meer kunnen maken. Over ons kenvermogen spreekt

Schopenhauer zóó, alsof het ons een beletsel is om te kennen. Hij meent

dat alle begrippen, causaliteit alleen uitgezonderd, in aanschouwing

wortelen. Die meening schijnt mij onjuist. Voorts: gelijk het niet

raadzaam is margarine onder den naam van boter op de markt toe te laten

of bedeeling voor pensioen te doen doorgaan, zoo is het bedenkelijk aan

het begrip „wil” een zoo kolossale uitbreiding te geven, dat het echt

menschelijke willen erdoor in de schaduw komt te staan. Maar dat zijn

kleinigheden, immers in hoofdzaak enkel theoretische bedenkingen. Wat

weerzin inboezemt en een rilling over het lijf jaagt, is de verachting

van dezen genialen en bewonderenswaardigen man voor de wereld en het

leven, zijn onverholen atheïsme, zijn pessimisme; welnu, dat alles

vloeit uit een en dezelfde bron.

Van „waarde” kan volgens Schopenhauer enkel sprake zijn als er handel

gedreven wordt: zooveel gerst staat met zooveel tarwe gelijk.

Volstrekte waarde is er niet. Schopenhauer heeft, van die onderstelling

uitgaande, gelijk: als niets op zichzelf begeerlijk is, als geen

einddoel ons wenkt, dan is het leven een kringloop over een gloeiende

plaat, die slechts hier en daar wat koeler plekken oplevert, dan kan er

van vooruitgang evenmin als van achteruitgang sprake zijn, dan is er

enkel zinloos loopen, plaatsverwisseling. Schopenhauer heeft gelijk:

als wij ook in de diepste diepten der ziel enkel doeleinden aantreffen,

die niet waard zijn gewild te worden, als het geheele leven, zelfs dat

der besten, een akelige klucht is, als wij ons enkel met zeepbellen

vermaken, dan is het willen-leven onzin, en het niet-willen-leven de

hoogste wijsheid. Schopenhauer heeft gelijk: als er geen vast doel is,

dan moet alle geschiedenis onbelangrijk heeten, dan weet wie Herodotus

gelezen heeft genoeg van den zwaren en verwarden droom, die het

menschelijk leven uitmaakt en behoeft men niet nieuwsgierig te zijn

naar wat nog andere historici te vertellen hebben.

Maar, mag ik vragen, verraadt het niet eenig gebrek aan zelfbezinning,

te loochenen dat het leven een doel zou hebben? Vanwaar ons besef van

volstrekte waarde, zoo alles, op de keper beschouwd, nietig en

onbeteekenend is? Vanwaar ons denkbeeld van het onverderfelijke,

wanneer wij in en buiten ons enkel het vergankelijke aantreffen? Hier

geldt misschien het oude woord: „wij zouden u niet zoeken, o God, zoo

wij u niet reeds gevonden hadden”. Men meene niet, dat dit een vermomde

wederinvoering is van het ontologisch bewijs, een verkeerde conclusie

van begrip tot bestaan. Mijn bedoeling is deze: als de waarde van alle

bestaan nul is, waar halen wij dan den maatstaf vandaan, die ons

veroorlooft het vonnis van nietigheid te vellen? Schopenhauer was veel

te verstandig om de balans te willen opmaken van lust en onlust in deze

wereld. Aan het platte optimisme antwoordt hij terecht: het groote

schandaal is niet het overwicht, maar het bestaan van het kwaad. Laten

er duizenden in weelde en voorspoed leven; dat vermindert in geenen

deele de ellende van een enkel ongelukskind. Wat wij echter moeten

opmerken is, dat er onstoffelijke goederen zijn van duurzame

beteekenis, zooals zielenadel en karaktersterkte, wetenschap en kunst,

gerechtigheid, nationale onafhankelijkheid, staatkundige,

maatschappelijke, geestelijke vrijheid, welke verder reiken dan de

belangen van den nietigen enkeling. De individu kan aan zulke zaken

zijn hart verpanden; het bewijst dat het individueele bestaan geen

zonde is, doet zelfs vermoeden, dat de mensch meer is dan een

ééndagsvlieg. De wereld is niet voltooid en de mensch evenmin. Licht en

duisternis, het heilige en het onheilige, recht en onrecht worstelen om

den voorrang. Het is onzen taak in dien strijd aan den goeden kant te

staan.

Dat de mensch niet enkel voor zijn pleizier in de wereld is, wist men

reeds lang voor Schopenhauer. Ook valt het te begrijpen dat iemand, die

genot als maatstaf aanlegt, het leven slecht noemt. Geheel anders luidt

het oordeel, als men meent dat het ’s menschen bestemming is in het

rijk der geesten een rang te veroveren, zelf medebouwmeester te zijn

van een geestelijk heelal.

Schopenhauer zegt: „het geweten is het protokol onzer daden”. Hij voegt

er aan toe, dat wij meestal ons zelven tegenvallen, als wij door onze

handelingen aan ons zelven ontdekt worden. Wat wil dat anders zeggen

dan dat wij tegenover een rechter staan, die in onzen boezem woont,

beurtelings ons vrijspreekt en vonnist? En toch zou plicht een

herschenschim zijn? Toch zou „het onvoorwaardelijk gebod” een misbaksel

zijn, dat Kant enkel aan het toeval van zijn Joodsch-Christelijke

opvoeding, aan zijn vroege kennismaking met de „de Tien geboden” te

danken zou hebben? Neen, het „beter bewustzijn”, waarvan Schopenhauer

zelf spreekt, „het beste in den mensch”, zooals hij het elders noemt,

was bij hem, gelijk bij ieder onzer, een levende waarheid, maar mag

tevens een afdoende weerlegging van zijn atheïsme en pessimisme worden

genoemd. Schopenhauer prijst Mad. Guion, waar zij zegt: „mij is alles

onverschillig; ik kan niets meer willen; ik weet dikwijls niet of ik

leef dan wel niet leef”. Met Bossuet keuren wij dat quietisme af, dat

jagen naar doode rust. Wij achten het beter den wil te stalen dan hem

te dooden.

Hadden wij ongelijk, toen wij op de eerste bladzijde van dit boek

beweerden, dat de mensch Schopenhauer en zijn wijsbegeerte niet van

elkander te scheiden zijn? De groote grief der moeder was reeds: gij

zijt zoo bedilziek en erkent niets boven u.

Uren met Schopenhauer · 第 6 / 7 题