FRAGMENTEN UIT „UEBER DEN WILLEN IN DER NATUR”

Reeds Copernicus heeft gezegd: „Ik geloof, dat de zwaarte niets anders

is dan een natuurlijk verlangen, hetwelk aan alle deelen der stof door

den Schepper is ingeblazen, zoodat zij er naar streven zich saam te

voegen en een kogelgestalte aannemen. Dit streven schijnt ook aan zon,

maan en andere planeten eigen te zijn, waardoor zij hunne ronde

gestalte handhaven”. Ook Herschel heeft duidelijk ingezien, dat,

wanneer wij niet gelijk Cartesius alle beweging door van buiten

komenden stoot willen verklaren, wij een wil moeten aannemen, welke in

de dingen woont. Wij staan voor dit alternatief: òf den oorsprong van

iedere beweging in een uitwendige oorzaak te zoeken, òf in het bewogene

zelf een innerlijken drang te leggen. Zoodanigen drang kunnen wij ons

niet anders verklaren dan als verwant aan datgene, wat in ons wil is.

Het verschil tusschen ons en de niet-bewerktuigde natuur is enkel dit,

dat bij ons de richting van den wil niet eenzijdig loodrecht op het

middelpunt der aarde is gericht, maar, naar gelang van de beelden die

het intellekt ons verschaft, met noodwendigheid nu eens hierheen dan

weder daarheen streeft. Dat het wezen der krachten in de ons omringende

natuur identisch is met den wil in ons, kan door niemand, die ernstig

nadenkt, betwijfeld worden. Wanneer die waarheid een paradox schijnt,

bewijst dat enkel, dat zij een zeer gewichtige ontdekking moet heeten.

Het is duidelijk dat als wij het woord wil in zoo ruimen zin nemen,

het enkel een term is voor een onbekende zaak. Wat wij in onszelf

als wil aantreffen, is volgens Schopenhauer geen „An sich”, maar

een verschijnsel er van. Hij noemt het een „Urphænomen”, een

oorspronkelijk verschijnsel, maar dan is het onbetwistbaar toch

niet de werkelijkheid, welke aan alle verschijnselen ten grondslag

ligt.

Leugen en bedrog, die overal in de wereld veelvuldig zijn, hebben

nergens een zoo vrije speelruimte als daar, waar de wetten der natuur

verklaard worden te zijn opgeheven. Intusschen kan er aan de

werkelijkheid van dierlijk magnetisme en van sommige sympathetische

genezingen niet getwijfeld worden. Om aan al zoodanige geheimzinnige

verschijnselen met een voornamen glimlach voorbij te gaan, moet men de

wereld al zeer begrijpelijk vinden, er niet het minste besef van

hebben, dat wij door een zee van raadselen zijn omgeven en rechtstreeks

noch de dingen, noch ons zelve doorgronden. Juist de aan deze

oppervlakkige gezindheid tegengestelde bewerkt, dat bijna alle groote

mannen van alle tijden en alle volken een zekeren zweem van bijgeloof

hebben vertoond. Wanneer onze natuurlijke wijze van kennen een

zoodanige ware, dat ze rechtstreeks de dingen op zich zelve en de

verhoudingen, waarin ze tot elkander staan, ons deed peilen, dan zouden

wij inderdaad het recht kunnen hebben alle voorwetenschap van de

toekomst, alle verschijningen van afwezigen, van stervenden, ja van

gestorvenen, alle magische inwerking bij voorbaat en onvoorwaardelijk

te verwerpen. Wanneer echter, zooals Kant meent, wat wij leeren kennen

enkel verschijnselen zijn, wier vormen en wetten niet voor de dingen op

zich zelve gelden, dan is zoodanige verwerping voorbarig, daar in dat

geval de dingen op zich zelve, waartoe ook ons eigen innerlijk zelf

behoort, niet aan die wetten onderworpen zijn. Die dingen kunnen dus in

verhoudingen tot ons staan, die magische gebeurtenissen ten gevolge

hebben, en alleen de ervaring moet in dat geval beslissen, of en in

hoever dat plaats grijpt.

De bewegingen van het eigen lichaam zijn ten volle onverklaarbaar en

moeten aan een bovennatuurlijken invloed van den wil worden

toegeschreven. Waarom, zoo dacht men, zou die wil zich ook niet tot

andere lichamen kunnen uitstrekken? Hiertoe den weg te vinden, de

afzondering, waarin de wil zich in ieder individu bevindt, op te

heffen, de sfeer van het rechtstreeksche willen te verruimen en het

verder te doen reiken dan het eigen lichaam van den willenden persoon,

ziedaar de taak, welke de magie zich stelt.

Dierlijk magnetisme en sympathetische genezingen kunnen niets anders

zijn dan een werken, waarbij de wil, die anders enkel binnen de grenzen

van den willenden individu zijn rechtstreeksche kracht openbaart, ook

daar buiten optreedt. Door ondubbelzinnige getuigenissen is aan te

toonen, dat zij, die in de oude magie dieper waren ingewijd, eenstemmig

al haar werkingen aan den wil van den zoogenaamden toovenaar

vastknoopten. Dit is een sterk empirisch bewijs voor mijne leer, dat

datgene, wat er nog buiten de voorstelling bestaat, niets anders is dan

wat wij in ons zelve als wil aantreffen.

Wat men het verbond met den Satan noemt is niets anders dan de

inwerking van den boozen wil, welke, bijvoorbeeld door afgesneden haren

te verbranden of door figuurtjes van was met naalden te doorboren, zich

wreekt op den een of anderen persoon. Het is wel merkwaardig dat

zoodanige hekserij op de meest verschillende plaatsen der wereld en in

alle tijden inheemsch is. Theurgie en dæmonologie daarentegen zijn

onzin. Wat magischen invloed uitoefent is niets anders dan de wil.

Mogelijk is het, zegt Paraselsus, dat zonder behulp van mijn lichaam,

enkel ten gevolge van mijn vurig begeeren, mijn zwaard een vijand

doorboort.

In het jaar 1854 heb ik het geluk gehad Regazoni uit Bergamo te zien

werken. Zijne met hem in rapport staande somnambule bracht hij, zoodra

hij verkoos, in een toestand van katalepsie; hij kon bloot door zijn

wil, zonder een enkel gebaar te maken, achter haar staande haar op den

rug doen vallen. Hij kon haar verlammen, in verstijvende kramp brengen,

haar uitgezette pupillen en volledige gevoelloosheid bezorgen. Een dame

uit het publiek liet hij piano spelen, en plotseling vijftien schreden

achter haar staande verlamde hij haar, enkel door zijn wil, zoodat zij

geen noot meer kon ten gehoore brengen. Hij tooverde haar vast tegen

een zuil, zoodat zij, ondanks de grootste inspanning, geen vin

verroeren kon.

Schopenhauer leert elders, dat de onkreukbaarheid der natuurwetten

schier huiveringwekkend is en dat het aan haar is toe te schrijven,

wanneer, heden zoo goed als voor duizend jaren, onder gelijke

omstandigheden gelijke verschijnselen plaats grijpen. Het

bevreemdende van dien regelmaat verdwijnt echter volgens hem,

wanneer men in aanmerking neemt, dat ruimte, tijd en causaliteit

enkel vormen onzer kennis zijn en niets met den wil, niets met het

ding op zich zelf, te maken hebben. Iedere zich openbarende

natuurkracht is enkel de wil op een bepaalden trap van zijn

verschijning en dus onveranderlijk. Wie dit voorziet, begrijpt

tevens dat uitzonderingen op natuurwetten onmogelijk zijn, dat dus

de keten der oorzaken en werkingen nergens en nooit door een

oorspronkelijke kracht kan verbroken worden. De vraag is hoe

Schopenhauer in strijd met dat alles magische verschijnselen kon

aannemen. Die vraag klemt te meer, wanneer men in aanmerking neemt,

dat volgens Schopenhauer ieder lichaam zichtbare wil is. Het

lichaam van den mensch is de zichtbare wil om als een mensch te

leven, de hersenmassa van een mensch de zichtbare wil om als een

mensch te kennen en te denken. Wil en wereld zijn twee zijden van

een en het zelfde. Dan begrijp ik niet hoe de eene zijde kan

ingrijpen in de andere.

FRAGMENTEN UIT „DIE BEIDEN GRUNDPROBLEME DER ETHIK, BEHANDELT IN ZWEI

AKADEMISCHEN PREISSCHRIFTEN”

Enkel door tijd en ruimte is er veelheid van het gelijksoortige,

verscheidenheid van individuen mogelijk. Maar tijd en ruimte zijn

slechts kenvormen. Het is dus schijn, dat de wil zich in een veelheid

van individuen splitst. Deze veelheid treft niet den wil als ding op

zich zelf, maar enkel zijne verschijning; in ieder individu is de wil

geheel en ongesplitst voorhanden, en aanschouwt hij om zich heen het

tallooze malen herhaalde beeld van zijn eigen wezen. Dit wezen, het in

den echten zin werkelijke, vindt ieder rechtstreeks in zijn innerlijk.

Daarom wil ieder alles voor zich, wenscht alles te bezitten, ten minste

te beheerschen; wat hem weerstand biedt, zou hij willen vernietigen.

Hierbij komt, dat, althans bij de kennende wezens, het individu tevens

subjekt en dit drager der wereld is; m.a.w. de geheele natuur daar

buiten, alle overige individuen inkluis, bestaan in zijn voorstelling;

hij heeft er bewustzijn van dat al zijn medeschepselen in zoover

afhangen van zijn eigen bestaan, dat met zijn bewustzijn noodzakelijk

ook zijn wereld te gronde gaat. Ieder individu is dus mikrokosmos,

kleine wereld, in zoover met den makrokosmos, de groote wereld,

gelijkwaardig. De altijd en overal waarachtige natuur zelve geeft hem,

oorspronkelijk en onafhankelijk van alle nadenken, deze eenvoudige en

onmiddellijk zekere kennis. Dat is de reden, waarom ieder in het

grenzeloos heelal verdwijnend individu zich zelf tot middelpunt der

wereld maakt, zijn eigen bestaan en welzijn boven al het overige

behartigt, ja al het andere bereid is daaraan op te offeren, de wereld

zou willen vernietigen om slechts zijn eigen zelf, dien druppel in de

zee, iets langer in aanzijn te doen blijven. Deze gezindheid is het

egoïsme, dat ieder schepsel aankleeft. In haar openbaart zich op

vreeselijke wijze de innerlijke tweespalt van den wil met zich zelf.

Want zij wortelt in de tegenstelling tusschen mikrokosmos en

makrokosmos. Zij vindt daarin haar grond, dat de wil in den vorm der

individualiteit verschijnt, zoo ontelbare malen en wel telkens op

tweeërlei wijze, als wil en voorstelling, geheel en volledig optreedt.

Terwijl ieder dus zich zelf als wil in zijn geheel en als subjekt der

wereld gevoelt, gaan hem eigen bestaan en eigen welzijn boven alles ter

harte. Naar zijn eigen dood ziet ieder uit als naar het einde der

wereld, terwijl hij het overlijden van zijn bekenden als een tamelijk

onverschillige zaak opvat, wanneer hij niet persoonlijk daarbij

betrokken is. Waar het bewustzijn, gelijk bij den mensch, den hoogsten

graad erlangt, moet ook het zelfgevoel in de hoogste mate te voorschijn

treden, en dus de strijd tusschen de individuen onderling op de meest

ontzettende wijze gevoerd worden. Het duidelijkst blijkt dit, wanneer

wet en overheid tijdelijk met onmacht geslagen zijn. Dan tracht ieder

aan den ander te ontrukken wat hij zelf hebben wil, en dat niet alleen,

maar, om het eigen welzijn ook maar eenigszins te vermeerderen, worden

geluk en leven van anderen opgeofferd. Deze oorspronkelijke tweespalt

van den wil met zich zelven is een onuitputtelijke bron van lijden,

ondanks alle dammen, welke men daartegen heeft opgeworpen; ja zij is de

hoofdbron der ellende, welke alle leven onvermijdelijk vergezelt.

Behalve egoïsme huist er in den mensch ook nog eigenlijk gezegde

boosaardigheid, namelijk onzelfzuchtige vreugde over vreemd lijden. De

verklaring hiervan is de volgende. Daar de mensch verschijning van den

wil is, die door heldere kennis wordt bestraald, meet hij de werkelijke

en gevoelde bevrediging van zijn wenschen af naar wat als mogelijk zich

aan hem voordoet. Zoo ontstaat de nijd: iedere ontbering wordt door

aanschouwing van vreemd genot feller gevoeld omgekeerd door te weten,

dat ook anderen hetzelfde missen, dragelijker gemaakt. Het kwaad, dat

allen gemeenschappelijk hebben te verduren, daar het van het

menschenleven onafscheidelijk is, bedroeft ons weinig; zoo schikken we

ons in de guurheid van het klimaat. De herinnering aan grooter leed dan

het onze stilt onze smart; de aanschouwing van vreemd lijden tempert

ons eigen leed. Wanneer nu een mensch, die door een heftigen wilsdrang

wordt bezield, alles zou willen bijeengaren om den dorst van zijn

egoïsme te lesschen, en daarbij, zooals noodzakelijk is, ervaren moet,

dat alle bevrediging slechts schijnbaar is, het erlangde nooit

verschaft wat het, toen het nog begeerd werd, beloofde, dat door de

vervulling van een wensch de drang om te willen slechts van gestalte

verandert en nu onder een nieuwen vorm gaat kwellen, dat ten slotte,

wanneer alle begeerten zijn uitgeput, de wilsdrang zelf, ook zonder

gekend motief, overblijft en zich als gevoel van leegte en ontzettende

verveling kond doet, dan zoekt hij voor zijn ongeneeslijke ellende heul

langs een omweg, door den aanblik van vreemd lijden, waaraan hij zich

tevens om deze reden vergast, dat het hem zijn macht over anderen

toont. Ziedaar de oorsprong van wreedheid, van bloeddorst, waarvan de

geschiedenis ons zoo menig voorbeeld geeft.

Met boosaardigheid verwant is de wraakzucht, die kwaad met kwaad

vergeldt, niet met het oog op de toekomst, want dat is het karakter van

straf, welke, indien zij redelijk is, herhaling der slechte daad tracht

te voorkomen, en dus tot beveiliging wordt opgelegd, maar enkel om wat

er geschied is, om wat achter ligt, wijl men zich vergasten wil aan het

leed van hem, die eerst leed heeft berokkend. Wat wraak onderscheidt

van eigenlijke boosheid en haar eenigermate verontschuldigt is een

schijn van recht, in zoover n.l. dezelfde handeling, die nú wraak is,

wanneer zij in naam der wet, dus volgens een vooraf bepaalden en

bekenden regel in een maatschappij, die haar bekrachtigd heeft, plaats

greep, inderdaad straf en dus recht zou zijn.

Hoe dicht ook de sluier van Maja den zin van den egoïst moge omhullen,

hoe vast hij er dientengevolge van moge overtuigd zijn, dat zijn

persoon door een onoverkomelijke kloof van ieder ander gescheiden is,

en hoezeer hij ook aan die overtuiging moge vasthouden om er zijn

egoïsme op te doen steunen, want ook hier wordt, gelijk zoo dikwijls,

het inzicht door den wil beheerscht, toch verheft zich soms het donker

besef, dat die orde der dingen, welke in tijd en ruimte bestaat, en

volgens welke de rampen, die andere individuen treffen, ons niet

aangaan, ijdele waan is. Op deze wijze laat zich de ontzetting

verklaren, welke een boosdoener over zijn eigen daad kan gevoelen: het

doemt in hem op, dat hij en zijn slachtoffer één zijn, dat de scheiding

tusschen de individuen enkel een bedriegelijke droom is, dat alle

lijden van anderen in werkelijkheid ook zijn lijden is. Zoo wordt de

gewetensangst geboren, die den misdadiger tot zelfmoord kan drijven.

Doch de dood gelijkt op den ondergang der zon, die slechts in schijn

door den nacht verzwolgen wordt, maar inderdaad onophoudelijk gloed van

zich geeft, aan nieuwe werelden nieuwe dagen schenkt, voortdurend

verrijst en voortdurend ondergaat. Aanvang en einde treft enkel het

individu door middel van den tijd, vorm van alle verschijning. Buiten

den tijd ligt alleen de wil, Kant’s „Ding an sich”, en de volledige

vertegenwoordiger van dien wil, Plato’s idee. Daarom baat zelfmoord

niet; wat ieder in het diepst van zijn gemoed wil, dat moet hij zijn,

en wat ieder is, dat wil hij ook. Deze waarheid is het, welke op

mythische wijze door de leer der zielsverhuizing wordt uitgedrukt. Wat

aan het geweten zijn angel geeft, is enkel het gevoelde besef der

nietigheid van de voorstellingsvormen, waardoor de individuen van

elkander worden afgezonderd.

Het is dat zelfde besef, waardoor het medelijden wordt verklaard.

Immers dit onderstelt, dat ik mij met een ander, die lijdt,

vereenzelvigd heb en bij gevolg de slagboom tusschen ik en niet-ik,

voor het oogenblik althans, is opgeheven. Slechts zoo wordt het lot van

dien ander, zijn behoefte, zijn nood, onmiddellijk het mijne. In hem

lijd ik mede, ofschoon mijn huid niet zijne zenuwen omspant. Zelfs de

hardvochtigste kent dat gevoel van medelijden bij tijd en wijle.

Dagelijks openbaart het zich aan onze oogen, overal waar een mensch een

ander helpt en bijstaat, ja misschien zijn leven voor iemand, dien hij

den eersten keer ziet, in gevaar brengt, zonder daarbij meer te denken

dan dat die ander in grooten nood verkeert.

Egoïsme, boosaardigheid en medelijden, ziedaar de drie oorspronkelijke

drijfveeren van alle menschelijke handelingen, die drie ingrediënten,

waaruit het karakter van alles, wat een menschengelaat vertoont, is

samengesteld. Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat die drie

bestanddeelen in verschillenden graad bij verschillende personen worden

aangetroffen en dat daaraan ieder zijn individueel karakter te danken

heeft.

Egoïsme, dat het eigen welzijn wil, levert handelingen op, die ten

deele verwerpelijk heeten, ten deele uit een moreel oogpunt

onverschillig zijn. Boosaardigheid, die het vreemde leed wil, is altijd

slecht. Medelijden, dat het vreemde welzijn wil, is de bron waaruit

goede handelingen ontspringen.

Medelijden, niet medevreugde, is een oorspronkelijke drijfveer. De

grond daarvan is, dat enkel lijden, waartoe alle gebrek, ontbering,

behoefte, ja wensch behoort, positief is, rechtstreeksch ondervonden.

Bevrediging, genot, geluk bestaat daarin, dat een gemis is opgeheven,

een smart gestild. Zij zijn dus negatief. Behoefte, onlust is

voorwaarde van lust. Dit zag reeds Plato in en maakte enkel voor de

welriekende geuren en de geestelijke vreugden een uitzondering. Ook

Voltaire zegt: „il n’est de vrai plaisir qu’avec de vrais besoins”. Dus

het positieve, het zich door zich zelf aankondigende, is de smart;

bevrediging, genot is het negatieve, de eenvoudige opheffing van het

eerste. Hierop vooral berust het, dat slechts lijden, gebrek, gevaar,

hulpeloosheid van een ander rechtstreeks tot deelneming prikkelt. De

gelukkige, tevredene als zoodanig laat ons onverschillig, want zijn

toestand is negatief. Natuurlijk kunnen wij ons wel over den voorspoed

van anderen verheugen, maar dit is dan een secundair verschijnsel en

vindt daarin zijn oorzaak, dat we ons vroeger over lijden bedroefden;

of wel wij nemen deel aan hun geluk, niet omdat het geluk is, maar

omdat ons kind, onze vader, onze vriend, hier door de fortuin wordt

begunstigd. Zelfs waar het onzen eigen persoon betreft is het enkel

lijden, waartoe wensch, behoefte, ieder gemis te tellen is, dat ons in

beweging brengt; een toestand van tevredenheid en voldaanheid laat ons

in trage rust; hoe zou het ten opzichte van anderen niet evenzoo zijn?

Immers deelneming met anderen wortelt daarin, dat wij ons met hen

vereenzelvigen.

Dit laatste wordt betwist door hen die meenen, dat medelijden daarin

wortelt, dat wij ons in de plaats van den lijdenden persoon denken en

zoo in de verbeelding zijne smarten ondergaan. Zoo is het geenszins;

voortdurend blijft het ons duidelijk, dat de ander de lijder is, niet

wij; juist in hem, niet in ons ontdekken wij het lijden tot onze smart.

Wij voelen zijn verdriet als het zijne en beelden ons niet in dat het

ons verdriet is; hoe gelukkiger juist onze eigen toestand is, hoe

grooter kontrast er dus bestaat met den toestand van den ander, des te

vatbaarder zijn wij voor het medelijden. Medelijden is een mysterie; de

verklaring ervan is niet op den weg der psychologie te bereiken; zij

wortelt in het inzicht, dat de slagboomen tusschen de individuen

slechts schijnbaar zijn en in werkelijkheid, afgezien van tijd en

ruimte, er geen verschil is tusschen u en mij.

Wanneer er iets is, waaruit de bewonderenswaardige diepzinnigheid van

Kant duidelijk blijkt, dan is het zijne leer van de idealiteit van tijd

en ruimte. Hij heeft haar op zoo afdoende manier bewezen, dat er niets

meer tegen haar kan worden ingebracht en zij als een definitieve

verovering op het gebied der metaphysica kan worden aangemerkt. Volgens

haar zijn ruimte en tijd de vormen van ons eigen aanschouwingsvermogen

en behooren zij dus niet aan de daardoor gekende dingen op zich zelve

toe, worden zij enkel in de wereld der verschijnselen aangetroffen.

Maar als tijd en ruimte aan het echte wezen der wereld vreemd zijn, dan

is daaraan ook geen veelheid toe te kennen; dus kan zich in de tallooze

verschijnselen van het zinnelijk heelal slechts één en hetzelfde,

steeds identische wezen, openbaren. Omgekeerd moet wat zich als

veelheid, dus in tijd en ruimte, voordoet, schijn zijn.

Deze leer van al-eenheid is veel ouder dan Kant, zij wordt aangetroffen

in het oudste boek der wereld, de heilige Veden, wier dogmatisch deel,

in de Upanischads voorhanden, de wijsheid behelst voor de ingewijden

bestemd. Hier vinden wij haar in tallooze wendingen uitgesproken en

door beelden en gelijkenissen toegelicht. Wij treffen haar ook in de

school der Eleaten aan. Later waren er de Neo-Platonici van

doordrongen, „dat van wege de eenheid van alle dingen ook alle zielen

één waren”. In de negende eeuw zien wij die leer onverwacht bij Scotus

Erigena optreden, die haar in de vormen en uitdrukkingen van den

christelijken godsdienst hult. Onder de Mohammedanen treffen wij haar

als de mystiek der Sufis aan. Ook de christelijke mystici worden door

haar bezield. Spinoza’s naam is met haar vereenzelvigd. In onze dagen

eindelijk, nadat Kant het oude dogmatisme had vernietigd en de wereld

vol ontzetting voor de door hem aangerichte verwoesting terugbeefde,

werd zij weder door Schelling in omloop gebracht. Het is wel

merkwaardig, dat het strenge bewijs der leer van de al-éénheid enkel

bij Kant gevonden wordt en nogtans Kant zelf die leer niet afgekondigd

heeft: op den trant van wijze redenaars gaf hij enkel de praemissen aan

en gunde aan de toehoorders de vreugde om daaruit de conclusie te

trekken.

Meent men, dat ieder individu een van alle anderen onderscheiden wezen

is en dat men enkel in het eigen zelf een echt zijn heeft, dat al het

overige niet-ik en dus vreemd is, dan belijdt men een stelling, voor

wier waarheid vleesch en bloed getuigenis afleggen, die aan alle

egoïsme ten grondslag ligt en waarvan de uitdrukking in iedere

liefdelooze, onrechtvaardige, boosaardige, handeling te vinden is. Kon

hij, die volgens dat inzicht handelt, in het diepste innerlijk van zijn

doodvijand binnendringen, dan zou hij daar tot zijn verrassing zich

zelf ontdekken. Evengoed als in den droom in alle ons verschijnende

personen wij zelven steken, is dat ook in wakenden toestand het geval,

ofschoon het dan niet zoo gemakkelijk is in te zien.

Terwijl voor den booze of den egoïst alles wat buiten hem is niet-ik

is, zijn anderen voor een goed karakter: ik nog eenmaal. Een

beminnelijk mensch, die in alles wat leeft zijn eigen zelf aanschouwt

en lief heeft, wiens bestaan derhalve met het bestaan van alle anderen

samenvloeit, verliest door den dood slechts een klein deel van zijn

aanzijn; hij leeft voort in alle overigen, als de misleiding verdwijnt,

die zijn bewustzijn scheidde van dat der overigen. Dit zal wel, zoo

niet de eenige, dan toch de hoofdreden zijn, waarom zeer goede en zeer

slechte menschen het stervensuur op zoo verschillende wijze te gemoet

zien.

Het medelijden, vereenzelviging van ons zelf met anderen, is de eenige

bron van de twee kardinale deugden: rechtvaardigheid en menschenliefde.

Rechtvaardigheid, die negatief is, er zich voor wacht anderen kwaad te

doen; liefde, die positief is, er op uit anderen goed te doen. Is mijn

gemoed voor medelijden ontvankelijk, dan zal het mij terughouden vreemd

lijden als middel te gebruiken tot bereiking van eigen geluk. Ik zal

dus niet het eigendom en den persoon van een ander aantasten, hem

evenmin geestelijk als lichamelijk leed veroorzaken, hem niet krenken,

ergeren, angst aanjagen, belasteren, evenmin als ik hem verminken zal.

Ik zal niet de bevrediging mijner lusten ten koste van het levensgeluk

van vrouwen najagen, niet de echtgenoote van een ander verleiden, niet

jongelingen zedelijk en lichamelijk ten gronde richten. Hier blijkt het

dat wij goede beginselen noodig hebben, want wanneer in ieder bizonder

geval voor het nalaten van wat kwaad is het medelijden zelf in hooge

mate moest worden opgewekt, dan zou het wel eens te laat kunnen komen.

Uit de eens voor altijd verkregen kennis van het lijden, dat iedere

onrechtvaardige handeling noodwendig voor anderen na zich sleept en dat

door het gevoel van het zelf onrecht lijden, van het pijnlijk zwichten

voor vreemde overmacht, verscherpt wordt, vloeit in edele gemoederen de

stelregel voort: krenk niemand. Redelijk nadenken verheft dan dien

regel tot het voor eens en immer vaste voornemen de rechten van een

ieder te eerbiedigen, niet uit baatzucht of boosheid in de levenssfeer

van een ander in te dringen, zich niet het zelfverwijt op den hals te

halen dat men vreemd lijden veroorzaakt heeft, dus zijn eigen deel van

de lasten en rampen des levens zelf te dragen, dit niet door geweld of

list anderen toe te schuiven, zoo niet de ellende van anderen te

vergrooten. Ofschoon stelregels nooit de oorspronkelijke bron of het

echte fundament van zedelijkheid zijn, toch mag men ze voor een goeden

levenswandel onontbeerlijk noemen, want ze zijn de plaats waarin de

gezindheid wordt voor anker gelegd, die uit de bron der moraliteit,

welke niet onafgebroken vloeit, ontsprongen is; wanneer het nu later op

handelen aankomt, wordt zij door een afgeleid kanaal in de vereischte

richting geleid. Zonder vaste stelregels zouden wij aan de onzedelijke

drijfveeren, wanneer ze door de omstandigheden in ons worden wakker

gemaakt, onweerstaanbaar zijn prijsgegeven. Het vasthouden en opvolgen

van stelregels, ondanks daartegen indruischende machten, heet

zelfbeheersching. Vrouwen zijn meestal minder goed in staat dan mannen

om algemeene beginselen te begrijpen en tot richtsnoer te nemen, daar

zij, ook uit het oogpunt der rede, het zwakke geslacht zijn; daarom

staan zij in den regel achter bij de mannen in rechtvaardigheid,

eerlijkheid en nauwgezetheid van geweten. Zij vervallen eerder tot

leugen en valschheid; daarentegen overtreffen zij de mannen in

barmhartigheid, want hier is de aanleiding meestal aanschouwelijk en

spreekt dus rechtstreeks tot het medelijden, waarvoor de vrouwen zeer

ontvankelijk zijn. Slechts het aanwezige, het onmiddellijk voorhandene

bestaat voor de vrouw in den eigenlijken zin des woords; wat enkel door

begrippen gekend wordt, het afwezige, verledene, toekomstige, is voor

haar niet zoo bevattelijk. Dus is er kompensatie: rechtvaardigheid is

meer de mannelijke, barmhartigheid meer de vrouwelijke deugd. De

gedachte vrouwen in den rechterstoel te plaatsen doet lachen; maar als

liefdezusters winnen zij het gewoonlijk van de broeders van

barmhartigheid.

Feitelijk is er ten allen tijde menschenliefde geweest, maar

theoretisch ter sprake gebracht en nadrukkelijk als deugd, ja zelfs als

de grootste van alle deugden erkend, werd zij eerst door het

Christendom, dat zelfs de vijanden niet van de werking dier liefde

wilde buitensluiten. Daarin bestaat dan ook de grootste verdienste van

het Christendom, ten minste voor Europa, want in Azië gold reeds

duizende jaren vroeger de regel, dat men geen onderscheid moet maken

tusschen zich zelf en anderen. Wanneer wij enkel op de theorie letten,

dan moeten wij erkennen, dat de filosofen der europeesche oudheid,

zelfs Plato meegerekend, wèl rechtvaardigheid, vrijwillige,

onbaatzuchtige rechtvaardigheid aanbevolen hebben, maar liefde en

barmhartigheid nog niet als deugden hebben beschouwd.

Liefde is het zedelijk motief, als medelijden niet enkel weerhoudt een

ander te krenken, doch zelfs aanspoort hem te helpen. De stelregel,

waarnaar die deugd zich richt, luidt aldus: „help allen, zooveel in uw

vermogen is”. Natuurlijk moeten de handelingen, waarmee ik een ander

bijsta, niet mijn eigen welzijn op het oog hebben, dus niet om loon in

deze of een andere wereld verricht worden, ook niet daarom dat ik door

ze na te laten de achting der menschen of de achting voor mij zelf zou

verliezen; wanneer zulke beweegredenen in het spel zijn, moet het

liefdebetoon uit een zedelijk oogpunt onverschillig heeten. Zeer juist

wordt dan ook in het evangelie van Mattheus gezegd, dat wie met zijn

giften pronkt zijn loon weg heeft. Eveneens wordt in de Vedas

verzekerd, dat wie loon voor zijn werken begeert, nog op den weg der

duisternis wandelt en niet rijp is voor de verlossing.

Als de stelregel: niemand te krenken door de handelingen van den

rechtvaardige, in toepassing wordt gebracht, werkt het medelijden niet

rechtstreeks, maar toch blijft het steeds bereid om te voorschijn te

treden. Stel b.v. dat iemand in strijd met zijn beginsel lust bespeurt

om een door hem gevonden kostbaar voorwerp te behouden, dan zal, met

terzijdestelling van alle berekeningen van voorzichtigheid en van vrees

voor het hiernamaals, niets hem zoo gemakkelijk op het pad der

rechtvaardigheid terugbrengen, als de voorstelling van den angst, het

harteleed en de weeklachten van den verliezer. In het besef van deze

waarheid wordt dikwijls aan de oproeping in de dagbladen om verloren

geld terug te brengen toegevoegd, dat de verliezer een arm mensch is,

iemand die het niet missen kan.

Deze beschouwingen zullen duidelijk maken, dat rechtvaardigheid als

echte, vrije deugd, inderdaad haar oorsprong heeft in medelijden. Men

bedenke hierbij hoe gering de maat van vrijwillige, onzelfzuchtige,

onopgesierde, rechtvaardigheid is, welke onder de menschen wordt

aangetroffen, hoezeer zij altoos als verrassende uitzondering voorkomt

en tot haar namaak, uit berekening voortvloeiende en overal luid

rondgebazuinde rechtvaardigheid, wat hoedanigheid en hoeveelheid

betreft, in dezelfde verhouding staat als goud tot koper. Ik zou de

laatste de algemeene, de andere de hemelsche rechtvaardigheid willen

noemen, want zij is het, die volgens Hesiodus in de ijzeren eeuw de

aarde verliet, om boven bij de goden te wonen. Voor deze zeldzame en op

aarde steeds uitheemsche plant is de wortel van het medelijden sterk

genoeg.

Onrecht bestaat altijd in krenking van een ander. Dus is het begrip

onrecht positief en gaat het vóór aan het begrip recht, dat negatief

is, en enkel de handelingen aanduidt, die men verrichten kan, zonder

anderen kwaad te doen, zonder onrecht te plegen. Het ligt voor de hand,

dat tot die sfeer van het recht ook alle handelingen behooren, welke

geen ander doel hebben dan onrecht af te weren. Immers geen medelijden

met een ander kan mij er toe brengen mij gewillig door hem te laten

benadeelen. Dat het begrip recht negatief is, blijkt ook uit de

verklaring, die de vader der filosofische rechtsleer, Hugo Grotius, aan

het begin van zijn werk over „Het Recht van oorlog en vrede” geeft in

deze woorden: „Recht beteekent hier niets anders dan wat rechtvaardig

is, en dit meer in een ontkennenden dan in een stellenden zin, in

zoover recht is, wat geen onrecht is”. De negativiteit van het recht

blijkt ook, in strijd met den schijn, uit de gewone definitie: „ieder

het zijne geven”. Is het ’t zijne, dan hoeft men het hem niet te geven;

de bedoeling is dus: „niemand het zijne nemen”. Daar recht enkel

negatief is, laat het zich afdwingen, want de regel „doe niemand

kwaad”, kan door allen gelijktijdig in praktijk worden gebracht. Het

dwanginstituut daartoe is de Staat, wiens eenig doel is de enkelingen

tegen elkander en het geheel tegen buitenlandsche vijanden te

beschermen. Eenige filosofen van den tegenwoordigen tijd zouden den

Staat wel willen verdraaien tot een zedelijkheids- of

opvoedingsinstituut, maar dan komt men er licht toe om de persoonlijke

vrijheid aan te randen, de individueele ontwikkeling te belemmeren. Op

dien weg is men vroeger tot inquisitie, auto’s da fe,

godsdienstoorlogen afgedwaald; het woord van Frederik den Groote: „in

mijn land moet ieder op zijn eigen façon voor zijn zaligheid kunnen

zorgen” gaf te kennen, dat hij dien verkeerden weg nooit wilde

betreden. Daarentegen zien wij ook thans nog overal, met uitzondering

misschien van Noord-Amerika, den Staat de behartiging der metaphysische

behoeften van zijn burgers op zich nemen. De regenten schijnen tot hun

beginsel de woorden van Quintus Curtius gekozen te hebben: „Niets

bestuurt den grooten hoop zoo zeker als het bijgeloof; de in den regel

teugellooze, wreede en wankelmoedige massa gehoorzaamt, als ze door

godsdienstwaan wordt aangegrepen, eer haar priesters dan haar

overheden”.

Hier is het noodig voor het begrip plicht, waaraan zoowel in de ethika

als in het leven een te groote uitbreiding wordt gegeven, de juiste

grens te trekken. Onrecht is altijd krenking van een ander in zijn

persoon, zijn vrijheid, zijn eigendom, zijn eer. Dus schijnt te volgen,

dat ieder onrecht een werkelijke aanranding, een daad moet zijn.

Intusschen zijn er handelingen, welke men niet nalaten kan, zonder

onrecht te plegen. Dat zijn de eigenlijke plichten. Ziedaar de juiste

bepaling van het begrip plicht, dat zijn eigenaardigheid geheel

verliest, wanneer men, gelijk in de heerschende moraal, iedere

loffelijke handeling plicht noemt, en dus vergeet, dat wat plicht is

ook schuld moet zijn. Plicht, le devoir, duty is een handeling, welke

men niet ongedaan kan laten, zonder een ander te benadeelen. Maar dat

kan slechts dán het geval zijn, wanneer men zich tot een zoodanige

handeling verbonden, dus verplicht heeft. Alle plichten berusten op een

uitdrukkelijke, wederkeerige overeenkomst, zooals tusschen vorst en

volk, regeering en beambten, heer en knecht, advokaat en cliënt,

geneesheer en zieke. Daarom geeft iedere plicht een recht, want niemand

kan zich verplichten zonder een motief, zonder eenig voordeel voor zich

er in te zien. Slechts één verplichting is mij bekend, die niet op een

overeenkomst berust, maar eenvoudig uit een handeling voortspruit, daar

hij, jegens wien men ze heeft, nog niet bestond, toen men haar

aanvaardde: het is die der ouders tegenover hunne kinderen. Wie een

kind in de wereld brengt, is verplicht het te onderhouden tot het zich

zelf onderhouden kan, dus onder omstandigheden levenslang.

Dit alles schijnt hoogst eenvoudig, maar Schopenhauer, die een

denker is, en dus de conclusies uit zijne præmissen weet te

trekken, voegt er aan toe: Geen plicht is het een hongerlijder

brood te geven. Hard en onmenschelijk mag dat heeten, maar van

plicht behoort enkel daar sprake te zijn, waar recht er aan over

staat. Inderdaad is het verkeerd het begrip plicht zóó uit te

breiden, dat alles wat goed en loffelijk is er onder valt, want de

echte plichten komen dan in het gedrang en loopen gevaar voor het

publiek besef hun bindend karakter te verliezen. Misbruik van de

taal kan een nadeeligen invloed uitoefenen op de zeden van een volk

en is dikwijls zelf een spiegel van bederf en karakterzwakte. Men

moet dankbaarheid geen plicht noemen, ook al is het uitblijven er

van hatelijk en ergerlijk; immers men kan niet beweren, dat de

weldoener een koop heeft willen sluiten en zich dus in zijn recht

gekrenkt mag achten, als hij geen dank te oogsten krijgt. Zoo is

het ook beter het met de strikte rechtvaardigheid, dan met de

zoogenaamde billijkheid te houden; wie zich in de eerste plaats

vriend van billijkheid noemt, loopt gevaar in voorkomende

omstandigheden niet op zijn eigen recht te staan, zelfs aan het

recht van derden afbreuk te doen. Grootmoedigheid is heerlijk, maar

noodiger is stipte rechtvaardigheid. Vandaar de staatstaak om

onrecht met geweld af te weren en zoo aan het grenzenlooze egoïsme,

de boosheid van velen, de wreedheid van enkelen paal en perk te

stellen. Zonder den dwang der wetten, en de bescherming, die door

justitie en politie wordt uitgeoefend, zou het blijken, dat te

midden van de duizenden, die vreedzaam op straat naast en door

elkander loopen, tal van tijgers en wolven worden aangetroffen, die

zeer zeker een muilkorf van noode hebben.

Waarop berust het groote verschil der menschen uit een zedelijk

oogpunt? Als medelijden de gronddrijfveer is tot alle echte, dus

onbaatzuchtige rechtvaardigheid en menschenliefde, waarom wordt de een

wèl, de ander niet daardoor bewogen? Is misschien de ethika, terwijl

zij de zedelijke drijfveeren aanwijst, ook in staat ze aan het werk te

zetten? Kan zij den hardvochtigen mensch in een medelijdend en zoo in

een rechtvaardig en liefderijk mensch omscheppen?—Stellig niet. Gelijk

aan den slang gifttanden en giftblaas zijn aangeboren, zoo is den

boosaardige zijn boosheid aangeboren. „Willen wordt niet door onderwijs

aangeleerd”, heeft de opvoeder van Nero gezegd. Reeds Theognis

verzekerde, dat men door sermoenen van een slechtaard nooit een goed

mensch zou kunnen maken. Wanneer niet het karakter als oorspronkelijk

en onveranderlijk voor alle verbetering ontoegankelijk ware, dan zouden

de vele godsdienstige inrichtingen en moraliseerende genootschappen

haar doel stellig niet gemist hebben en in doorsnede de oudere helft

van ons geslacht beter zijn dan de jongere. Daarvan is echter zoo

weinig een spoor te vinden, dat wij omgekeerd eer van jongelieden dan

van ouden grootmoedigheid en zielenadel verwachten. Het kan gebeuren,

dat een mensch, als hij op jaren is gekomen, beter of slechter schijnt

dan hij in zijn jeugd was: dit ligt slechts daaraan dat in den

ouderdom, tengevolge van juister en rijper kennis, het karakter

zuiverder te voorschijn treedt, terwijl in de jeugd, door onwetendheid,

dwalingen en hersenschimmen, valsche motieven den wil kunnen bepalen.

Want de motieven, welke op een mensch invloed uitoefenen, zijn niet,

gelijk bij het dier, zonder uitzondering aanschouwelijke

voorstellingen, dus rechtstreeks aan de werkelijkheid ontleend, maar

dikwijls gedachten, welke zoowel onjuist als juist kunnen zijn. Doch

van welken aard de motieven ook mogen zijn, voor welke een bepaald

karakter op een zeker tijdstip toegankelijk is, wanneer zij zich doen

gelden, werken zij met dezelfde noodzakelijkheid als oorzaken in het

algemeen. Gelijk iedere werking in de onbezielde natuur het noodwendig

produkt is van twee factoren, namelijk van de hier zich uitende

onveranderlijke natuurkracht en van de die uiting te voorschijn

roepende afzonderlijke oorzaak, zoo is iedere daad van een mensch het

produkt van zijn individueel karakter en van het ingetreden motief.

Zijn die beide gegeven, dan volgt de daad onvermijdelijk. Om een andere

daad te doen ontstaan, zou er een ander motief of een ander karakter

noodig zijn. Een mensch kan wat hij wil, als hij niet stoffelijk

gebonden is. Ziedaar het vrijheidsbesef, waarvan het zelfbewustzijn

getuigt. Maar wat hij wil en dus doet, dat hangt af van zijn

onveranderlijk karakter en van de motieven, voor welke hij, ten gevolge

van zijn meerdere of mindere kennis, ontvankelijk is.

Wanneer de verzoekingen van een lang leven iemand niet tot misdaad

hebben kunnen bewegen, dan zal hij ook later niet licht motieven

daartoe ontmoeten. Dat schijnt mij de reden te zijn van de achting, die

aan den ouderdom wordt bewezen, want voorwaarde van die achting is, dat

de grijsaard een onbesproken naam behouden heeft. Door de beloften der

moralisten om de menschen beter te maken heeft men zich dan ook in het

werkelijke leven nooit laten om den tuin leiden, maar aan hem, die

eenmaal zich slecht had betoond, geen vertrouwen meer geschonken.

Omgekeerd bouwt men huizen op de edelmoedigheid van hem, die eenmaal

daarvan bewijzen heeft gegeven. „Het werken volgt op het zijn” is een

stelling der scholastiek; ieder ding in de wereld werkt naar zijn

onveranderlijken aard, die zijn wezen uitmaakt; zoo ook de mensch.

Zooals iemand is, zoo zal, zoo moet hij handelen; de zoogenaamde „vrije

wil”, die veroorloven zou op hetzelfde oogenblik zus maar ook zoo te

handelen, een wil om zich een wil te kiezen, is een lang versleten

fabeltje uit de kindsche dagen der filosofie, waarmee enkel nog eenige

oude wijven, met een doctorshoed getooid, te koop loopen.

De drie gronddrijfveeren van den mensch, egoïsme, boosaardigheid,

medelijden, worden in ontelbaar verschillende verhoudingen bij de

verschillende menschen aangetroffen, maar bij niemand gemist. Zoo zijn

er egoïsten, die hun eigen belang nooit zullen opofferen om zich op hun

vijand te wreken of om hun vriend te helpen. Anderen, die voor

boosaardige motieven sterk ontvankelijk zijn, zullen er niet voor

terugdeinzen zich zelf nadeel toe te brengen, wanneer zij maar hun

vijand schade kunnen berokkenen. Zij zijn in staat een moord te begaan

op hen, van wie ze nadeel hebben ondervonden, en onmiddellijk daarna,

om de straf te ontloopen, zich zelf te dooden. Daarentegen bestaat de

goedheid des harten in een diep gevoeld, alles omvattend medelijden met

alles wat leven heeft, natuurlijk in de eerste plaats met den mensch,

daar met de versterking van het intellekt de vatbaarheid voor lijden

gelijken tred houdt; om die reden leggen de geestelijke en lichamelijke

smarten van den mensch veel sterker beslag op het medelijden dan de

alleen physische en dan nog doffe pijn van het dier. Karakters van

zeldzame goedheid trekken zich vreemd lijden soms nog meer aan dan het

eigene, en brengen, om dat te verzachten, offers, door welke zij zich

zelven meer leed op den hals halen dan zij aan den ander hulp

verleenen. Waar zeer velen tegelijk te helpen zijn, deinzen zij er niet

voor terug zelve in den dood te gaan. Men denke aan Arnold von

Winkelried, die, om zijn vrienden te doen zegevieren, de punten van

zooveel speren als hij omvatten kon, op zijn eigen borst richtte.

Het juiste inzicht in de onveranderlijkheid der grondtrekken van

het individueel karakter deed Schopenhauer de bedenkelijke stelling

nederschrijven, dat de menschen door opvoeding en ervaring wel

wijzer, maar niet beter kunnen worden. Ik neem de vrijheid die

stelling bedenkelijk te noemen, wijl door zoo scherpe scheiding

tusschen hoofd en hart de eenheid der menschelijke natuur verbroken

en tevens de waarheid miskend wordt, dat door de gewoonte om op

zekere manier te handelen er een tweede natuur ontstaat.

Overeenkomstig het ongeloofelijk groot, oorspronkelijk verschil

tusschen de karakters zullen voor ieder slechts die motieven gelden,

welke indruk op hem maken; het is hier juist zooals bij de stoffen,

waarvan de eene enkel op zuren, de andere enkel op alkaliën reageert;

gelijk dit laatste, zoo is ook het eerste niet te veranderen. Wil men

nogtans iemand, die schier alleen voor egoïstische motieven

ontvankelijk is, er toe brengen zich als een menschenvriend te

gedragen, dan kan dat enkel geschieden door hem voor te spiegelen, dat

de verzachting van vreemd leed, langs een omweg, zijn eigen voordeel

is, b.v. hem een plaats in den hemel zal bereiden. Daardoor wordt

echter zijn wil niet verbeterd. Om dát te bereiken, zou het noodig

zijn, hem zoo te veranderen, dat vreemd lijden als zoodanig hem niet

meer onverschillig was. Dit is echter veel stelliger onmogelijk dan de

verandering van lood in goud. Men kan een mensch het hart in zijn lijf

niet omkeeren, de diepste diepte van zijn wezen niet omscheppen. Het

eenige, wat men doen kan, is het hoofd te verhelderen, het inzicht

juister te maken, den mensch tot een richtiger opvatting van de

werkelijkheid, van de echte levensverhoudingen te brengen. Daardoor

wordt echter niets verder bereikt dan dat de geaardheid van zijn wil

zich konsekwenter, duidelijker, met meer beslistheid uitspreekt. Want,

gelijk vele goede handelingen in den grond op valsche motieven, op

welgemeende voorspiegelingen van daardoor in deze of een andere wereld

te erlangen voordeel berusten, zoo ontspruiten ook vele misdaden uit

een valsche beschouwing der menschelijke levensverhoudingen. Hierop

steunt het Amerikaansche strafstelsel; het heeft niet tot doel het hart

van den misdadiger te verbeteren, maar enkel hem het hoofd recht te

zetten, hem het inzicht te doen erlangen, dat arbeid en eerlijkheid een

veiliger, ja gemakkelijker weg tot eigen welvaart zijn dan

spitsboeverij.

Men zal vragen: waar blijft, bij deze streng deterministische

beschouwing, de vrijheid, de schuld, het gevoel van

verantwoordelijkheid? Zij gelden niet voor de afzonderlijke

handelingen, maar voor het aangeboren en onveranderlijk karakter.

Schopenhauer maakt hier onderscheid tusschen het empirisch

karakter, dat, gelijk de geheele mensch, voorwerp van ervaring,

loutere verschijning, dus aan tijd en ruimte en causaliteit

gebonden is, en het intelligibel karakter, dat, als „Ding an sich”,

met de vormen der verschijning: tijd, ruimte en causaliteit, niets

te maken heeft, en juist dientengevolge volstrekt vrij en

onafhankelijk mag heeten. Ten gevolge van deze vrijheid zijn alle

daden des menschen zijn eigen werk. „Onze vrijheid hebben we niet,

gelijk de heerschende beschouwing het doet, in de afzonderlijke

handelingen, maar in ons geheele zijn en wezen, in onze existentie

en essentie te zoeken, die gedacht moeten worden als een vrije

daad. Enkel voor het aan tijd, ruimte en causaliteit gebonden

kenvermogen openbaart zich dat werk der vrijheid in een veelheid en

verscheidenheid van handelingen, welke echter, juist omdat er eens

voor altijd gekozen is, allen hetzelfde karakter dragen. De

vrijheid, welke niet bij het handelen is aan te treffen, ligt in

het bestaan. Het is een gronddwaling van alle tijden geweest de

noodwendigheid aan het bestaan en de vrijheid aan het handelen toe

te schrijven”. Uit dat wat wij doen bespeuren wij wat we zijn. Het

komt er enkel op aan wat iemand is: wat hij doet, vloeit daaruit

met noodzakelijkheid voort. „Het alle onze daden, trots hare

afhankelijkheid van de motieven, onloochenbaar begeleidend

bewustzijn van eigen macht en oorspronkelijkheid bedriegt dus niet;

maar de inhoud ervan schuilt dieper dan de daden, want het

beteekent: ieder is, wat hij wil”. De vrijheid wordt dus door deze

beschouwing niet opgeheven, maar uit het gebied der afzonderlijke

handelingen, waar zij zeer stellig niet aan te treffen is, naar

hooger voor ons inzicht niet zoo licht toegankelijk oord

verplaatst. „La liberté est un mystère”, roept Schopenhauer met

Malebranche uit. Het onveranderlijk karakter van ieder mensch is

zijn eigen werk, buiten den tijd tot stand gekomen. Vatte dit, wie

het vatten kan.

Er is een eeuwige gerechtigheid, welke slechts door hem begrepen wordt,

die inziet, dat aan den wil op zich zelf, aan het „Ding an sich”, de

vormen der verschijning niet toebehooren. Wie met de ervaring te rade

gaat, ergert zich, wanneer hij den onderdrukte een leven vol lijden tot

aan het graf ziet voortslepen, zonder dat zich een wreker, een

vergelder vertoont. Maar wie beseft dat martelaar en slachtoffer in den

grond één en hetzelfde wezen zijn, dat het dezelfde wil is, die hier

onrecht pleegt, ginds onrecht lijdt, dat het bestaan als individu, of,

wat op hetzelfde nederkomt, de wil om als individu te bestaan, zonde en

bron van ellende is, zal tevens verstaan, dat er juist evenveel geleden

als misdreven wordt. Het eenige, wat in werkelijkheid bestaat, is de

wil; hij lijdt wat hij zich zelf aandoet, naar verdienste.

Raadzaam is het dus, ziedaar Schopenhauer’s slotsom, althans waar

men dat kan, dus in eigen gemoed, den wil om te bestaan te breken,

en zich zoo de poorten van het zalig Nirwana te ontsluiten.

Dante heeft de stof tot zijn hel, gelijk van zelf spreekt, aan onze

werkelijkheid ontleend. Toch is het een echte hel geworden. Toen hij

zich echter voornam den hemel en zijne vreugden te schilderen, stuitte

hij op een onoverkomelijke zwarigheid: onze wereld levert geen

materialen daartoe. Dus restte hem niets dan ons mede te deelen wat hij

daar van zijn voorvader, van zijne Beatrice en van verschillende

heiligen aan wijze lessen te hooren kreeg. Hieruit blijkt genoegzaam in

wat voor soort van wereld wij leven. Kon men den meest verstokten

optimist door de ziekenhuizen, de barakken voor besmettelijke

krankheden, de chirurgische folterkamers voeren, ook door de

gevangenissen, de martelplaatsen met hare pijnbanken, ook over de

slavenmarkten, de slagvelden, de strafplaatsen, vervolgens hem de

sombere woningen ontsluiten, waar de armoede zich voor de blikken van

koude nieuwsgierigheid schuil houdt, hem ten slotte in den hongertoren

van Ugolino een blik laten werpen, dan zou zelfs hij eindelijk inzien,

hoe het met „le meilleur des mondes” geschapen staat. Van de ellende

dezer wereld verlost te worden is werkelijk het allerbeste. Voor wie

dit doorziet, worden de dingen, welke vroeger motieven, prikkels tot

daden waren, quietieven: zij brengen den wil tot rust.

De beul en zijn slachtoffer zijn één. De eerste dwaalt, daar hij aan

het lijden, de laatste, daar hij aan de schuld geen deel meent te

hebben. Gingen hun beiden de oogen open, dan zou hij, die het leed

berokkent, inzien, dat hij in alles leeft, wat op deze wijde wereld

lijdt, en, voorzoover het met rede is begaafd, te vergeefs vraagt,

waarom het tot zoo groot leed in het aanzijn werd geroepen; het

slachtoffer zou inzien, dat al het booze, dat op deze wereld wordt

verricht, uit dien wil voortvloeit, die ook zijn wezen uitmaakt, ook in

hem verschijnt, dat hij, door zoo te verschijnen, alle leed op zich

genomen heeft, die uit zulk een wil voortspruit, dat hij dus volgens

billijkheid door leed getroffen wordt, zoolang hij die wil is. Calderon

zegt: „de grootste schuld des menschen is dat hij geboren werd”. Hoe

zou het niet een schuld zijn, daar volgens een eeuwige wet de dood

daarop staat?

Let, zegt Schopenhauer, op de heiligen. Als men hun vraagt, waarom

zij vasten, zich kastijden, den levenswil trachten af te sterven,

de genietingen des levens verafschuwen, dan geven zij zonderlinge

antwoorden. Het is omdat wie bij intuïtie de waarheid beseft,

daarom nog niet in staat is haar in de afgetrokken taal van het

weten te vertolken. Intuïtie is een innerlijke overtuiging, die

onder woorden gebracht, in den vorm van afgetrokken begrippen

gegoten, geheel anders luidt bij den heilige en bij den wijsgeer,

bij den Christen en bij den Boeddhist, ook al bedoelen zij allen

een en hetzelfde: de noodzakelijkheid om den levenswil te verzaken

en dus het lichaam, waarin die wil zichtbaar wordt, te kastijden.

Zij allen kennen de waarheid en brengen haar ieder op zijn manier

in praktijk. Zij allen zijn van hetzelfde overtuigd, want dat

blijkt uit hunne daden, terwijl de dogmen, bij mannen van een

zelfde innerlijke overtuiging, zeer verschillend kunnen klinken. De

gemeenschappelijke overtuiging is, dat men geen onderscheid moet

maken tusschen zich zelf en anderen, dat dus door askese de eigen

wil gebroken moet worden; dat men trachten moet te verzinken in het

Alééne.

Uren met Schopenhauer · 第 5 / 7 题