INHOUDSOPGAVE

Blz.

Werk en persoonlijkheid bij Schopenhauer niet te scheiden 1

Tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die

van den voluntarist 1

Vergelijking tusschen Hegel en Schopenhauer 2

Schopenhauer’s pessimisme en sympathie voor Buddhisme 9

Zijn betrekkelijk Kantianisme 11

Zijn moraal vertoont een Indisch karakter 15

Geen onderscheid tusschen u en mij 16

Verwantschap tusschen Schopenhauer en hedendaagsche

geestesstroomingen 18

Schopenhauer’s inborst en levensgeschiedenis 19

Goethe en Schopenhauer 23

Schopenhauer wordt op zijn ouden dag beroemd 27

Zijn testament en dood 29

Fragmenten uit: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom

zureichenden Grunde” 32

Verschil tusschen oorzaken, kengronden, zijnsgronden en

beweegredenen 33

Oorzaken en hare werkingen zijn steeds veranderingen 35

Geen eerste oorzaak 37

Het begrip substantie: enkel de stof blijft 42

Maar de stof is er niet buiten het bewustzijn 45

Het intellekt roept de stoffelijke dingen in het aanzijn 46

Bouwt ze op uit gewaarwordingen met behulp van tijd, ruimte en

causaliteit, welke drie subjektieve opvattingswijzen zijn 49

Dus zijn de lichamen enkel aanschouwelijke voorstellingen 50

Tot welke de dieren beperkt blijven, terwijl de mensch er

afgetrokken voorstellingen, begrippen, van maakt 54

De mensch is zoo een redelijk en sprekend wezen 56

Wanneer komen de wolven? 64

Fragmenten uit: „Welt als Wille und Vorstellung” 66

Vergelijking tusschen Locke en Schopenhauer 66

Het subjekt, dat alles kent, kent alleen zich zelf niet 70

Subjekt en objekt, de kenner en het gekende, zijn van elkaar

onafscheidelijk 70

Daar tijd, ruimte en causaliteit manieren van opvatting zijn,

worden zij van het subjekt uit, a priori, gekend, maar enkel

bij de objekten aangetroffen 71

Gelijk Kant bewees en Schopenhauer met eigen argumenten nader

staaft 72

Oorzaak en werking zijn niet gelijktijdig 81

Het materialisme is dwaasheid volgens Schopenhauer 84

Hoe kan hij dan de wereld een hersenphenomeen noemen? 89

Verschil tusschen droom en werkelijkheid 91

Intellekt past bij mensch en dier de causaalwet toe 95

Maar het onredelijk dier is slaaf van het oogenblik 97

De bron der taal is bij de begrippen te zoeken, welke zelve

zijn afgeleid uit aanschouwingen 100

Verschil tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis en

betrekkelijke waarde van beide 105

Waarom lacht alleen de mensch? 109

Twee soorten van het lachwekkende 110

Over scherts, ernst, ironie en humor 113

Rechtstreeksche evidentie voorwaarde van bewijs 115

En op meetkundig gebied te verkiezen boven bewijs 116

De wereld is niet enkel voorstelling, maar tevens wil 120

Vraagteekens bij Schopenhauer’s uitspraken geplaatst 121

In het zelfbewustzijn verschijnt men aan zich zelf als

willend 124

Maar die zelfkennis is geen kennis van echte werkelijkheid,

daar zij aan den tijdsvorm gebonden is 125

Ons eigenlijk wezen is een wil, die van tijd, ruimte en

gronden onafhankelijk is, een ongebonden en onredelijke

wil, van welken zich enkel zeggen laat wat hij niet is 125

Die zelfde onkenbare wil is het wezen van alle andere dingen 126

Bewustzijn, kennis is secundair, enkel doellooze wil is

oorspronkelijk 128

Willen en werken zijn één 136

Verschijning van wil is allerwege aan de wet der

noodzakelijkheid onderworpen 142

De verschijningen van den wil staan op verschillend peil 144

Er spiegelen zich in haar verschillende onverderfelijke

ideeën af 149

De kunstenaar in ons verliest zich in de blijde aanschouwing

der ideeën en wordt zoo tijdelijk van zijn egoïsme bevrijd,

onttrokken aan het vergankelijke. Voorbeelden van ideeën 150

Definitie van kunst 154

Definitie van genialiteit 155

Verhouding van genialiteit en fantasie tot elkaar 156

Hoe genialiteit en waanzin, schoon zeer verschillend, aan

elkander grenzen 159

Wat hebben waanzinnige en dier gemeen en waarin verschillen

zij? 161

In hoever een echt kunstwerk hooger staat dan de

werkelijkheid 163

Uitnemendheid der Nederlandsche schilderschool 166

Verschil tusschen het schoone en het verhevene 169

In hoever ieder ding schoon is, maar de mensch het in

schoonheid wint van alle schepselen 171

Over bouwkunst 172

Hoe de kunstenaar het schoone uit zich zelf put 175

Verschil tusschen ideeën en begrippen 176

Verschil tusschen echte kunstenaars en nabootsers 177

Over allegorie en symbool 178

Waarom muziek te midden der schoone kunsten een geheel eenige

plaats inneemt 180

Hoe de natuur niet aan de individuen, enkel aan de soorten

hecht 186

Waarom verliefdheid zich op een bepaald individu richt 189

Dit verschijnsel te vergelijken met werkingen van instinkt 192

Door welke enkel het belang der soort gediend wordt 194

Schopenhauer en Wagner 196

Fragmenten uit: „Ueber den Willen in der Natur” 197

Copernicus en anderen noemen zwaarte een verlangen der stof 197

Waarom groote denkers dikwijls ietwat bijgeloovig zijn 199

Over magie 200

De onkreukbaarheid der natuurwetten is begrijpelijk 202

Hoe is zij te rijmen met Schopenhauer’s erkenning van

magische gebeurtenissen? 203

Fragmenten uit: „Die beiden Grundprobleme der Ethik” 204

Hoe onbegrensd egoïsme te verklaren 205

Hoe boosaardigheid te verklaren 207

Hoe gewetensangst te verklaren 209

Hoe medelijden, bron van de twee kardinale deugden, te

verklaren 210

Rechtvaardigheid onthoudt zich anderen kwaad te doen 217

Liefde beijvert zich anderen goed te doen 217

Onontbeerlijk zijn goede stelregels 218

Waarom mannen meer tot rechtvaardigheid, vrouwen meer tot

medelijden overhellen 219

In Europa werd liefde het eerst door het Christendom als

deugd erkend 220

Onrecht is een positief, recht een negatief begrip 222

De Staatstaak worde beperkt opgevat. De Staat zij geen

opvoedingsinstituut 224

Hongerlijders te voeden is geen „plicht” 226

Het karakter van ieder mensch is onveranderlijk 228

De motieven, voor welke een mensch toegankelijk is, worden

door zijn karakter en zijn kennis bepaald en beslissen hoe

hij zich gedraagt 229

De zoogenaamde „vrije wil” is een sprookje 230

Verantwoordelijk is ieder, want hij is wat hij wil 234

Raadzaam is het den levenswil te breken 337

Slotwoord 239

Hoe het kwam, dat Schopenhauer door den daemon van het

pessimisme werd bezeten 240

Bevrijding er van slechts mogelijk door de erkenning van

geestelijke waarden 241

Ook bij Schopenhauer ontbrak die erkenning niet geheel 243

Uren met Schopenhauer · 第 7 / 7 题