identiteit het wonder bij uitnemendheid mag heeten. Het is het
tijdelijk aanvangspunt, het aanknoopingspunt van de geheele wereld der
verschijning, van al datgene, waarin het willen zich objektiveert: het
is voorwaarde van verschijning, maar vindt tevens in verschijning zijn
eigen voorwaarde. Wij kunnen door een gelijkenis dit aldus uitdrukken.
Een plant heeft twee polen: wortel en kroon, waarvan de eerste naar het
donkere, vochtige, koude, de laatste naar het licht, het koesterende,
het warme streeft; daar waar die twee polen uit elkander gaan, vlak bij
den grond, is de stam van den wortel. Als deze sterft, gaat de kroon
ook te loor; hij is het oorspronkelijke; de kroon daarentegen is dat
wat men ziet, wat ontspruit en, zonder dat de wortel sterft, kan worden
weggenomen. De wortel stelt den wil voor, de kroon het intellekt; het
punt, waar beide samentreffen, het gemeenschappelijk eindpunt, dat aan
beide toebehoort, zou het ik kunnen heeten.
Men zou die parallel volgens Schopenhauer nog kunnen doortrekken en
zeggen: gelijk een groote kroon slechts uit een machtigen wortel
pleegt te ontspruiten, zoo worden groote geestelijke vermogens
slechts daar gevonden, waar tevens een heftig en hartstochtelijk
willen is. „Een genie met zwakke passies is ondenkbaar”.
Onbetwistbaar toonde Schopenhauer zelfkennis, toen hij die laatste
woorden schreef. De daaraan voorafgaande doen bespeuren, dat hij
persoonlijke onsterfelijkheid onmogelijk achtte. Natuurlijk, want
individueel bestaan is bij hem slechts schijn, daar in den grond
alle schepselen een en hetzelfde zijn. Tot rechtvaardiging van zijn
leer wijst hij op de wereld van bedriegelijke vertooning zelve, op
den loop der natuur, die het enkele telkens als waardeloos
vernietigt, terwijl uitsluitend de algemeene typen en
natuurkrachten gehandhaafd blijven. Men zou kunnen antwoorden, dat
de wereldgrond, het wezen aller wezens, juist omdat hij niet alleen
het enkele telkens opheft, maar het tevens onafgebroken
voortbrengt, aan grooten rijkdom van individueel bestaan toont te
hechten. Doch daarop zou Schopenhauer antwoorden:
De vraag waar de wil naar streeft, die als het wezen der wereld te
beschouwen is, rust op misverstand, op verwisseling van het „an sich”
met zijn verschijning. Enkel van verschijnselen als zoodanig, van
afzonderlijke dingen, laat zich een grond aangeven; nooit van den wil
zelf of van de natuurkracht, die zich in ontelbare gelijke
verschijnselen openbaart. Het is echt onverstand, gebrek aan
bezonnenheid, te vragen naar een oorzaak der zwaarte, der elektriciteit
enz. Slechts dan wanneer het gebleken was, dat zwaarte en elektriciteit
geen oorspronkelijke, eigenaardige natuurkrachten, maar slechts vormen
eener meer algemeene, reeds bekende natuurkracht waren, zou men mogen
vragen: waarom die natuurkracht hier juist als zwaarte, ginds als
elektriciteit optreedt. Zoo heeft iedere afzonderlijke wilshandeling
noodwendig een motief, of die handeling ware uitgebleven; maar gelijk
de stoffelijke oorzaak enkel beslist, dat op een bepaald tijdstip, een
bepaalde plaats, bij een bepaalde materie zich deze of die natuurkracht
moet openbaren, dus enkel gelegenheidsoorzaak is, zoo beslist ook het
motief enkel, dat er op dien bepaalden tijd, op die bepaalde plaats,
onder die omstandigheden, door een kennend wezen gewild zal worden; het
motief schept niet den wil van dat wezen en evenmin het karakter van
dien wil, dat gelijk de wil zelf zonder grond is, daar het buiten het
gebied van den voldoenden grond ligt. Om die reden heeft ieder mensch
bestendig doeleinden en motieven, waarnaar hij zijn handelen inricht;
hij kan dus ook van iedere afzonderlijke daad altoos rekenschap geven:
vroeg men hem echter, waarom hij in het algemeen wil of waarom hij in
het algemeen bestaan wil, dan zou hij geen antwoord hebben en zou hem
die vraag ongerijmd schijnen; op die wijze zou zich het bewustzijn
vertolken, dat hij zelfs niets dan wil is, dat het dus vanzelf spreekt
dat hij wil en dat enkel de afzonderlijke handelingen ieder op haar
tijd motieven noodig hebben om bepaald te worden.
Afwezigheid van alle doel, van alle grenzen, eindeloos streven behoort
tot het wezen van den wil zelf. Zoo doet zich de wil reeds kennen op
den allerlaagsten trap, waar hij verschijnt, nl. als zwaarte, een
bestendig streven, dat onmogelijk op een einddoel kan zijn gericht.
Want al ware ook door de zwaarte alle bestaande materie tot één klomp
saamgeperst, dan zou zij toch binnen in die klomp naar het middelpunt
streven en voortdurend worstelen met ondoordringbaarheid. Het streven
der materie kan dus wel belemmerd, maar nooit geheel bevredigd worden.
Hetzelfde geldt van alle streven. Ieder bereikt doel is weer aanvang
van een nieuwe loopbaan en zoo tot in het oneindige. De plantenkiem
rust niet, voordat ze door stam en blad bloesem en eindelijk vrucht
heeft voortgebracht, die weer beginsel is van nieuwe kiem, van een
nieuw individu, dat andermaal dezelfde baan doorloopt, en zoo altoos
verder. Bij het dier is de voortteling het hoogtepunt van zijn bestaan;
is dat punt eens bereikt, dan zinkt het leven van het eerste individu,
snel of langzaam, terwijl een nieuw als waarborg van het behoud der
soort optreedt en alles zich herhaalt. Ja, eenvoudig als een openbaring
van dat bestendige streven en wisselen is ook de vernieuwing van stof
aan te merken; de physiologen houden thans op daarin een noodzakelijke
vergoeding te zien van de stof, die bij de beweging verbruikt is; aan
het afslijten van de machine beantwoordt niet als schadeloosstelling de
bestendige toevoer van voedende stof: eeuwig worden, eindelooze stroom
behoort tot de openbaring van den wil. Hetzelfde vertoont zich ook bij
alle menschelijk streven en wenschen, waarvan de vervulling ons steeds
als een rustpunt voor het willen voor oogen wordt getooverd; is het
doel eens bereikt, dan ziet het er geheel anders uit, en wordt het, ook
al bekent men het zich niet dadelijk, op den duur toch immer als vrucht
van zelfmisleiding, als verouderd en verschaald op zijde geschoven; van
geluk mag men spreken, wanneer nog iets te wenschen overblijft, zoodat
het spel voortduurt, waarbij men telkens van begeerte tot bevrediging
en van deze weer tot nieuwe begeerte overgaat, een spel waarvan de
vlugge gang voorspoed, de langzame lijden wordt geheeten; neemt het een
einde, dan vertoont zich de afgrijselijke, alle leven doodende
verveling, een kwijnend hunkeren naar het onbestemde.—De slotsom is,
dat de wil, waar hij door kennis wordt bestraald, steeds weet wat hij
hier en nú wil, nooit echter wat hij blijvend wil: iedere afzonderlijke
handeling heeft een doel, het willen in zijn geheel heeft er geen, op
dezelfde manier als ieder afzonderlijke gebeurtenis in de natuur door
een voldoende oorzaak er toe bepaald wordt om juist hier en nú op te
treden, terwijl de in haar zich openbarende kracht geen oorzaak heeft,
daar die kracht enkel een verschijningsphase is van het „An sich”, van
den grondeloozen wil.—De eenige zelfkennis van den wil in zijn geheel
is de voorstelling in haar geheel, de aanschouwelijke wereld in haar
geheel. Zij is zijn openbaring, zijn spiegel, de tastbaar en zichtbaar
geworden wil.
De wereld in haar geheel spiegel van den tijdeloozen wil. Hoe dit
bedoeld is, blijkt uit het volgende citaat. Allereerst bij den
mensch, maar vervolgens bij ieder voorwerp der natuur zijn willen
en werken volgens Schopenhauer één en hetzelfde.
Het subjekt der kennis, dat door zijn identiteit met het lichaam als
individu optreedt, kent dat lichaam op tweeërlei wijze: in de eerste
plaats als voorstelling, waartoe verstandelijke aanschouwing noodig is,
als objekt te midden van objekten en aan wetten onderworpen; in de
tweede plaats nog op een geheel andere wijze, nl. als dat waarmede
ieder onzer rechtstreeks en innig vertrouwd is, namelijk wil.
Verrichting des lichaams is niets anders dan geobjektiveerd, tot
voorwerp van zinnelijke waarneming geworden willen. En dit geldt van
iedere beweging van het lichaam, niet alleen van die door motieven
bestierd wordt, maar ook van de onwillekeurige; ja, het geheele lichaam
is niets anders dan voorstelling geworden wil.
Gelijk willen lichamelijk handelen is, zoo is omgekeerd iedere indruk
op het lichaam terstond en onmiddellijk ook inwerking op den wil: zij
heet pijn, wanneer zij strijdt met den wil; lust, welbehagen, wanneer
zij beantwoordt aan den wil. De graden van beide zijn zeer talrijk. Men
heeft echter volkomen ongelijk, wanneer men pijn en lust voorstellingen
noemt: dat zijn ze geenszins, doch rechtstreeksche aandoeningen van den
wil, een onbedwingbaar, oogenblikkelijk willen of niet-willen van den
indruk, dien het lichaam ondergaat. Als uitzonderingen op dien regel en
als echte voorstellingen zijn slechts die lichamelijke indrukken te
beschouwen, welke den wil koel laten, indrukken van gezicht, gehoor en
gevoel, wanneer de betreffende zintuigen op de hun eigene natuurlijke
wijze en daarenboven in zwakke mate geprikkeld worden, zoodat er
uitsluitend aan het verstand gegevens worden verschaft om te
aanschouwen of een objekt zich voor te stellen. Iedere sterkere of niet
passende aandoening der zintuigen is daarentegen pijnlijk, in strijd
met den wil.—Van zenuwzwakte wordt er gesproken, als de indrukken,
welke in den regel enkel dien graad van sterkte hebben, die voldoende
is om ze tot gegevens voor het verstand te maken, den hoogeren graad
bereiken, waarbij zij den wil in beweging brengen, dus pijn of wellust
verwekken, meestal evenwel pijn, die echter dof en onbestemd is; zoo
zijn dan niet maar alle geluiden en gewoon daglicht onaangename
gewaarwordingen, maar er heerscht een doorgaande zwartgallige stemming,
waarvan de bron zich niet duidelijk laat aangeven.
Ook toont zich de identiteit van lichaam en wil o. a. daarin, dat
iedere heftige en buitensporige wilsbeweging het lichaam ontroert en
den gang der levensverrichtingen verstoort.
De kennis, die ik van mijn wil heb, zegt Schopenhauer, is
rechtstreeksch, maar toch voortdurend stukwerk, geen kennis van
mijn wil in zijn geheel, van mijn wil als eenheid, maar van
afzonderlijke wilshandelingen, die zoowel een physische als een
psychische zijde hebben. Juist daardoor, dat wil en lichaam één
zijn, ben ik individu, sta ik tot mijn lichaam, dat overigens,
gelijk alle andere lichamen, slechts voorstelling zou zijn, in een
geheel eenige betrekking. Het karakter der individualiteit brengt
mede, dat ieder slechts één wezen kan zijn, maar alle wezens kan
aanschouwen. Identiteit van wil en lichaam heet bij Schopenhauer de
philosophische waarheid bij uitnemendheid, daar zij als sleutel kan
dienen om tot het wezen van alle natuurvoorwerpen door te dringen.
Behalve wil en voorstelling is ons niets bekend en is er evenmin iets
voor ons denkbaar. Wanneer wij aan de natuur in haar geheel, welke
onmiddellijk enkel in onze voorstelling bestaat, de grootste ons
bekende werkelijkheid willen toeschrijven, dan houden wij haar voor
even werkelijk als ons eigen lichaam; want dit heeft voor ieder den
hoogsten graad van werkelijkheid. Maar als wij nu de werkelijkheid van
dat lichaam en van zijn verrichtingen ontleden, dan treffen wij buiten
voorstelling niets anders aan dan wil. Zal dus de natuur nog iets meer
zijn dan onze voorstelling, dan moeten wij zeggen dat zij in haar
diepste wezen datgene is, wat wij in ons zelf als wil vinden. Ik zeg:
in haar diepste wezen, en daarmede bedoel ik, dat wij wat de wil zelf
is hebben te onderscheiden van wat enkel zijn verschijning is. Zoo
behoort tot de verschijning van den wil en niet tot zijn eigenlijk
wezen, dat hij met zelfkennis gepaard gaat en door motieven bestierd
wordt. Dit is immers alleen bij dier en mensch het geval. Zeg ik dus:
de kracht, welke den steen naar de aarde drijft, is wil, dan moet men
mij niet de dolle meening toedichten, dat de steen zich omlaag beweegt,
door het een of ander bewuste motief daartoe gebracht. Wij kunnen het
niet in Keppler goedkeuren dat deze, in zijn verhandeling over de
planeet Mars, meent aan de planeten kennis te moeten toeschrijven, daar
zij hare elliptische banen zoo juist weten te treffen en de snelheid
harer beweging zoo nauwkeurig afmeten, dat deze altijd aan de
wiskunstige formule beantwoordt.
Willekeurige bewegingen hebben een grond in hare motieven. Intusschen
bepalen die motieven enkel, dat ik op dit tijdstip, op die plaats,
onder die omstandigheden wil; niet het feit dat ik wil, evenmin wat ik
wil, dus niet het karakter, dat mijn willen voortdurend kenmerkt, hangt
van de motieven af. Dus is mijn willen niet in zijn geheelen omvang uit
de motieven te verklaren; deze zijn slechts de aanleiding waarbij wil
zich vertoont; zelf ligt hij buiten het bereik der motieven; enkel zijn
te voorschijn treden op ieder tijdstip is wettelijk bepaald. Laat ik
iemands aard buiten rekening en vraag ik dan, waarom hij juist dit en
niet dat wil, dan is daarop geen antwoord mogelijk; enkel voor de
verschijning van den wil is er een grond op te sporen, niet voor den
wil zelven, die zonder grond is. Dat het eene verschijnsel in het
andere, dat de daad in het motief haren grond vindt en daaruit met
noodzakelijkheid voortvloeit, laat zich zeer goed rijmen met de
stelling: „het wezen van het eerste verschijnsel is wil, die zelf geen
grond heeft”; immers het beginsel van den voldoenden grond is een vorm
van kennis en zijn geldigheid blijft dus beperkt tot de wereld der
kennis, tot de zichtbaarheid van den wil, strekt zich niet tot den wil
zelven uit, tot datgene wat achter al het verschijnende ligt.
Het ding op zich zelf, als zoodanig nooit objekt, daar immers ieder
objekt verschijning ervan is, moest, om er over te kunnen spreken, naam
en begrip ontleenen aan een objekt, dus aan een zijner openbaringen;
daar nu als de volmaaktste, duidelijkste, meest ontwikkelde openbaring
van het ding „an sich” de door zelfbewustzijn bestraalde wil des
menschen kan gelden, kozen wij den naam van wil, ter aanduiding van het
op zich zelf zijnde.
De wil als „Ding an sich” is volkomen vrij van alle vormen, welke hij
eerst in de verschijning aanneemt. Reeds de algemeenste vorm van alle
voorstelling, die van een objekt voor een subjekt, raakt den wil niet.
Nog minder behooren tijd, ruimte en de daardoor mogelijk geworden
veelheid tot het wezen van den wil.
Dat de wil zonder grond is, heeft men, waar hij met den hoogsten graad
van duidelijkheid zich openbaart, bij den mensch, zeer goed beseft.
Doch terwijl men den wil dus terecht vrij en onafhankelijk noemde,
heeft men de noodzakelijkheid, waaraan zijn verschijning allerwege
onderworpen is, voorbij gezien en ook de daden voor vrij verklaard, wat
zij niet zijn, daar iedere handeling uit de werking van het motief op
het karakter met strenge noodzakelijkheid voortvloeit. Alle
noodzakelijkheid is niets anders dan de wijze, waarop een gevolg uit
zijn grond voortkomt. Naar een grond behoort men te vragen bij alles
wat verschijnt en dus ook bij het handelen van den mensch. Daar echter
in het zelfbewustzijn de wil rechtstreeks gekend wordt, vindt men daar
het besef van vrijheid. Echter wordt er over het hoofd gezien dat het
individu, de persoon, niet wil op zich zelf is, maar verschijning van
wil en als zoodanig gedetermineerd. Vandaar het wonderlijk feit, dat
ieder zich bij voorbaat voor geheel vrij houdt, ook in zijn
afzonderlijke handelingen; hij meent, dat hij ieder oogenblik een
anderen levenswandel zou kunnen beginnen, een ander mensch zou kunnen
worden. Maar bij den terugblik ontdekt hij tot zijn verbazing, dat hij
niet vrij was, dat, ondanks al zijn voornemens en overwegingen, zijn
doen onveranderd bleef, dat hij van den aanvang af tot het einde toe
het door hem misprezen karakter behouden heeft, dat hij de door hem
aangenomen rol tot aan het slot heeft moeten vervullen. De wil en zijn
openbaringen behooren in twee geheel verschillende werelden tehuis; men
behoort er dus geen aanstoot aan te nemen, dat de wil zelf voor ons
besef vrij is en ongebonden, terwijl zijn openbaringen met
onverbiddelijke noodzakelijkheid uit de motieven voortvloeien. Evenmin
moet het slakkenhuis aan een vreemden wil worden toegeschreven, die met
kennis van doel en middelen ten behoeve van dat diertje bouwt, als wij
het huis, dat wij zelve bouwen, door een anderen wil dan de onze
opgetrokken achten: beide huizen zijn gewrochten van een en denzelfden
wil, die in ons door motieven wordt geleid, terwijl hij bij de slak
enkel blinde, naar buiten gerichte scheppingsdrang is. Ook in ons,
menschen, werkt wil in menig opzicht werktuigelijk; men denke aan
verrichtingen als spijsvertering, bloedsomloop, afscheiding, groei enz.
Ofschoon wil zich volgens Schopenhauer overal vertoont, staan zijn
openbaringen niet allen op hetzelfde peil. De eene is hooger, de
andere lager; er is een ladder, waarvan de sporten aan de
onveranderlijke soorten en onverderfelijke natuurkrachten
beantwoorden, welke naar het voorbeeld van Plato met den naam van
ideeën worden bestempeld; dus slaagt de wil er in steeds krachtiger
te verschijnen; aanvankelijk, in de onbezielde natuur, gaat wil als
zwaarte, ondoordringbaarheid, elektriciteit enz. geheel schuil
achter werktuigelijk geschieden, maar van trap tot trap klimt hij
langzamerhand tot die aanzienlijke hoogte, waar van zoogenaamd
redelijk handelen sprake kan zijn.
Kant’s „Ding an sich” en Plato’s idee zijn wel niet identisch, maar
toch zeer aan elkander verwant.... Kant zegt in hoofdzaak het volgende:
„tijd, ruimte en causaliteit zijn geen eigenschappen van het ding op
zich zelf, maar behooren enkel aan zijn verschijning toe, daar zij
kenvormen zijn. Alle veelheid, alle ontstaan en vergaan zijn
uitsluitend door tijd, ruimte en causaliteit mogelijk; daaruit volgt,
dat veelheid, ontstaan en vergaan alleen de wereld der verschijnselen
aanhangen. Daar onze kennis door hare vormen bepaald wordt, is zij
enkel kennis van de wereld der verschijnselen. Dit laatste geldt zelfs
van ons eigen ik; wij kennen het enkel als verschijnsel, als objekt van
ervaring, weten niet wat het op zich zelf is”. Dit is in hoofdzaak, wat
het thans aan de orde zijnde onderwerp betreft, zin en inhoud der leer
van Kant.—Plato nu zegt: „de dingen dezer wereld, die door onze zinnen
worden waargenomen, zijn er niet in den echten zin des woords: zij
worden, veranderen onophoudelijk, bestaan nooit: slechts in
betrekkelijken zin zijn zij er, in zoover zij tot elkander in
betrekking staan: men kan dus hun aanzijn evengoed een niet-zijn
noemen. Bij gevolg zijn ze ook geen voorwerpen van echte kennis, want
die is enkel mogelijk bij werkelijkheden, welke op zich zelve en altijd
op gelijke wijze bestaan. Zij zijn enkel het voorwerp van meening, die
op gewaarwording steunt. Zoolang we tot waarneming van dingen beperkt
blijven, gelijken wij op menschen, die in een donker hol zóó
vastgebonden zitten, dat zij zelfs het hoofd niet kunnen omdraaien en
niets zien dan bij het licht van een achter hen brandend vuur; aan den
muur tegenover hen aanschouwen ze schaduwbeelden van werkelijke dingen,
welke tusschen hen en het vuur worden voorbij gedragen, en ook van
elkander, ja van zich zelve, bespeuren zij enkel de schaduwen op den
muur. Hun eenige wijsheid zou daarin bestaan de opvolging dier
schaduwen door ervaring te ontdekken en zoo te voorspellen, welke te
wachten zijn. Wat daarentegen waarachtig zijnde kan genoemd worden,
wijl het altijd is, nooit wordt, nooit vergaat, dat zijn de
oorspronkelijke modellen van die schaduwen, de eeuwige ideeën, de
duurzame vormen van alle dingen. Hun komt geen veelheid toe, want
iedere idee is uit haar aard slechts ééne, terwijl haar kopieën of
afdrukken de onbegrensd vele, afzonderlijke, vergankelijke dingen
derzelfde soort zijn, die één en denzelfden naam dragen. Ook ontstaan
en vergaan de ideeën niet; ze worden nooit, gaan niet te gronde gelijk
hunne wegkwijnende afdrukken. (Daarin ligt opgesloten, dat tijd, ruimte
en causaliteit niet gelden voor de ideeën). Van ideeën alleen is er dus
echte kennis mogelijk, want daartoe wordt vereischt een objekt, dat
altijd en in ieder opzicht is, niet iets, wat is en niet is, al naar
gelang men het beschouwt”.—Ziedaar Plato’s leer. Het is duidelijk, dat
de innerlijke zin van wat Plato en Kant hier leeren geheel dezelfde is,
dat beiden de zichtbare wereld voor een vertooning houden, welke op
zich zelve nietig is en slechts door datgene, wat er in wordt
uitgedrukt („Ding an sich” bij Kant, „idee” bij Plato), beteekenis en
geleende realiteit heeft; terwijl aan het waarachtig zijnde de
algemeene en onmisbare vormen van iedere verschijning totaal vreemd
zijn.
De merkwaardige overeenstemming tusschen beide denkers laat zich door
een voorbeeld aanschouwelijk maken. Laat er een dier voor ons staan in
zijn volle levenskracht. Plato zal zeggen: „dit dier heeft geen echt,
maar slechts een schijnbaar bestaan, want als onophoudelijk veranderend
heeft het slechts een betrekkelijk zijn, dat evengoed niet-zijn als
zijn kan heeten. Waarlijk zijnde is alleen de idee, die zich in dat
dier afbeeldt, het dier op zich zelf, dat van niets afhangt, ongeboren,
onsterfelijk, altoos op gelijke wijze bestaand. Zoover we nu in dat
dier, dat hier aanwezig is, de idee van het dier herkennen, is het
geheel eenerlei en zonder beteekenis, of we nu juist dát dier voor ons
hebben, dan wel zijn voorouder, die duizend jaar geleden leefde, of het
op deze plek dan wel in een ver afgelegen land is, of het deze dan wel
een andere houding aanneemt, of het dit dan wel een ander individu der
soort is; dat alles is nietig en betreft enkel het verschijnende; de
idee van het dier alleen heeft waarachtig zijn en is voorwerp van
werkelijke kennis”.—Zóó Plato. Kant zou kunnen zeggen: „dat dier is een
verschijning in tijd, ruimte en causaliteit, welke de in ons
kenvermogen liggende voorwaarden van alle ervaring zijn en derhalve
niet kunnen strekken om het ding op zich zelf, zooals het is buiten de
ervaring, te bepalen. Derhalve is dit dier, gelijk wij het op dezen
bepaalden tijd en op deze plek, in den samenhang der ervaring, volgens
de keten van oorzaken en werkingen geboren en noodwendig sterfelijk,
waarnemen, geen ding op zich zelf, maar slechts eene in betrekking tot
ons kenvermogen geldige verschijning. Om te beslissen wat daaraan,
onafhankelijk van tijd, ruimte en causaliteit, ten grondslag ligt,
zouden wij een ander kenvermogen moeten bezitten dan het voor ons
alleen mogelijke, dat zinnen en verstand omvat”.
Om Kant’s zienswijze nog meer in overeenstemming te brengen met die van
Plato, zou men kunnen beweren: tijd, ruimte en causaliteit zijn díe
inrichting van ons intellekt, krachtens welke het eigenlijk alleen
bestaande ééne wezen van iedere soort aan ons verschijnt als een
veelheid van gelijksoortige, steeds opnieuw ontstaande en vergaande
wezens, in eindelooze opvolging.
Volgens deze beschouwing behoort enkel aan de ideeën waarachtig bestaan
te worden toegeschreven, terwijl de dingen in ruimte en tijd, welke
voor den individu werkelijkheid zijn, slechts een droomwereld moeten
heeten. Daar een en dezelfde idee zich in vele exemplaren openbaart,
vertoont zij ons haar wezen slechts broksgewijze, ééne zijde na de
andere. Dus zal men de idee hebben te onderscheiden van de manier,
waarop zij aan het waarnemend individu zich voordoet en die manier
onwezenlijk hebben te noemen. Men kan dit toelichten door voorbeelden,
zoowel aan het geringste als aan het grootste ontleend.—Wanneer de
wolken trekken, zijn de figuren, welke zij vormen, van geen belang:
maar dat zij als elastische nevel door den windstoot samengeperst,
weggedreven, uitgerekt, verscheurd worden, dat is der wolken natuur, is
het wezen der krachten, die zich daarin uitdrukken, is de idee: enkel
voor den individueelen waarnemer bestaan hun tijdelijke gestalten.—Bij
den bergstroom, die over rotsblokken naar beneden stort, zijn
draaikolken, golven, opbruisend schuim van geen wezenlijk belang; dat
die stroom aan de wet der zwaartekracht gehoorzaamt, zich als een
niet-elastische, totaal verschuifbare, vormlooze, doorzichtige
vloeistof gedraagt, dit is zijn wezen, zijn idee; enkel voor ons,
zoolang wij als individuen kennen, zijn er de afwisselende
gestalten.—Wanneer het water op onze vensterruit bevriest, schiet het
tot kristallen volgens vaste wetten, welke het wezen der hier te
voorschijn tredende natuurkracht, hare idee, openbaren; maar de boomen
en bloemen, daarbij gevormd, zijn onwezenlijk.—Wat in wolken,
bergstroom en kristal verschijnt, is de zwakste nagalm van dien wil,
die volkomener in de plant, nog volkomener in het dier, het
allervolkomenst in den mensch te voorschijn treedt. Maar enkel het
wezenlijke van al die graden van wilsuiting is: de idee. Zoo is de
geschiedenis van het menschelijk geslacht, het gewoel der
gebeurtenissen, de afwisseling der tijden, de rijkdom der vormen van
het menschelijk leven in verschillende landen en eeuwen, enkel
toevallige gedaante, waaronder de idee zich vertoont. Voor hem, die dit
wèl gevat heeft, zullen dus de wereldgebeurtenissen slechts in zoover
beteekenis hebben als zij de letters zijn, waaruit de idee van den
mensch zich lezen laat. Hij zal niet met de groote schare gelooven, dat
de tijd iets werkelijk nieuws en gewichtigs te voorschijn kan brengen,
of dat tijd in zijn geheel begin en einde heeft, dat er in den tijd een
plan verwerkelijkt wordt en dat als voorloopig einddoel de hoogste
volkomenheid van het thans levende geslacht te beschouwen is. Derhalve
zal hij evenmin met Homerus een geheelen Olymp vol goden tot leiding
der gebeurtenissen verdichten, als hij met Ossian de figuren der wolken
voor individueele wezens zal aanzien, daar, gelijk gezegd, zoowel het
een als het ander, in verhouding tot de daarin verschijnende idee, even
veel en even weinig beteekenis heeft.
De bron, waaruit de individuen en hunne krachten voortvloeien, is
onuitputtelijk en oneindig gelijk tijd en ruimte; want, gelijk deze
beide vormen van alle verschijning, zijn ook de individuen en hunne
krachten enkel verschijning, zichtbaarheid van den wil; geen eindige
maat is bij machte die oneindige bron leeg te scheppen; welk groot
werk, welke zegenrijke gebeurtenis, welke geniale aanleg ook in de kiem
verstikt moge worden, geen nood, want de oneindige mogelijkheid van
terugkeer blijft eeuwig dezelfde. In deze wereld der verschijning is
evenmin waar verlies als ware winst mogelijk. De wil alleen bestaat,
hij, de eeuwige.
De verhouding van wil en intellekt kan het best door een gelijkenis
worden uitgedrukt: de sterke blinde, die den zienden lamme op zijn
schouders draagt. In den regel is het intellekt enkel dienstknecht van
den wil; het is dan ook uit den wil zoo voortgekomen als het hoofd uit
den romp. Bij de dieren is de dienstbaarheid van het intellekt nooit op
te heffen. Bij den mensch, bij uitzondering, wèl. Want door de kracht
des geestes omhoog gedragen kan hij de gewone beschouwingswijze der
dingen laten varen, ophouden te letten op de betrekkingen, waarin de
dingen tot elkander staan, niet langer vragen wat zij voor zijn eigen
belang beteekenen, zich niet bekreunen om het waar, het wanneer, het
waarom, het waartoe der dingen, maar eenig en alleen om het wat;
daarbij niet het afgetrokken denken, de begrippen der rede, het
bewustzijn laten innemen, maar zich, zooals het zoo zinrijk in de taal
wordt uitgedrukt, geheel in de aanschouwing van een landschap, een
boom, een rots, een gebouw, verliezen, zijn belang vergeten, geheel
alleen als subjekt, als heldere spiegel van het objekt, blijven
bestaan, zoodat het is, alsof het ding op zichzelf er ware, zonder
iemand die het waarneemt, daar het aanschouwde en de aanschouwer zich
niet meer laten scheiden, beide één geworden zijn, het geheele
bewustzijn door een eenig aanschouwelijk beeld gevuld en ingenomen
wordt; waar zoo het object buiten alle verhouding tot iets anders, het
subjekt buiten alle verhouding tot den wil staat, is datgene, wat alzoo
gekend wordt, niet meer het afzonderlijke ding als zoodanig, maar de
idee, de eeuwige vorm, de onmiddellijke verschijning van den wil op
dien bepaalden trap, en dan is de aanschouwer niet meer individu, want
het individu verdwijnt hier in wat het ziet, doch zuiver, willoos,
tijdeloos subjekt van kennis. Dit is het wat Spinoza voor den geest
zweefde, toen hij schreef: de geest is eeuwig, in zoover hij de dingen
onder de gestalte der eeuwigheid zich voorstelt. De individu als
zoodanig kent slechts enkele dingen, schakels in de keten van oorzaken
en werkingen; het zuiver subjekt der kennis, dat tijd en plaats
vergeet, aanschouwt enkel de ideeën, die buiten de sfeer van den
individu als zoodanig liggen. De vrucht van die aanschouwing is de
kunst.
De kunst herhaalt de door belangelooze kontemplatie opgevatte eeuwige
ideeën; naar gelang van de stof, waarin zij herhaalt, heet zij
beeldende kunst, poëzie of muziek. Haar eenige oorsprong is kennis der
ideeën; haar eenig doel mededeeling dier kennis.—Terwijl de wetenschap
den rusteloozen stroom van gronden en gevolgen naspeurt, nooit aan het
doel is, steeds verder wordt gewezen, nooit het einde bereikt, nooit
volle bevrediging schenkt, even weinig als men door loopen het punt kan
bereiken waar de wolken den horizont aanraken, is de kunst daarentegen
overal aan haar doel. Want zij beurt het voorwerp van hare kontemplatie
uit den wereldloop omhoog en stelt het, los van al het andere,
tegenover zich: terwijl het in dien stroom een verdwijnend klein deel
was, wordt het, daaraan ontrukt, vertegenwoordiger van een universum,
æquivalent van het in ruimte en tijd oneindig vele. De kunst blijft dus
staan bij het afzonderlijke ding; het rad van den tijd houdt zij vast;
de betrekkingen verdwijnen voor haar; enkel het wezenlijke, de idee, is
haar objekt.
Het wezen van het genie bestaat in een overwegend vermogen tot
zoodanige kontemplatie. Genialiteit is een objektieve geestesrichting,
waarbij eigenbelang geheel ter zijde wordt gesteld, de persoonlijkheid
tijdelijk buiten spel blijft en er enkel een subjekt van zuivere
kennis, een klaar wereldoog overblijft, en dat maar niet voor enkele
oogenblikken, maar zoo aanhoudend en met zooveel bezonnenheid als
noodig is om het typisch aanschouwde door middel van kunst weer te
geven en wat in nevelachtige gestalten voor oogen zweeft, in duurzame
gedachten vast te leggen.
Buitengewone sterkte van fantasie is onmisbare voorwaarde van
genialiteit. Immers zonder fantasie zou de horizont niet verder reiken
dan persoonlijke ervaring; het is noodig uit het weinige, dat de
werkelijkheid onder ons bereik brengt, het overige op te bouwen en zoo
schier alle mogelijke levensbeelden aan zich te laten voorbijtrekken.
Ook zijn de werkelijke dingen slechts zeer gebrekkige exemplaren der
daardoor uitgedrukte idee. Het genie heeft dus fantasie noodig om in de
dingen niet dat te zien, wat de natuur werkelijk heeft voortgebracht,
maar wat zij heeft willen voortbrengen, terwijl zij bij dat werk, door
den strijd der vormen onderling om een en hetzelfde stuk materie,
belemmerd werd. Doch al begeleidt sterke fantasie alle genialiteit,
daaruit volgt niet dat ieder, die veel fantasie heeft, ook een genie
zou zijn. Zooals men een werkelijk ding op tweeërlei wijze beschouwen
kan: zuiver objektief als een middel tot kennis der idee, en op
alledaagsche wijze, in verhouding tot andere dingen en tot den
persoonlijken wil, zoo kan ook het beeld der fantasie op tweeërlei
trant worden gebezigd: tot het scheppen van een kunstwerk, doch
eveneens tot het bouwen van luchtkasteelen, die zelfzucht en eigen luim
bevredigen, tijdelijk vermaken en iets voorgoochelen. Wie zich met dit
laatste spel bezighoudt is een fantast: licht zal hij de beelden,
waaraan hij in de eenzaamheid zijn hart ophaalt, met de werkelijkheid
doen samenvloeien en zich voor het leven ongeschikt maken. Bij het
neerschrijven van visioenen ontstaan zoo de romans van allerhande
soort, die het groote publiek medeslepen, daar de lezer zich in de
plaats van den held gaat droomen en dan de schildering heel gemoedelijk
vindt.
De gewone mensch, die fabriekwaar der natuur, zooals ze er dagelijks
duizenden te voorschijn brengt, is tot een onbaatzuchtige beschouwing
van eenigszins langen duur niet in staat; hij kan zijn opmerkzaamheid
slechts in zoover op de dingen richten, als ze, zij het dan ook
zijdelings, in betrekking staan tot zijn wil. Maar daarvoor is het
voldoende en meestal zelfs nuttiger ze onder afgetrokken begrippen te
brengen; dus verwijlt zijn blik niet lang bij eenig voorwerp, maar snel
zoekt hij de rubriek, waarin het te huis behoort, zooals de luiaard een
stoel zoekt; dan heeft hij er mee afgedaan. Bij kunstwerken, schoone
natuurgewrochten, bij het in al zijne fazen zoo belangwekkend tooneel
des levens verwijlt hij niet; hij spoort zijn eigen weg op, kijkt uit
naar alles wat misschien eenmaal zijn weg zou kunnen worden, verzamelt
plaatsbeschrijvende bizonderheden: met de komtemplatie als zoodanig
verliest hij geen tijd. De man van genie daarentegen, bij wien het
kenvermogen het overwicht heeft, en dus, althans ten deele, aan den
dienst van den wil zich onttrekt, streeft er naar de idee van ieder
ding te doorgronden en verzuimt vaak op zijn eigen weg in het leven te
letten, bewandelt dien dikwijls onbeholpen genoeg. Terwijl voor den
gewonen mensch het kenvermogen de lantaarn is, die zijn weg verlicht;
is het voor den genialen mensch de zon, die de wereld bestraalt.
Geniale individuen hebben meestal de gebreken, welke het verzuimen van
die manier van kennen na zich sleept, waardoor de wetenschap tot stand
gebracht en het leven wijs en redelijk wordt ingericht. Het is een
geluk voor hen, dat de felle en spontane inspanning, welke voor een
willooze opvatting der ideeën vereischt wordt, niet onafgebroken kan
voortduren; dat zij gedurende groote tusschenruimten bijna in ieder
opzicht met gewone menschen gelijk staan. Vandaar dat men ten allen
tijde het werken van het genie als een inspiratie heeft opgevat, als
bezieling door een bovenmenschelijke macht, die periodiek den individu
in bezit neemt. Gedurende zulke tijden hapert het aan scherpe opvatting
van causaalbetrekkingen en beweegredenen, en is dus een geniaal mensch,
in zoover en zoolang als hij dat is, uit een praktisch oogpunt onwijs.
Ook staat de aanschouwelijke kennis, op wier gebied de idee te huis
behoort, lijnrecht over aan de redelijke en afgetrokken kennis, die
zich door het beginsel van den afdoenden grond laat leiden. Vandaar dat
groote genialiteit en groote redelijkheid meestal niet gepaard gaan en
omgekeerd geniale individuen dikwijls door onredelijke en hevige
hartstochten worden meegesleept. De oorzaak daarvan is niet zwakte van
het redevermogen, maar ten deele de buitengewone energie, die het
geniale individu eigen is, en zich in heftigheid van al zijn
wilshandelingen openbaart, deels het overwicht van de beschouwende
kennis door zinnen en verstand op de abstrakte, welke uit kleurlooze
begrippen bestaat: derhalve is de indruk, dien zij van het heden
ontvangen, zoo buitengewoon machtig en sleept hij hen mee tot
niet-overlegde handelingen. Daar hun kennis zich, ten deele althans,
aan den dienst van den wil onttrokken heeft, denken zij in het gesprek
niet zoozeer aan den persoon tot wien, als wel aan de zaak, waarover
zij spreken, die hun levendig voor den geest staat; ze oordeelen
onpartijdiger dan hun belang medebrengt en vertellen wat liever had
moeten worden verzwegen; zij hellen over tot alleenspraken en vertoonen
vele zwakke kanten, die aan waanzin doen denken. Dat genialiteit en
waanzin aan elkander grenzen, ja in elkander overgaan, is dikwijls
opgemerkt; zelfs heeft reeds Horatius de geestdrift van den dichter een
beminnelijken waanzin genoemd. Pope zegt:
Great wits to madness sure are near allied,
And thin partitions do their bounds divide.
Aan waanzin is de groote geest verwant,
En beiden scheidt slechts een zeer dunne wand.
Bij veelvuldig bezoek van krankzinnigenhuizen heb ik enkele lijders met
onmiskenbaar grooten aanleg aangetroffen; hun genialiteit scheen
duidelijk door den waanzin heen, die echter geheel de overhand had. Dit
kan niet toevallig zijn, want het aantal waanzinnigen is betrekkelijk
zeer klein, terwijl een geniaal individu een hoogst zeldzame
uitzondering mag heeten. Ik wil kort mijn meening zeggen over den grond
van de verwantschap tusschen waanzin en genialiteit.
De kennis van den waanzinnige heeft met die van het dier gemeen, dat
beiden tot het aanwezige beperkt zijn. Toch is er verschil. Het dier
heeft geen voorstelling van het verleden, ofschoon het door de kracht
der gewoonte er de werking van ondervindt; na jaren herkent de hond
zijn vroegeren meester, d.w.z. ondervindt bij zijn aanblik den ouden
indruk. Doch van den sedert verloopen tijd herinnert het dier zich
niets. De waanzinnige daarentegen draagt in zijn rede een valsch beeld
van het verleden met zich rond en onder den invloed van dat beeld is
hij niet in staat van het heden op de juiste manier partij te trekken,
iets wat het dier wel vermag. Dat heftig geestelijk leed, onverwachte
ontzettende gebeurtenissen dikwijls waanzin veroorzaken, verklaar ik op
de volgende wijze. Voorzoover leed als werkelijke gebeurtenis tot het
heden beperkt blijft, is het voorbijgaande en niet ondragelijk zwaar;
overmatig groot wordt het eerst als blijvende smart, maar als zoodanig
steunt het op het geheugen en is het dus gedachte; wanneer nu een
uiterst smartelijk weten of herdenken een zoo ontzettende kwelling is,
dat zij niet langer te dragen is en de individu er onder bezwijken zou,
dan grijpt de in de engte gedreven natuur naar den waanzin als naar het
laatste middel om het leven te redden; de zoo fel gepijnigde geest
verscheurt den draad van het geheugen, vult de leemten met
waanvoorstellingen aan en ontvlucht op die wijze zijn verdriet, gelijk
men een door koud vuur aangetast been afzet en het door een houten
vervangt. Als voorbeeld noem ik den razenden Ajax, Koning Lear en
Ophelia. Hoewel scheppingen van het genie, zijn ze aan levende personen
gelijk te stellen. Een zwakke overeenkomst met dezen overgang van smart
tot waanzin is dat wij allen een pijnlijke herinnering, die ons
plotseling invalt, werktuigelijk door heftige bewegingen of luide
klanken trachten te verjagen om zoo met geweld ons zelven te
verstrooien.
Men lette ook hierop, dat de geniale mensch de kennis van den samenhang
der dingen uit het oog verliest. Eén geval geldt bij hem voor duizende,
één ding vertegenwoordigt bij hem een geheele soort. Het objekt van
zijn beschouwing verschijnt hem in zoo helder licht, dat de schakels
der keten, waardoor het met allerlei andere dingen verbonden is,
verduisterd worden, en dat juist is weer een punt van overeenkomst met
den waanzin. Wat in het voorhanden ding slechts onvolkomen en door
bijomstandigheden verzwakt aanwezig is, wordt door de beschouwingswijze
van het genie tot volkomenheid verheven. Zoo ziet het genie overal
uitersten en vervalt ook zijn handelen tot uitersten. Hij weet de
rechte maat niet te treffen. Hij kent de ideeën, maar niet de
individuen. Dikwijls heeft men opgemerkt, dat een dichter, die den
mensch diep en grondig doorziet, zich door de menschen om den tuin laat
leiden en een speeltuig is in de handen van den listige.
Het vermogen om ideeën te aanschouwen, ieder genie in buitengewone mate
eigen, komt ook den gewonen sterveling in geringer graad toe; anders
zou hij evenmin in staat zijn de gewrochten der kunst te genieten als
ze zelf voort te brengen, en zouden woorden als schoonheid en
verhevenheid voor hem louter klanken zijn. Het æsthetisch welbehagen is
een en hetzelfde, het moge door een werk der kunst of door aanschouwing
van natuur en leven te voorschijn worden geroepen. Dat uit het
kunstwerk de idee duidelijker tot ons spreekt dan uit de natuur of het
leven, moet daaraan worden toegeschreven, dat de kunstenaar in staat is
alle storende toevalligheden, welke den glans der idee in de
werkelijkheid verduisteren, opzettelijk weg te laten. De kunstenaar
laat ons door zijne oogen in de wereld kijken. Dat hij die oogen heeft,
waardoor hij het typische der dingen ontdekt, is natuurgave, maar
techniek, verworven kunst is het, dat hij ons door zijn oogen kan doen
zien.
Alle willen ontspruit uit behoefte, dus uit gebrek, dus uit lijden. Aan
dat lijden maakt de vervulling der behoefte een einde. Maar tegenover
één wensch, die wordt bevredigd, blijven er ten minste tien onvoldaan.
De verlangens gaan tot in het oneindige, het begeeren duurt lang, maar
de voldoening wordt kortstondig en karig toegemeten. Dikwijls is ze
zelfs niet meer dan schijnbaar. De bevredigde wensch maakt terstond
voor een nieuwen plaats. Gene blijkt de reeds gekende, deze is de nog
onbekende dwaling. Duurzame, niet meer wijkende bevrediging is door
niets te verschaffen. De vervulde behoefte is gelijk een aalmoes den
bedelaar toegeworpen; zij rekt zijn leven voor heden, zoodat hij morgen
opnieuw zijn ellende zal kunnen gevoelen.—Daarom, zoolang ons
bewustzijn vol is van ons willen, zoolang wij aan den drang der
wenschen met zijn gedurig hopen en vreezen ons overgeven, valt ons geen
blijvend geluk, geen rust te beurt. Hetzij wij genot najagen of onheil
ontvlieden, in den grond der zaak komt dat op hetzelfde neer: de zorg
voor den steeds eischenden wil, onverschillig onder welke gestalte,
neemt het bewustzijn in beslag en zweept het voortdurend verder. Zonder
rust geen echt welzijn. Zoo ligt het subjekt van het willen voortdurend
op het draaiende rad van Ixion, het schept bestendig in het doorzeefde
vat der Danaïden, het is de eeuwig smachtende Tantalus. Gaat men
daarentegen op in aanschouwing, vergeet men zijn individualiteit,
verliest men zich in het objekt, daar het buiten alle betrekking tot
andere objekten en ons zelf wordt opgevat, komt het als idee van zijn
soort tegenover ons te staan en wordt zoo de mensch willoos subjekt van
kennis, dan zijn voorwerp en subjekt beiden uit het gewoel des tijds
omhoog gebeurd en komt het op hetzelfde neer of men uit een kerker dan
wel uit een paleis de zon prachtig ziet ondergaan.
Zulk een toestand, waarbij het kennen het overwicht heeft op het
willen, kan, indien de vereischte stemming des gemoeds er is, in iedere
omgeving worden te voorschijn geroepen. Dit toonen ons de
voortreffelijke Nederlanders, die hun objektieve beschouwing op de
meest onbeteekenende dingen richten en een duurzaam monument van hun
geestesrust in hun „stillevens” ons te aanschouwen geven. Wie die
doeken ziet, voelt zich ontroerd, daar ze hem den stillen, rustigen,
willoozen gemoedstoestand van den kunstenaar vertegenwoordigen, die
noodig was om zoo nietige dingen met zoo groote liefde gade te slaan,
en het beschouwde zoo bezonnen weer te geven; terwijl het beeld ons
oproept om aan dergelijke stemming deel te hebben, wordt onze
ontroering misschien nog verhoogd door de tegenstelling met ons eigen
onrustig, heftig, troebel willen. In denzelfden geest hebben dikwijls
landschapschilders, in het bizonder Ruysdael gearbeid en zoo dezelfde
werking op nog blijder trant te voorschijn geroepen. Thans zal men
begrijpen, hoe de door hartstochten voortgezweepte, door nood en zorgen
gekwelde plotseling zich verkwikt, opgevroolijkt en overeind gericht
kan gevoelen, wanneer het hem gelukt zich aan den slavendienst van den
wil voor een oogenblik te ontworstelen en een enkelen vrijen blik op
een schoon natuurtafereel te richten.
Die zaligheid van het willooze aanschouwen is het ten slotte, welke
over het verleden en het vèr-afzijnde een zoo tooverachtig licht
uitgiet en door zelfmisleiding dat alles veel fraaier doet schijnen dan
het was. Immers als we lang verloopen dagen in een ver verwijderd oord
ons voorstellen, dan zijn het de dingen alleen, die onze fantasie
terugroept, niet het subjekt van het willen, dat toen evenzeer als
thans zijn ongeneeselijk leed met zich ronddroeg. Dit laatste is
vergeten, omdat het sedert voor zoo menig ander verdriet heeft plaats
geruimd. Nu werkt de objektieve aanschouwing in de herinnering op
dezelfde manier als de tegenwoordige dat zou doen, indien wij maar in
staat waren ons willoos aan haar over te geven. Daardoor komt het dat,
vooral wanneer wij meer dan gewoonlijk door nood en angst ons gekweld
gevoelen, de plotselinge herinnering aan tooneelen uit het verleden en
aan ver afgelegen oorden, als een verloren paradijs aan ons
voorbijvliegt.
De æsthetische toestand van zuivere aanschouwing wordt, gelijk vanzelf
spreekt, het gemakkelijkst geboren wanneer de voorwerpen door rijkdom
en bepaaldheid van gestalte duidelijke vertegenwoordigers van hunne
ideeën en dus in den objektieven zin des woords schoon zijn. Dat is de
reden waarom licht het meest verblijdende van alle dingen is en als
symbool van al het goede en zegenrijke geldt. In alle godsdiensten
beteekent het: eeuwig heil—maar duisternis daarentegen verdoemenis. Er
komt bij, dat het zien niet, gelijk de aandoening van andere zinnen, op
zich zelf reeds aangenaam of onaangenaam behoeft te zijn; eerst de in
het verstand geboren aanschouwing brengt het objekt in betrekking met
den wil. Reeds bij het gehoor is dit anders: geluiden kunnen
rechtstreeks pijnlijk zijn of streelend, afgezien van harmonie en
melodie. Het gevoel is nog meer aan dezen onmiddellijken invloed op den
wil onderworpen: toch is er een tasten, dat niet met smart of wellust
gepaard gaat. Reuk en smaak daarentegen bezorgen altijd lust of onlust.
De beide laatstgenoemde zinnen zijn dus het meest door den wil
bezoedeld, en heeten daarom de onedele, of wel, zooals bij Kant, de
subjektieve zinnen. De blijdschap over het licht is enkel blijdschap
over de objektieve mogelijkheid van zuivere, aanschouwelijke kennis,
waarbij de wil op nonactiviteit is gesteld en dus het æsthetisch genot
tot zijn recht kan komen. Men denke maar eens aan de groote schoonheid,
welke de afspiegeling der voorwerpen in het water te voorschijn
toovert.
Wanneer echter die voorwerpen, wier door licht bestraalde gestalten ons
tot kontemplatie uitnoodigen, vijandig staan tegenover het menschelijk
lichaam door hun allen weerstand verpletterende overmacht, of wel door
hun onmetelijken omvang den mensch dwingen zijn nietigheid te gevoelen,
terwijl bij de beschouwing, ofschoon dat alles waargenomen en erkend
wordt, het met opzet buiten rekening blijft, de mensch dus met geweld
zich losscheurt van zijn wil, ten einde enkel kennend subjekt te zijn,
hij zich zoo boven zichzelf verheft, dan vervult hem het gevoel van het
verhevene, dan beseft hij wat verhevenheid is. Er is verschil tusschen
gevoel voor het verhevene en dat voor het schoone: bij het laatste wint
het zuivere kennen zonder strijd de bovenhand, daar de eigenaardigheid
van het objekt waardoor het zijn idee afspiegelt, zonder weerstand en
dus onmerkbaar den wil tot zwijgen brengt, de in zijn dienst staande
kennis van verhoudingen uit het bewustzijn verwijdert en zoo enkel het
zuiver objekt der kennis overblijft; bij het verhevene daarentegen
wordt die toestand van zuivere kennis eerst daardoor gewonnen, dat men
met geweld zijn aandacht aftrekt van de vijandige betrekkingen, waarin
het objekt tot ons staat, en men zich dus vrij, met bewustzijn, boven
het met lust en onlust rekening houdend inzicht verheft. Die verheven
stemming moet niet enkel gewonnen, maar ook gehandhaafd worden, gaat
dus gepaard met voortdurend denken aan den wil, doch niet aan
individueel willen, zooals vreezen of wenschen, maar aan menschelijk
willen in het algemeen, in zoover het door zijn objektieve
verschijning, het menschelijk lichaam, wordt uitgedrukt. Indien een
werkelijk bepaald willen in het bewustzijn optrad ten gevolge van
persoonlijk gevaar, waarmede het objekt ons bedreigde, dan zou de zoo
in beweging gebrachte individueele wil terstond de bovenhand erlangen,
de rust der kontemplatie verstoord worden, de indruk van het verhevene
verloren gaan, voor angst plaats maken; de individu zou trachten zich
te redden en daarbij iedere andere gedachte uit het bewustzijn
verdrongen worden.
Uit een objektief oogpunt is er geen wezenlijk verschil tusschen het
schoone en het verhevene, want in beide gevallen is het voorwerp der
æsthetische beschouwing niet het enkele ding, maar de daarin zich
openbarende idee, welke met tijd en zelfs met ruimte niets te maken
heeft, want niet de mij voor oogen zwevende uitgebreide gestalte, maar
de uitdrukking, de beteekenis er van, haar innerlijk wezen, dat wat
zich voor mij ontsluit en mij toespreekt, ziedaar de idee, welke bij
groot verschil van ruimte- en tijdsbetrekkingen geheel dezelfde kan
zijn. Daar in ieder ding de wil op zekeren trap van zijn ontwikkeling
verschijnt, en het dus uitdrukking van een idee is, moet ieder ding
schoon heeten. Het bleek ons reeds, dat zelfs het meest onaanzienlijke
in de Nederlandsche schilderschool zich als schoon bewaarheidt, daar
het onbaatzuchtige beschouwing gedoogt. Schooner is evenwel het eene
dan het andere daardoor, dat het tot die zuiver objektieve beschouwing
uitnoodigt, ja er als het ware toe dwingt, in welk geval wij iets zeer
schoon noemen. Zoo is de mensch meer dan alle andere schepselen schoon
en de openbaring van zijn wezen het hoogste doel der kunst, want de
idee die uit dit schepsel spreekt, openbaart ons den wil op den
hoogsten trap van zijn ontwikkeling. Menschelijke gestalte en
uitdrukking van menschelijk zieleleven bekleeden in de beeldende kunst
de voornaamste plaats, zooals het menschelijk handelen in de poëzie den
eersten rang inneemt. Toch heeft ieder ding zijn eigenaardige
schoonheid, en dat geldt zelfs van het onbewerktuigde, het vormlooze.
Hier openbaren zich de ideeën, welke de wil op de laagste trappen van
zijn ontwikkeling inneemt, en die om zoo te zeggen de diepste,
nagalmende bastonen der natuur doen weerklinken.
De bouwkunst, enkel als schoone, niet als nuttige kunst opgevat, heeft
geen ander doel dan de ideeën, welke de wil op de laatste trappen
inneemt, tot duidelijke aanschouwing te brengen: zwaarte, cohesie,
vastheid, hardheid, de algemeene eigenschappen van den steen, doch
daarenboven nog het licht, dat in menig opzicht een tegenstelling met
die eerste, eenvoudigste, dofste zichtbaarheden van den wil vormt.
Zelfs hier openbaart zich het wezen van den wil in tweedracht, want
eigenlijk is de strijd tusschen zwaarte en vastheid het eenige
æsthetische motief der architektuur; dien strijd op menigvuldige wijze
volkomen duidelijk te voorschijn te doen treden, is hare taak. Zij
vervult ze door aan die onverdelgbare krachten den kortsten weg tot
hare openbaring te versperren en ze langs een omweg te leiden, waardoor
de strijd verlengd en het onuitputtelijk streven van beide krachten op
menigvuldige wijze zichtbaar wordt. De gansche steenmassa zou, aan haar
oorspronkelijke neiging overgelaten, een enkelen klomp uitmaken, zoo
nauw mogelijk met den aardbodem verbonden, want dat is het, waartoe de
zwaarte, als hoedanig de wil hier verschijnt, onophoudelijk dringt,
terwijl de vastheid, eveneens openbaring van den wil, weerstand biedt.
Maar, zooals gezegd, die neiging, dat streven wordt door de bouwkunst
verplicht langs een omweg zijn bevrediging te zoeken. Zoo worden de
balken gedwongen, door middel van de zuilen, niet rechtstreeks, de
aarde te drukken; het gewelf moet zich zelf dragen en enkel door
tusschenkomst van de pilaren kan het zijn streven naar omlaag voldoen.
Maar juist door die belemmeringen ontvouwen zich de krachten, welke in
de ruwe steenmassa huizen, zoo duidelijk en veelzijdig mogelijk: verder
kan het zuiver æsthetisch doel der bouwkunst niet gaan. De schoonheid
van een gebouw bestaat in de zichtbare doelmatigheid van ieder deel,
niet ten opzichte van het daarbuiten liggend doel des menschen, maar
ten opzichte van de stevigheid van het geheel; tot haar moet ieder
onderdeel door zijn plaats, zijn grootte, zijn vorm in zoo noodwendige
verhouding staan, dat, wanneer het kon worden weggenomen, het gansche
gebouw zou instorten. Want slechts in zoover als ieder deel zooveel
draagt als het voegzaam kan, en juist daar en in die mate gesteund
wordt als noodwendig is, ontplooit zich de strijd tusschen vastheid en
zwaarte, welke het leven, de wilsuitingen van den steen zijn, tot
volkomen zichtbaarheid. Voor willekeur mag er bij dit alles geen plaats
zijn. De vorm van ieder deel moet door zijn bestemming en zijn
verhouding tot het geheel zijn bepaald. Zoo is b.v. de gewonden zuil
smakeloos.
Voor het æsthetisch genot van een bouwwerk is het onontbeerlijk van
zijn materie, wat haar gewicht, cohesie en vastheid betreft, een
rechtstreeksche, aanschouwelijke kennis te hebben, en onze vreugde over
zoodanig werk zou door de mededeeling, dat het uit puimsteen bestond,
zeer verzwakken, want dan zou het een schijnvertooning zijn.
Het eenige en bestendige thema is hier steun en last; de grondwet
luidt: geen last zonder voldoenden steun, geen steun zonder daarvoor
passenden last.
Ik herinner mij bij Cicero gelezen te hebben, dat hij, door de
straten van Athene wandelende, tot zijn verbazing, enkel leelijke
menschen zag. Waar hebben dan de groote beeldhouwers hunne
heerlijke godengestalten vandaan gehaald! Schopenhauer, die over
alles heeft nagedacht, weet ook op die vraag een antwoord.
Dat wij allen de menschelijke schoonheid opmerken, wanneer wij haar
zien, en dit in den echten kunstenaar met zooveel klaarheid geschiedt,
dat hij haar toont, zooals hij haar nooit gezien heeft, dat hij dus de
natuur in zijn werk overtreft, is slechts op ééne wijze te verklaren:
wij zelve zijn de wil, wiens hoogste openbaring: hèt menschelijk
lichaam, hier beoordeeld en gevonden wordt. Daardoor alleen kunnen wij
vooruitloopen op wat de natuur zich inspant om voort te brengen; de wil
der natuur is hier ons eigen wezen; het echte genie heeft maar een half
woord noodig om de natuur te verstaan en zuiver uit te spreken wat zij
stamelende ten gehoore brengt; zoo gelukt het hem de schoonheid van den
vorm in het harde marmer uit te drukken, en, het door hem geschapen
beeld aan de min of meer mislukte gewrochten der natuur overstellende,
deze laatste als het ware toe te roepen: „dát was het, wat gij zeggen
wildet!” „Ja”, zegt de kenner, „dat was het!” De mogelijkheid, dat zoo
de kunstenaar het ideaal van menschelijke schoonheid aan zich zelf
ontleent, en dat de kenner, als hij het in beeld tegenover zich ziet
staan, het als zoodanig waardeert, berust hierop, dat kunstenaar en
kenner beiden het „an sich” der natuur, de zich verwerkelijkende wil
zelve zijn. Want enkel het gelijke wordt door het gelijke verstaan.
Enkel natuur kan zich zelve doorgronden, enkel geest kan geest
begrijpen.
Voor æsthetisch genot en artistieke schepping is het noodig de ideeën
der dingen te aanschouwen, welke geheel iets anders zijn dan de op de
dingen passende begrippen. Het begrip is afgetrokken, enkel bepaald in
zoover het grenzen trekt, binnen zijn eigen sfeer geheel onbepaald. Het
is door definitie voor mededeeling vatbaar. De idee daarentegen is een
visioen in alle mogelijke opzichten volkomen bepaald; zij
vertegenwoordigt op volmaakte en aanschouwelijke wijze het begrip en
ook de oneindige menigte afzonderlijke dingen, welke onder het bereik
van het begrip vallen. Het begrip is uit de veelheid afgeleide eenheid,
maar de idee is de oorspronkelijke eenheid, welke ten gevolge van onze
waarnemingsvormen, ruimte en tijd, in veelheid uiteenvalt. De idee
roept in hem, die haar aanschouwt, nieuwe voorstellingen op; zij is als
een levend met teelkracht uitgerust organisme, dat iets nieuws
voortbrengt. Het begrip is, hoe nuttig en bruikbaar ook voor leven en
wetenschap, eeuwig onvruchtbaar voor de kunst. Daarentegen is de idee
de echte en eenige bron van ieder kunstwerk. In haar krachtige
oorspronkelijkheid ontspruit zij uit het leven zelf, uit de wereld,
maar enkel in dien mensch, die door de geestdrift van het genie bezield
wordt. Juist omdat de idee aanschouwelijk is en blijft, schept de
kunstenaar zonder doel, gelijk de God van Spinoza; hij kan van zijn
werken geen rekenschap geven; hij arbeidt, gelijk de menschen het
uitdrukken, enkel door gevoel gedreven, onbewust, instinktmatig. De
nabootsers daarentegen, zij, die zich een zekere manier hebben eigen
gemaakt, gaan in de kunst van het begrip uit; zij merken op wat het is,
dat bij de echte kunstwerken behaagt, vormen zich daarvan een duidelijk
begrip, bootsen het nu in het geheim met wijs opzet na. Als parasieten
zuigen zij hun voedsel uit vreemde werken en vertoonen gelijk polypen
de kleur van dat, waarop zij teren. De domme menigte van zeker
tijdstip, die zelve eveneens slechts begrippen kent en daaraan hecht,
neemt wat de manier van den dag vertoont met bijval op, maar na weinige
jaren reeds is zulk maakwerk ongenietbaar, want de tijdgeest is een
andere geworden, d.i. de heerschende begrippen, waarin die niet-geniale
gewrochten wortelen konden, zijn verouderd en door nieuwe vervangen. De
echte kunstgewrochten daarentegen, welke rechtstreeks uit de natuur,
uit het leven zijn geput, blijven eeuwig jong en eeuwig frisch.
Een allegorie is een kunstwerk, dat iets anders beteekent dan het te
aanschouwen of te lezen geeft, nl. een begrip. Hier moet dus beeld of
schilderij een gedachte opwekken, welke het woord op veel volkomener
wijze rechtstreeks kan uitdrukken. Het doel der kunst, voorstelling van
een aanschouwelijke idee, wordt zoo uit het oog verloren. Wanneer de
samenhang tusschen het teeken en het beteekende geheel conventioneel
is, dan hebben wij met die soort van allegorie te maken, welke symbool
is. Zoo is de roos symbool van het zwijgen, de laurier van den roem, de
schelp van het pelgrimschap enz. De Grieksche beeldhouwkunst richt zich
tot de aanschouwing en is dus æsthetisch; die van Hindostan tot het
begrip en is dus symbolisch. Het voorbeeld van Winckelmann, die de
allegorie, in plaats van haar als vreemd aan de kunst te verwerpen,
overal in bescherming neemt en als hoogste doel der kunst de aanduiding
van algemeene begrippen noemt, bewijst, dat men zeer gevoelig kan zijn
voor kunstschoon en daarover juist oordeelen, zonder nochtans van het
wezen van schoonheid en kunst rekenschap te kunnen geven, gelijk men
edel en deugdzaam in hooge mate kan zijn en een fijn geweten hebben,
dat nauwkeurig als een goudschaal in ieder bizonder geval beslist wat
goed en behoorlijk is, zonder dat men daarom de ethische beteekenis van
handelingen op wijsgeerigen trant weet te doorgronden en in woorden uit
te drukken.
Te midden van de schoone kunsten neemt volgens Schopenhauer de
muziek een geheel eigen plaats in. Om de theorie, die hij over haar
ontvouwt, juist te vatten, moeten wij op het volgende letten. Voor
opzettelijk handelen, dat doel zal treffen, wordt kennis vereischt.
Het intellekt is volgens Schopenhauer dan ook oorspronkelijk enkel
bestemd om motieven aan het handelen te verschaffen. Vandaar dat
bij de dieren en zelfs bij de meeste menschen de lust om waar te
nemen gaat kwijnen, zoodra er niets mee te bereiken valt. Bij
sommigen is er echter een overschot van verstandelijke kracht, dat
tot aanschouwing kan worden besteed, welke, aan de doeleinden van
den wil gemeten, nutteloos en daarom juist zuiver objektief is. Als
er niet gevraagd wordt naar de betrekkingen waarin een ding,
rechtstreeks of zijdelings, mogelijkerwijze tot den wil staat, er
dus niet gelet wordt op de plaats waar en den tijd waarin, niet op
de oorzaken waardoor en de middelen waartoe, als men m.a.w. alleen
het voorwerp in het oog vat, dan staat men, wel niet tegenover den
wil, die zich in dat ding vertoont, want wil wordt enkel gekend
door bewustzijn van eigen streven, maar tegenover de idee, die zich
in het verschijnsel afspiegelt. Dan is men zonder begeerte en
louter kennend subjekt. Dan ondervindt men den wellust, die extase
heet; dan verliest men zich in het aanschouwde.
Ziedaar het genot, dat door alle kunsten bezorgd wordt, met
uitzondering van de muziek. Zij alleen brengt ons niet met
aanschouwelijke ideeën in betrekking, maar ontsluiert ons den grond
van al het aanschouwelijke, het wezen aller wezens, den wil. In dit
gedeelte van Schopenhauer’s schoonheidsleer laten zich twee
partijen van ongelijke waarde onderscheiden. Op fantastische wijze,
als een echt romantikus, trekt hij een hoogst willekeurige parallel
tusschen de wereld der geluiden en de wereld der ideeën. De
grondbas met zijn diepe tonen vertegenwoordigt de onbewerktuigde
stof; de hoogere tonen heeten overeenkomst te hebben met planten en
dieren; de intervallen van de toonladder duiden de scheiding der
levende wezens in verschillende soorten aan enz. Aantrekkelijker
dan deze poging om in alles, wat op muzikaal gebied gevonden wordt,
een kosmisch symbool te ontdekken, is zijne beschouwing over de
ontroering, die zich van den mensch meester maakt, bij het
luisteren naar een voortreffelijk toondicht.
De muziek is een zoo groote en heerlijke kunst, werkt zoo machtig op
het gemoed, wordt zoo volledig als een algemeene taal door ieder
beschaafd mensch verstaan, overtreft zoozeer in duidelijkheid zelfs de
aanschouwelijke wereld, dat wij zeker meer in haar te zoeken hebben dan
het onbewust tellen, waarvoor Leibnitz haar hield, daar hij enkel op de
uitwendige schaal en niet op de kern lette. Ware zij niets meer dan
dat, zoo moest de bevrediging, welke zij verschaft, gelijksoortig zijn
aan die, welke wij bij de juiste uitkomst van een rekensom gevoelen, en
ze kon niet die zalige vreugde zijn, waarmede wij de diepste diepten
van ons wezen vertolkt gevoelen. Om de æsthetische werking der muziek
te verstaan, moeten wij haar een veel ernstiger en dieper beteekenis
toekennen, die op het innerlijk wezen van wereld en mensch betrekking
heeft. De getalsverhoudingen, waarin zij zich laat oplossen, kunnen
hoogstens enkel als teekenen gelden.
Het doel van alle overige kunsten is ons met de ideeën bekend te maken;
daar onze wereld niets anders is dan de verschijning van ideeën in
veelheid van dingen, is de muziek, die alle ideeën overslaat, van de
wereld der verschijnselen geheel onafhankelijk. Muziek zou, als zij
zonder instrumenten kon bestaan, ook al ware de wereld er niet, toch
kunnen genoten worden, wat zich niet van de overige kunsten zeggen
laat. Muziek is even rechtstreeksche afspiegeling van den wereldwil als
de wereld zelve dat is. Daardoor juist is de werking der muziek zooveel
machtiger dan die der overige kunsten: want deze spreken enkel van de
schaduw, zij van het wezen.
Begrip is hier, gelijk overal in de kunst, onvruchtbaar. De komponist
openbaart het diepste wezen der wereld en spreekt de hoogste wijsheid
uit in een taal, die zijn rede niet verstaat, gelijk de magnetische
somnambule mededeelingen doet over dingen, van welke zij in wakenden
toestand geen besef heeft. Daarom is bij den komponist, meer dan bij
iemand anders, de mensch van den kunstenaar geheel te scheiden.
Juist omdat de muziek het innerlijk wezen der wereld vertolkt en nooit
tot het verschijnende zelf in rechtstreeksche betrekking staat, kan zij
geen uitdrukking geven aan bizondere, bepaalde blijdschap, droefheid,
ontzetting, onder die en die omstandigheden, maar slechts de vreugde,
de smart, den jubel, de gemoedsrust, om zoo te zeggen in het
afgetrokkene, het wezenlijke van dat alles, zonder eenig bijwerk, ten
gehoore brengen. Toch verstaan wij haar volkomen. Dat is de reden
waarom onze fantasie zoo licht door haar in beweging wordt gebracht en
dan beproeft die onzichtbare en toch zoo levendig tot ons sprekende
geestelijke wereld met vleesch en been te bekleeden, haar dus in een
analoog voorbeeld te belichamen. Ziedaar de oorsprong van het gezang
met woorden en ten slotte van de opera, maar een groote fout is het,
wanneer datgene, wat hoofdzaak moet zijn, de muziek, daarbij in
ondergeschikte stelling geraakt. Juist de algemeenheid van de muziek,
waardoor het buiten hare macht ligt bizondere gebeurtenissen te
vertolken of bepaalde toestanden aan te wijzen, schenkt haar de hooge
waarde, welke zij als geneesmiddel van menschelijk lijden heeft.
Wanneer dus de muziek te zeer zich bij de woorden tracht aan te sluiten
en naar de gebeurtenissen zich tracht te schikken, dan beproeft zij een
taal te spreken, die de hare niet is. Van deze fout heeft Rossini zich
meer dan iemand anders vrij gehouden; zijne muziek spreekt zoo
duidelijk en zuiver haar eigen taal, dat zij de woorden in het geheel
niet noodig heeft, en, enkel met instrumenten uitgevoerd, hare volle
werking blijft uitoefenen.
Uit de innige verhouding, waarin de muziek tot het ware wezen van alle
dingen staat, is ook dit te verklaren, dat, wanneer begeleidende muziek
ten volle past bij een handeling, gebeurtenis, tooneelinrichting,
omgeving, zij als de duidelijkste kommentaar daarop zich gelden doet;
eveneens is het hem, die zich aan den indruk van een symfonie geheel
overgeeft, als zag hij alle mogelijke gebeurtenissen des levens aan
zich voorbijtrekken; toch kan hij, wanneer hij zich bezint, geen
overeenkomst aangeven tusschen het toondicht en de dingen die hem voor
den geest zweven. Immers de muziek is daarin van alle andere kunsten
verschillend, dat ze geen afbeelding van de wereld der voorstelling,
maar van den wil zelven is en dus niet het physische maar het
metaphysische tot uitdrukking brengt. Men zou de wereld evengoed een
belichaming van muziek als van wil kunnen noemen.
Het onuitsprekelijk innige van muziek, dat haar als een paradijs doet
zijn, waarin wij geheel ons tehuis gevoelen, terwijl het toch
onmetelijk ver van ons af ligt, dat volkomen begrijpelijke en toch zoo
vreemde van muziek, vindt daarin zijn oorsprong, dat ze alle bewegingen
van de diepste diepten onzer ziel wedergeeft, maar geheel buiten de
werkelijkheid om en dus zonder eenige bezoedeling met ’s levens
ellende.
De wereld als voorstelling is de spiegel, waarin de wereld als wil zich
zelf aanschouwt. Oorspronkelijk is de wil blinde, doffe drang; enkel
daar, waar kennis, met andere woorden voorstelling, geboren wordt, komt
de wil tot zelfbewustzijn, bespeurt hij, wat het is, dat hij wil, dat
hij namelijk niet anders wil dan deze wereld, het leven juist zooals
het is.
Tevens ontdekt de wil dan dat de individuen voor hem geen waarde hebben
en dat het hem enkel om de soorten te doen is. Op naïeve wijze
verkondigt zoo de natuur deze groote waarheid, dat uitsluitend de
ideeën werkelijkheid bezitten. De juiste theorie der geslachtsliefde is
geheel in overeenstemming met deze leer, gelijk wij thans zien zullen.
Alle verliefdheid, hoe etherisch zij zich ook moge aanstellen, wortelt
enkel in het sexueele verlangen en is enkel een nader bepaald, op dit
of dat individu gericht instinkt. Wanneer men, dit in aanmerking
nemende, de gewichtige rol gadeslaat, welke de liefde, in al haar
graden en schakeeringen, niet enkel op het tooneel en in de romans,
maar ook in de werkelijke wereld vervult, waar zij, naast de liefde tot
het leven zich als de sterkste van alle drijfveeren openbaart, de helft
der krachten en gedachten der jongere menschheid voortdurend in beslag
neemt, het laatste doel van bijna ieder menschelijk streven is, op de
gewichtigste aangelegenheden den nadeeligsten invloed erlangt, de
ernstigste bezigheden ieder oogenblik doet afbreken, soms zelfs de
helderste hoofden voor een wijle in verwarring brengt, zich niet
ontziet te midden van de verhandelingen der staatsmannen en de
onderzoekingen der geleerden storend met haar nesterijen in te grijpen,
haar liefdesbrieven en haarlokken, zelfs in portefeuilles van ministers
en manuscripten van philosofen, weet binnen te smokkelen, niet minder
dagelijks de hevigste en meest ingewikkelde twisten doet ontbranden, de
hechtste banden verscheurt, betrekkingen van de allerhoogste waarde
ontbindt, nu eens leven of gezondheid, dan weer rijkdom, aanzien en
voorspoed tot haar offer kiest, ja den braafste gewetenloos, den
trouwste verraderlijk maakt, dus over het geheel genomen als een
vijandige demon optreedt, die er op uit is verwarring te stichten en
alles omver te werpen;—dan móet men wel uitroepen: Waartoe al die
drukte? Waartoe dat dringen en razen, die angst en die nood? Het komt
er toch maar op aan, dat ieder Hans zijn Gretchen krijgt: waarom moet
zulk een kleinigheid een zoo gewichtige rol spelen, en telkens stoornis
en verwarring te weeg brengen in het wèl geordende menschelijke
leven?—De geest der waarheid antwoordt hier aan iederen ernstigen
denker: het is geen kleinigheid die hier op het spel staat, het geldt
hier een zaak, gewichtiger dan alle andere doeleinden, en daarom de
diepe ernst, waarmee ieder haar behartigt, ten volle waard. Dàt
namelijk, wat hier beslist moet worden, is niets minder dan de
samenstelling der volgende generatie. Door die beuzelachtige minnarijen
wordt uitgemaakt, welke handelende personen op het tooneel zullen
werkzaam zijn, wanneer wij zelve zullen zijn afgetreden. En van de
samenstelling van dat op ons volgende geslacht hangen weer tallooze
later komende geslachten af. Dit hooge gewicht der zaak, waarbij het
niet om wèl en wee van thans levende individuen, maar om bestaan en
karakter van het menschelijk geslacht in toekomstige tijden gaat, heeft
ten gevolge, dat de wil van den enkeling hier in verhoogde macht als
wil der soort te voorschijn treedt; dit is het, waarop het pathetische
en het verhevene van alle liefdesaangelegenheden, het alles te boven
gaande van hare verrukkingen en smarten berust, wat de dichters in
talrijke voorbeelden sedert duizenden van jaren niet moede worden ons
voor oogen te stellen; geen onderwerp is zoo belangrijk als dit, daar
het hier het wel en wee der soort betreft en dus tot alle overige,
welke slechts het welzijn der enkelingen raken, zich als een lichaam
tot een vlak verhoudt. Daarom juist is het zoo moeielijk een drama
zonder minnehandel belangrijk te doen zijn en daarom geldt het hier een
thema, dat zelfs door het dagelijksch gebruik niet afgezaagd wordt.
Wat in het bewustzijn zich voordoet als het sexueele verlangen op een
bepaald individu gericht, is op zich zelf de wil als een bepaald
individu geboren te worden. In dit geval weet de geslachtsdrift,
ofschoon op zich zelve een subjektieve behoefte, zeer geschikt het
masker van objektieve bewondering aan te nemen en zoo het bewustzijn om
den tuin te leiden; tot bereiking van hare doeleinden heeft de natuur
die krijgslist van noode. Dat het echter, hoe objektief en hoe verheven
ook die bewondering moge schijnen, bij alle verliefdheid toch enkel om
de voortbrenging van een bepaald individu te doen is, wordt vooral
daardoor bevestigd, dat niet weerkeerige liefde, maar bezit, als
hoofdzaak hier beschouwd wordt. De zekerheid van beantwoorde liefde kan
nooit over het gemis aan bezit troosten; integendeel heeft menigmaal
zulk een toestand tot zelfmoord geleid. Daarentegen neemt iemand, die
hevig verliefd is, wanneer hij zijn liefde niet beantwoord kan krijgen,
het desnoods met de door geschenken afgekochte gunst van een vrouw of
ook met verkrachting voor lief. Bij iederen liefdesroman is het doel,
ook al begrijpen de partijen het zelve niet, dat er dit of dat bepaalde
kind worde verwekt; de manier, waarop dit doel bereikt wordt, is
bijzaak. Hoe luide ook de gevoelvolle, verliefde paartjes zich tegen
het grove realisme van dergelijke beschouwing mogen verzetten, toch
dwalen zij. Werkelijk is het de toekomstige generatie in haar
individueele bepaaldheid, die, bij al de omslachtigheden en eindelooze
bemoeienissen tot het erlangen der geliefde vrouw, er naar hunkert om
te voorschijn te treden. De aanwassende genegenheid van een minnend
paar is eigenlijk reeds de drang om te leven van het nieuwe individu,
dat zij zouden kunnen en zouden willen verwekken; ja, in de blikken vol
verlangen, waarmede zij elkander aanzien, ontvlamt reeds het nieuwe
leven en kondigt het zich aan als een toekomstige, harmonisch
samengestelde individualiteit.
Het egoïsme is een zoo diep gewortelde eigenschap bij alle individuen
dat, wil men ze aan het werk zetten, zelfzuchtige doeleinden de eenige
zijn, waarop men met zekerheid rekenen kan. Nu heeft zeker de soort op
het individu een nader, hooger en ouder recht dan het voorbijgaande
individu op zich zelf: wanneer echter het individu voor bestaan en
welzijn der soort zorgen en zelfs offers brengen moet, dan kan aan zijn
intellekt, dat er enkel op ingericht is om zelfzuchtige doeleinden na
te streven, het gewicht dier aangelegenheid niet zoo duidelijk worden
gemaakt, dat er dienovereenkomstig gehandeld wordt. Derhalve kan in
zoodanig geval de natuur haar doel slechts daardoor bereiken, dat zij
den individu een zekeren waan in het gemoed plant, ten gevolge van
welken hem als een goed voor hem zelf toeschijnt wat in waarheid
slechts een goed voor de soort is, zoodat hij de soort dient, terwijl
hij meent zich zelf te dienen; bij welke gebeurtenis hem een
hersenschim voor den geest zweeft, die als beweegkracht de plaats van
werkelijkheid inneemt en bestemd is onmiddellijk daarna te verdwijnen.
Deze waan is het instinkt. In de allermeeste gevallen is instinkt de
genius der soort, welke datgene wat der soort ten nutte komt door den
wil verrichten doet. De uitwendige verschijning van het instinkt nemen
wij het best bij de dieren waar, doch de binnenzijde er van kunnen wij,
gelijk al het innerlijke, enkel aan ons zelven leeren kennen. Nu is het
een zeer bepaald, hoogst samengesteld instinkt, dat de keuze van een
individu voor geslachtsbevrediging met zoo diepen ernst en groote
eigenzinnigheid juist op een bepaalden persoon richt... De
duizelingwekkende verrukking, die zich van den man bij den aanblik van
juist die en geen andere vrouw meester maakt en hem de vereeniging met
haar als het hoogste goed voorspiegelt, is een instinkt, dat op het
welzijn der soort is gericht, terwijl de mensch zich verbeeldt enkel
zijn eigen genot te zoeken. Inderdaad ontsluiert zich hier het wezen
van alle instinkt. Het is een werken, dat meestal door een bepaald
doel, n.l. het welzijn der soort, wordt geleid, terwijl in
werkelijkheid dat doel niet tot het besef van den werkenden individu
komt. De zorgvuldigheid, waarmede een insekt een bepaalde bloem of
vrucht of de een of andere larve opzoekt, om juist dáár zijn eieren te
leggen, en, om dat te bereiken, moeite noch gevaar ontziet, vertoont
groote overeenkomst met die, waarmede een man de vrouw uitkiest tot
geslachtsbevrediging en daarbij zijn eigen levensgeluk dikwijls
opoffert of zelfs door misdaad als echtbreuk of verkrachting zijn doel
weet te bereiken, en dat alles om aan den souvereinen wil der natuur te
gehoorzamen en ten koste van den individu het belang der soort te
dienen. Een waan is het, die den man voorgoochelt, dat hij in de armen
van een bepaalde vrouw en van geen andere een oneindig grooter
bevrediging zal vinden; dus meent hij voor zijn eigen genot zich moeite
en opoffering te getroosten, terwijl het er enkel om te doen is, dat
een bepaald individu, dat enkel van dat ouderenpaar afkomstig kan zijn,
in het aanzijn zal treden. Overeenkomstig deze opvatting ziet ieder
verliefde, wanneer hij eindelijk zijn doel bereikt heeft, zich
wonderlijk ontgoocheld en bevreemdt het hem, dat de hartstochtelijk
begeerde gemeenschap geen grooter geluk schonk, dan hij ook elders had
kunnen vinden.
Dit alles werpt licht op het instinkt, dat den vogel zijn nest doet
bouwen, het insekt naar prooi doet jagen, die, voor dat diertje zelf
ongenietbaar, als voedsel voor de toekomstige larven naast de eieren
wordt gelegd. Al die dieren worden ongetwijfeld door een waan geleid,
welke den dienst der soort achter het masker van een egoïstisch doel
verbergt.
In dit verband wijst Schopenhauer er vervolgens op, dat de man naar
afwisseling haakt, terwijl de vrouw in den regel aanhankelijk
blijft aan den individu harer keuze. Hij verklaart dit uit het doel
der natuur, dat op behoud en sterke vermeerdering der soort gericht
is; de man kan in korten tijd een talrijk nakroost verwekken,
terwijl de vrouw in dienzelfden tijd slechts één kind kan ter
wereld brengen. Ook drijft de natuur de vrouw om den voeder en
beschermer der kinderen voor zich te behouden. Echtelijke trouw is
voor den man, volgens Schopenhauer, een kunstmatig verkregen
produkt der beschaving, terwijl zij voor de vrouw natuurlijk is en
echtbreuk bij haar, niet enkel wegens de gevolgen, maar ook om zijn
tegennatuurlijk karakter, veel onvergeeflijker is dan bij den man.
Schopenhauer vat zijne beschouwing in deze woorden samen:
Het liefdesverlangen, door de dichters van alle tijden op alle wijzen
bezongen, terwijl het onderwerp onuitputtelijk blijft, dat verlangen,
waardoor aan het bezit van een bepaalde vrouw de voorstelling van
oneindige zaligheid wordt vastgeknoopt, terwijl de gedachte dat zij
buiten zijn bereik zou kunnen blijven den man onuitsprekelijk doet
lijden, dat verlangen en die pijn der liefde kunnen niet wortelen in de
behoeften van een vergankelijk individu; hier hooren wij de
verzuchtingen van den genius der soort, welke in tegenstelling met den
individu oneindig leven heeft, en dus voor oneindige wenschen en
oneindige smarten vatbaar is. Maar die wenschen en smarten zijn
opgesloten in de enge borst van een sterveling, welke onder dien
machtigen druk schijnt te willen barsten. Alleen de genius der soort is
in staat om met één blik te zien, welke waarde voor hare doeleinden een
zeker paar menschen kan hebben. De groote hartstochten ontstaan dan ook
in den regel bij den eersten aanblik. Daarom is het verlies der
geliefde door een mededinger of door den dood voor den vurigen minnaar
een smart, die alle andere te boven gaat. Zij treft hem niet enkel als
individu, maar grijpt hem aan in zijn eeuwig wezen, in het leven der
soort, tot welks lastdrager en wilsuitvoerder hij geroepen werd. Om die
reden is ijverzucht zoo grimmig en pijnlijk en is er geen grooter offer
denkbaar dan van een geliefde te moeten afstand doen. Een held schaamt
er zich voor jammerkreten te slaken, maar liefdesklachten laat hij
hooren, want in dezen is het niet hij zelf, maar de soort, die haar
schreiende stem verheft.
Het lijdt geen twijfel of Wagner heeft zich o. a. bij zijn
schepping van Tristan en Isolde door Schopenhauer tot die hooge
opvatting der liefde laten bezielen, volgens welke zij oneindig
meer is dan een festijn, waaraan een paar menschen in hun
wittebroodsweken zelfzuchtig te gast gaan.