FRAGMENTEN UIT „WELT ALS WILLE UND VORSTELLUNG”

Locke zegt: „Het is duidelijk, dat de geest de dingen niet rechtstreeks

kent, maar enkel door tusschenkomst van ideeën of voorstellingen, welke

de dingen vertegenwoordigen; bijgevolg is onze kennis slechts in

zooverre juist als er overeenkomst bestaat tusschen onze ideeën en de

voorwerpen, waarop die ideeën betrekking hebben”.

Deze theorie, volgens welke er bij de waarneming ideeën of beelden

tusschen ons en de dingen zouden in staan, leidt tot scepticisme. Hoe

zullen we onze ideeën met hare modellen, d.i. met de werkelijkheid

zelve, vergelijken, indien, zooals wordt ondersteld, men tot de

werkelijkheid geen anderen toegang heeft dan door middel van idee of

beeld? Wij willen ons vergewissen of het beeld, dat wij ons van

gindschen boom gevormd hebben, al dan niet aan den boom beantwoordt;

wat kunnen wij nu volgens Locke’s hypothese anders doen dan naar den

boom kijken en ons zoo een nieuw beeld van den boom verwerven, dat wij

met het oude beeld vergelijken? Maar zoo blijven wij steeds binnen den

kring van beelden of voorstellingen opgesloten. Vandaar dat de beroemde

Euler in zijn „Brieven aan een duitsche prinses” kon schrijven: „Ik

meen dat de gewaarwordingen der zinnen nog iets meer behelzen dan de

philosofen zich inbeelden. Zij zijn niet maar waarnemingen van zekere

in de hersenen gemaakte indrukken. Zij geven niet maar aan de ziel

ideeën van dingen, doch zij stellen haar tevens werkelijk de dingen

voor, die buiten haar bestaan, ook al kan men niet begrijpen, hoe dat

eigenlijk in zijn werk gaat”. Schopenhauer is het met een gedeelte van

deze opmerking van Euler volkomen eens. Ook hij is van oordeel, dat wij

de dingen zelve buiten ons waarnemen, doch, voegt hij er aan toe: die

dingen zelve zijn onze voorstellingen, onze ideeën. Door deze uitspraak

doet Schopenhauer zich als idealist kennen. Natuurlijk heeft men bij

dit gebruik van het woord niet aan geestdrift voor idealen te denken,

maar enkel aan vereenzelviging van ideeën en dingen.

De waarneming is volgens Schopenhauer niet onbegrijpelijk, daar zij

door toepassing van de ons a priori bewuste wet der causaliteit op de

gewaarwordingen ontstaat; zoo besluiten wij, bij het zien, van de

werking, de gezichtsgewaarwording, tot haar oorzaak, het aanschouwde

ding; maar die overgang van werking tot oorzaak grijpt zoo snel plaats,

dat zij niet in het bewustzijn valt, en de zinnelijke gewaarwording, de

stof waaruit het aanschouwde ding wordt opgebouwd, zich niet laat

afscheiden van de door het verstand gevormde voorstelling. Dat wij den

oorsprong onzer zinnelijke gewaarwordingen bij het niet-ik zoeken, is

aan de wet der causaliteit te danken, die het menschelijk intellekt

beheerscht. Dat wij het niet-ik als uitgebreid waarnemen, ligt daaraan,

dat de ruimte een noodzakelijke vorm van ons aanschouwingsvermogen is.

Doch daar ruimte en causaliteit bij ons behooren, zijn de dingen, die

wij rechtstreeks waarnemen, tegelijkertijd slechts onze voorstellingen.

De overgang bij de waarneming van de gewaarwording tot haar oorzaak

laat zich, wat haar onmiddellijkheid en bewusteloosheid betreft,

ophelderen door een analoge gebeurtenis, die bij het afgetrokken

voorstellen of denken plaats grijpt. Bij het lezen en hooren worden ons

enkel woorden verschaft, maar van deze gaan we zoo onmiddellijk tot de

daardoor aangeduide begrippen over, dat het is, alsof we rechtstreeks

de begrippen ontvingen. Vandaar dat we soms niet weten, in welke taal

we gister iets, dat we ons herinneren, gelezen hebben. Dat de overgang

nochtans telkens plaats grijpt, wordt bespeurd, wanneer wij eens bij

uitzondering, doordat we verstrooid zijn, gedachteloos lezen en

vervolgens bemerken, dat wij enkel letters en woorden gezien, maar

niets begrepen hebben. Zoo is het in de dagen van het schrikbewind in

Frankrijk gebeurd dat een klerk, die talrijke doodvonnissen had te

kopieeren, zijn eigen doodvonnis neerschreef, zonder dat het door hem

bemerkt werd. Enkel wanneer we van abstrakte begrippen tot beelden der

fantasie overgaan, b.v. bij de arke Noachs ons een reusachtig houten

gevaarte op de zwarte, golvende watermassa verbeelden, komt de

omzetting van het woord in wat er door beteekend wordt, tot ons

bewustzijn.

De grondfout van alle stelsels is volgens Schopenhauer miskenning van

deze waarheid, dat het intellekt en de materie korrelata zijn, d.i. dat

het eene er enkel voor het andere is, dat beide met elkander staan en

vallen, dat zij elkander afspiegelen, ja dat zij eigenlijk een en

hetzelfde zijn, van twee tegengestelde zijden beschouwd. Laat hier bij

voorbaat gezegd worden dat dit ééne verschijning is van den wil, van

het ding op zich zelf. Intellekt en materie zijn dus geen van beide

oorspronkelijk en het is verkeerd om gelijk alle stelsels, het

Spinozisme uitgezonderd, deden, den oorsprong der dingen bij één van

beide te zoeken. Als de materie er zich op beroemt den oneindigen tijd

te doorleven en de oneindige ruimte te vullen, dan moet haar geantwoord

worden, dat tijd en ruimte enkel in het subjekt, d.i. in het intellekt,

voorhanden zijn, alleen als vormen zijner voorstelling bestaan, vormen

in welke de materie zich vertoont en zonder welke zij er niet zou zijn.

Kon het intellekt of het subjekt zelf vernietigd worden, dan zou die

vernietiging tevens de materie treffen: dood treft dan ook enkel het

lichaam, dat gedurende korten tijd drager is van het intellekt en,

gelijk al het overige, voorwerp van het intellekt.

Datgene, wat alles kent en nooit gekend wordt, is het subjekt. Het is

onontbeerlijke voorwaarde van al het verschijnende, van ieder objekt,

want enkel voor het subjekt is er alles wat bestaat. Als dat subjekt

vindt ieder zichzelf, echter slechts in zoover als hij kent, niet in

zoover als hij voorwerp van kennis is. Voorwerp is reeds het lichaam,

het is een objekt te midden van objekten en aan de wetten der lichamen

onderworpen. Het bestaat dus gelijk alle objekten der waarneming in de

vormen van alle kennis, in tijd en ruimte, door welke de veelheid er

is. Het subjekt echter, het kennende, nooit gekende, bestaat niet in

ruimte en tijd, daar het integendeel door ruimte en tijd ondersteld

wordt. Van het subjekt kan dus evenmin gezegd worden dat het veelheid

als dat het eenheid is. Het wordt niet gekend, omdat het datgene is,

wat alles kent.

De wereld als voorstelling bestaat uit twee van elkander

onafscheidelijke helften. De eene is het objekt, welks vorm is: ruimte

en tijd; aan dien vorm heeft het te danken dat het een veelheid is. De

andere helft, het subjekt, ligt niet in ruimte of tijd: zij is geheel

en onverdeeld in ieder kennend wezen voorhanden; dus is een eenig van

deze wezens voldoende om met het objekt de wereld als voorstelling

kompleet te doen zijn; daartoe zijn niet de bestaande millioenen

noodig; verdween ten slotte ook dat eenige wezen, dan zou de wereld als

voorstelling er niet meer zijn. Deze helften zijn dus voor elkander

onmisbaar, zelfs in de gedachte: want ieder van beide heeft slechts

door en voor de andere beteekenis en aanzijn, is er met haar en

verdwijnt met haar. Zij begrenzen elkander onmiddellijk: waar het

objekt aanvangt, houdt het subjekt op. De gemeenschappelijkheid dier

grens toont zich juist daarin, dat de onontbeerlijke en dus algemeene

vormen van alle objekt, welke tijd, ruimte en causaliteit zijn, van het

subjekt uit gevonden en volledig gekend kunnen worden of, om hetzelfde

in Kant’s spraakgebruik uit te drukken, a priori in ons bewustzijn

liggen. Dit ontdekt te hebben is de zeer groote hoofdverdienste van

Kant.

Dat de mathematische betrekkingen, juist zoo als ik ze bij de dingen

denk, in alle mogelijke ervaring steeds moeten voorhanden zijn, dat er

dus, zooals Kant het uitdrukt, synthetische oordeelen a priori mogelijk

zijn, is door dien reus onder de denkers aangetoond en verklaard

geworden. Aan ieder dringen zich vragen als de volgende op: wat is

tijd? wat is dat voor een ding, dat nooit stilstaat, louter beweging

is, zonder iets dat zich beweegt? En wat is ruimte, dat

alomtegenwoordige niets, waaruit geen ding kan wegsluipen, zonder op te

houden iets te zijn?

Kant heeft ontdekt, dat tijd en ruimte het subjekt aanhangen, de manier

zijn, waarop alle waarneming van objekten voltrokken wordt, gelijk

reeds daaruit blijkt, dat men wel alles, wat in tijd en ruimte

voorkomt, maar niet tijd en ruimte zelve kan wegdenken. Zoo kan de hand

alles loslaten, alleen zich zelve niet. Intusschen kunnen er nog andere

bewijzen dan die door Kant gegeven werden voor de waarheid van zijne

stelling worden aangevoerd.

„Een rechthoekige, gelijkzijdige driehoek” behelst geen logische

tegenstrijdigheid, want de prædikaten heffen ieder voor zich het

subjekt niet op, en evenmin zijn zij begripmatig onvereenigbaar. Eerst

wanneer men een dergelijke figuur in zijn voorstelling tracht te

construeeren, blijkt het dat zij onbestaanbaar is. Wilde men om die

reden van een tegenstrijdigheid gewagen, dan zou ook iedere physische

onmogelijkheid een kontradiktie moeten heeten, zelfs al is zij eerst in

later tijden ontdekt, b.v. dat horens en snijtanden in de bovenkaak

niet bij hetzelfde dier kunnen samengaan. Alleen de logische

onmogelijkheid is een tegenstrijdigheid, niet de physische en evenmin

de mathematische. Gelijkzijdig en rechthoekig spreken elkander niet

tegen; in het kwadraat gaan zij gepaard en evenmin is een van beide in

strijd met een driehoek. Daarom kan de onvereenigbaarheid van die

begrippen nooit door het zuivere denken ontdekt worden, maar zij blijkt

eerst bij de aanschouwing, welke intusschen van dien aard is, dat er

geen ervaring, geen werkelijk ding voor haar noodig is, daar de

aanschouwing hier een zuiver innerlijke is. Tot hetzelfde gebied

behoort de stelling van Giordano Bruno: „een oneindig groot lichaam is

noodwendig onbewegelijk”, want die stelling kan niet op ervaring

berusten en evenmin op het axioma der kontradiktie; hier wordt van een

ding gesproken, dat in geen ervaring kan voorkomen, terwijl de

begrippen „oneindig groot” en „bewegelijk” elkander in het denken niet

buitensluiten; alleen de zuivere aanschouwing doet zien, dat beweging

een ruimte buiten het lichaam vereischt, terwijl oneindige grootte geen

ruimte daarbuiten overlaat.—Wilde men tegen het eerste mathematische

voorbeeld aanvoeren, dat het er van afhangt, hoe volledig het begrip

is, dat het oordeelend subjekt betreffende een driehoek heeft, (want,

wanneer er niets aan haperde, dan zou het ook de onmogelijkheid in zich

sluiten, dat een driehoek rechthoekig en toch gelijkzijdig is), dan

luidt het antwoord: laat ons stellen dat zijn begrip van een driehoek

nog gebrekkig is, dan kan hij, zonder de ervaring te hulp te roepen,

door de eenvoudige konstruktie van den driehoek in zijne fantasie, dat

begrip aanvullen en zich voor alle eeuwigheid overtuigen, dat een

rechthoekige, gelijkzijdige driehoek onmogelijk is; juist een

dergelijke verrichting des geestes brengt een synthetisch oordeel a

priori voort, dat is een zoodanig, waardoor wij, zonder alle ervaring

en toch met geldigheid voor alle ervaring, onze begrippen vormen en

aanvullen.—Het spreekt wel van zelf, dat een begrip in het eene hoofd

vollediger kan zijn dan in het ander: het begrip „kat” behelst in het

brein van Cuvier honderdmaal meer dan in dat van zijn bediende. Om die

reden kunnen dezelfde oordeelen voor den een synthetisch, voor den

ander analytisch zijn. Neemt men echter de begrippen objektief en wil

men beslissen of een gegeven oordeel analytisch dan wel synthetisch is,

dan vervange men het prædikaat door zijn kontradiktorisch tegendeel en

verbinde het, zonder copula, met het subjekt: geeft dat een

contradictio in adjecto, dan was het oordeel analytisch, zoo niet:

synthetisch.

Dat de rekenkunde op de zuivere aanschouwing van den tijd berust, is

niet zoo klaarblijkelijk, als dat de meetkunde in die der ruimte

gegrond is. Men kan het echter op de volgende manier bewijzen. Alle

tellen bestaat in het herhaald stellen der eenheid: enkel om te weten,

hoe dikwijls wij dat reeds gedaan hebben, duiden wij haar telkens aan

met een ander woord: dit zijn de telwoorden. Nu is herhaling slechts

mogelijk door opvolging: deze echter, dus het na-elkander, rust

onmiddellijk op de aanschouwing van den tijd, is een begrip dat slechts

door tijd verstaanbaar is: dus is ook het tellen enkel door middel van

den tijd mogelijk. Dit berusten van alle tellen op den tijd verraadt

zich ook daardoor, dat in alle talen de vermenigvuldiging door „maal”

aangeduid wordt, ergo door een tijdsbegrip: six fois, six times,

sexies. Nu is echter reeds het eenvoudige tellen een vermenigvuldigen

met één, weshalve in het instituut van Pestalozzi de kinderen steeds

zoo vermenigvuldigen moesten: 2 maal 2 is 4 maal één. Ook Aristoteles

heeft reeds de enge verwantschap van het getal met den tijd bespeurd.

De tijd heet bij hem het getal der beweging. Diepzinnig werpt hij de

vraag op, of de tijd er zou kunnen zijn, wanneer er geen ziel ware, en

geeft daarop een ontkennend antwoord.

Ten onrechte heeft men uit deze redeneering van Schopenhauer

afgeleid dat, gelijk de geometrie ruimtemeting is, zoo volgens hem

de rekenkunde tijdmeting zou zijn. Dat zegt hij niet. Ook zou het

zeer verkeerd zijn dat te zeggen. Men kan niet enkel uren en dagen,

maar ook de verschillende beteekenissen van een woord tellen.

Tellen kan men overal, waar te onderscheiden valt. Er is geen

eenheid, geen getal, tenzij in ons denken. Eenheid en getal worden

geboren door ons letten op wat wij doen, als wij het een van het

ander onderscheiden. Toch is de redeneering van Schopenhauer niet

geheel zuiver. Want gelijk het tellen, zoo is ook het meten enkel

in den tijd mogelijk.

Ofschoon de tijd gelijk de ruimte de kenvorm van het subjekt is, doet

hij zich, ook in dat opzicht aan de ruimte weder gelijk, voor, alsof

hij onafhankelijk ware van het subjekt. Tegen onzen wil of zonder ons

weten vliegt of draalt de tijd: men vraagt hoe laat het is, men vorscht

naar den tijd als naar iets, dat geheel objektief is. En wat is dat

objektieve? Niet de beweging der sterren of der uurwijzers, welke

eenvoudig dient om den loop van den tijd daaraan te meten: dat

objektieve is iets, dat van alle dingen verschilt, doch, even als die

dingen, onafhankelijk van ons weten en willen voorhanden is. Tijd

bestaat slechts in de hoofden der kennende wezens, maar de

gelijkmatigheid van zijn gang en zijn onafhankelijkheid van den wil

geeft hem het recht objektief te heeten.

De tijd is in de eerste plaats de vorm van den innerlijken zin. Bij

voorbaat wil ik hier opmerken, dat het eenig voorwerp van den

innerlijken zin de eigen wil van het kennend subjekt is. De tijd is dus

de vorm, door middel van welken de wil, die oorspronkelijk van alle

kennis verstoken is, tot zelfkennis in staat wordt gesteld. In den tijd

doet zich dat eenvoudig en identisch willen voor als tot een levensloop

uitgerafeld. Juist wegens die oorspronkelijke eenvoudigheid en

identiteit van datgene wat zóó verschijnt, blijft het karakter steeds

hetzelfde, weshalve ook de levensloop steeds denzelfden grondtoon

behoudt, en de menigvuldige gebeurtenissen en tooneelen, waaruit hij

bestaat, als variaties op een en hetzelfde thema kunnen worden

beschouwd.

Maine de Biran zocht den oorsprong van het causaliteitsbegrip in de

ervaring, dat op het wilsbesluit als oorzaak de beweging van het

lichaam als werking volgt. Wat hier als een empirisch feit wordt

vermeld is geen feit. Wij bespeuren volstrekt niet, dat het wilsbesluit

om den arm te bewegen en de beweging van den arm zelve twee

verschillende gebeurtenissen zijn en dat die twee door den band der

causaliteit zijn samengeknoopt. Juister schijnt het te zeggen, dat

beide een en hetzelfde zijn, maar op tweeërlei wijze waargenomen: wat

nl. aan de innerlijke waarneming, dus aan het zelfbewustzijn, zich als

een werkelijk wilsbesluit aankondigt, datzelfde doet zich bij de

uitwendige aanschouwing, in welke het lichaam objektief voorhanden is,

onmiddellijk als werkzaamheid des lichaams voor. Dat physiologisch de

verrichting der zenuw aan die van den spier voorafgaat, doet hier niets

ter zake, want dat valt niet onder het bereik van het zelfbewustzijn;

ook is er geen sprake van de verhouding tusschen spier en zenuw, maar

van die tusschen wilshandeling en lichamelijke verrichting. Deze nu

kondigt zich niet als een causaliteitsbetrekking aan, want tusschen

wilshandeling en lichamelijke verrichting grijpt geen opvolging plaats;

zij zijn er tegelijk. Wanneer zij zich als oorzaak en werking

voordeden, zou de verbinding ons niet zoo onbegrijpelijk wezen, als zij

inderdaad is: want wat we uit zijn oorzaak verstaan, dat verstaan wij,

zooverre er voor ons van verstaan sprake kan zijn. Daarentegen is de

beweging van onze ledematen krachtens wilsbesluiten een alledaagsch

wonder, dat wij verzuimen op te merken. Richten wij er eenmaal de

gedachte op, dan treedt het onbegrijpelijke der zaak levendig voor ons

bewustzijn, juist omdat we hier iets vóór ons hebben, wat we niet als

werking van zijn oorzaak verstaan. Nooit kon dus deze waarneming,

waarin de voorstelling van causaliteit totaal ontbreekt, ons die

voorstelling verschaffen.

Niet minder verkeerd is het de wet der causaliteit te willen afleiden

uit de empirisch waargenomen inwerking van ons eigen lichaam op andere

lichamen. B.v. met inspanning sluiten we een deur waar de wind op

staat, doch om deur en hand in de ruimte waar te nemen, is reeds

toepassing van de wet der causaliteit noodig. Er is een breede kloof

tusschen gewaarwording en de aanschouwing van een objektieve wereld; de

eenige brug, die daarover heenvoert is de wet der causaliteit, welke

voor hare toepassing de beide andere haar verwante vormen, ruimte en

tijd, onderstelt. Of nu de gewaarwording, van welke wij uitgaan om

verder tot waarneming te komen, door den weerstand geboren wordt, dien

de krachtsuiting onzer spieren ondergaat, dan wel door een lichtindruk

op het netvlies of een geluidsindruk op de gehoorzenuw, komt hier op

hetzelfde neer: altijd blijft de gewaarwording een gegeven voor het

verstand, dat alleen bij machte is haar als werking van een daarvan

verschillende oorzaak op te vatten, welke het verstand nu als iets

uitwendigs aanschouwt door haar te plaatsen in den eveneens vóór alle

ervaring ons inwonenden vorm der ruimte. Zonder die intellektueele

verrichting zou nooit uit eenvoudige gewaarwordingen iets geheel

anders, nl. de aanschouwing van een wereld, kunnen ontstaan. Hoe is het

denkbaar, dat het bij een gewilde beweging zich belemmerd gevoelen, wat

overigens ook bij verlammingen plaats grijpt, daartoe voldoende zou

zijn? Er komt nog bij dat, zal ik beproeven op uitwendige dingen te

werken, deze noodzakelijk vooraf op mij moeten gewerkt hebben, want

anders ontbreken de beweegredenen: ook om die reden moet dus de

opvatting der buitenwereld voorafgaan. Volgens de theorie, die thans

bestreden wordt, zou een schepsel zonder armen en beenen in het geheel

niet tot voorstelling van causaliteit, en dus ook niet tot waarneming

der buitenwereld kunnen komen. Dat dit echter niet zoo is, blijkt uit

Frorieps „Notizen” 1838 Juli no. 133, waarin uitvoerig bericht wordt

gegeven over Eva Sauk uit Esthland, toen 14 jaar oud, geheel zonder

armen en beenen, zooals men zien kan op het toegevoegde portret.

Volgens de mededeelingen der moeder had Eva zich geestelijk even snel

ontwikkeld als hare andere kinderen en was zij spoedig tot een juist

oordeel over grootte en afstand der zichtbare voorwerpen gekomen.

Men moet niet meenen dat oorzaak en gevolg gelijktijdig kunnen zijn.

Ook dan, als de opvolging wegens hare groote snelheid niet kan worden

waargenomen, zijn wij er toch van overtuigd, dat er tijd verstrijkt.

Wij halen b.v. de haan van het geweer over en de kogel vliegt

onmiddellijk uit den loop; toch weten wij dat het afdrukken, het

ontvonken, het voortplanten van het vuur, de ontploffing en het

wegvliegen van den kogel in die bepaalde orde elkander moeten zijn

opgevolgd. Die opvolging van gebeurtenissen is nog door geen mensch

ooit waargenomen, maar wij weten, welke van die gebeurtenissen telkens

in den tijd aan de andere moet voorafgaan, dus weten wij ook, dat er

gedurende het verloop der heele reeks een zekere tijd verstrijkt, ook

al is hij zoo kort, dat hij aan onze waarneming ontsnapt. Bijgevolg is

ons niet enkel de wet der causaliteit, maar ook hare betrekking tot den

tijd en de noodzakelijkheid der opvolging van oorzaak en werking bij

voorbaat bekend. Wanneer wij weten, welke van twee toestanden oorzaak

en welke werking is, dan is ons tevens bekend, in welke orde zij in den

tijd plaats grijpen: strekt onze wetenschap daarentegen niet zoo ver en

is ons enkel bekend, dat er causaalverband tusschen de twee toestanden

is, dan trachten wij door proeven uit te maken, hoe de opvolging is en

zoo te beslissen, welke van beide oorzaak en welke werking is.

De valschheid der bewering van sommige wijsgeeren, dat oorzaak en

gevolg gelijktijdig zouden zijn, blijkt ook uit de volgende

beschouwing. Een onafgebroken keten van oorzaken en werkingen vult den

geheelen tijd. Ware de keten op zeker tijdstip afgebroken, dan zou de

wereld toen hebben stil gestaan, of er had, om haar weer in beweging te

brengen, een werking zonder oorzaak moeten plaats grijpen. Ware nu

iedere werking met haar oorzaak gelijktijdig, dan zou iedere werking

opgeschoven zijn in den tijd van haar oorzaak, zoodat een keten van

oorzaken en werkingen, hoevele schakels zij ook mocht tellen, in het

geheel geen tijd zou innemen, maar alles er op hetzelfde oogenblik zou

zijn. Zoo schrompelt, bij de onderstelling dat oorzaak en werking

gelijktijdig zijn, de wereldloop samen tot het feit van één oogenblik.

Dit bewijs vertoont overeenkomst met de redeneering, dat ieder blad

papier dikte moet hebben, daar anders het geheele boek zonder dikte zou

zijn. Aan te geven wanneer de oorzaak ophoudt en de werking aanvangt,

is bijna altoos moeilijk en dikwijls onmogelijk. Want de veranderingen

of de opvolgende toestanden vormen een continuum, gelijk de tijd,

welken zij vullen, en zijn dus, zooals deze, in het oneindige deelbaar.

Maar de orde, waarin zij elkander afwisselen, is even noodzakelijk

bepaald en onmiskenbaar, als het feit dat heden enkel op gister en niet

rechtstreeks op eergister kon volgen.

Het realistisch dogmatisme, het eigenlijke materialisme, neemt stof,

tijd en ruimte als eenvoudig bestaande aan en miskent de betrekking tot

het subjekt, zonder welke dat alles er niet zou zijn. Als leiddraad

bezigt het de causaalwet en beschouwt die als behoorende tot een

zelfstandige orde der dingen, terwijl zoo het verstand wordt op zij

geschoven, voor hetwelk alle causaliteit er is. Nu spoort het den

eenvoudigsten, zoogenaamd eersten toestand der materie op, om van daar

uit al het overige af te leiden: van mechanisme tracht het te komen tot

chemisme, tot polariteit, tot vegetatie, tot dierlijk leven. Gesteld

dat dit alles gelukte, dan zou de laatste schakel der keten gevoel en

waarneming zijn, welke dus eenvoudig als modificaties der stof, als

door causaliteit te voorschijn gebrachte toestanden der stof te

voorschijn zouden treden. Waren we nu het materialisme met

aanschouwelijke voorstellingen tot zoover gevolgd, dan zouden wij, op

den bergtop aangeland, plotseling neiging gevoelen om in een Homerisch

gelach uit te barsten, daar wij als uit een droom ontwakend zouden

bespeuren, dat zijn laatste zoo moeilijk verkregen resultaat, gevoel en

kennis, reeds bij het allereerste uitgangspunt te gelijk met de materie

als onontbeerlijke voorwaarde was ondersteld en wij ons wel hadden

ingebeeld aan de materie zonder meer te denken, maar inderdaad aan

niets anders hadden gedacht dan aan het de materie zich voorstellende

subjekt, het haar aanschouwende oog, de haar betastende hand, het haar

doorgrondende verstand. Zoo onthulde zich dan plotseling de enorme

logische fout: de laatste schakel bleek de spijker te zijn, waaraan

reeds de eerste was opgehangen, zoodat de keten bleek den cirkelvorm te

hebben aangenomen. Werkelijk gelijkt dan ook de materialist op den

baron von Münchhausen, die het paard, waarop hij zit, met zijn beenen

en zichzelf aan den staart van zijn pruik omhoog wil trekken. De

bewering, dat bewustzijn modificatie van materie zou zijn, is niet meer

waard dan de omgekeerde, dat materie slechts modificatie van bewustzijn

zou zijn. Toch is in den grond het doel en het ideaal van alle

natuurwetenschap een konsekwent volgehouden materialisme. Dat het

materialisme een ongerijmdheid is, kan slechts tot bevestiging van deze

waarheid dienen, dat alle wetenschap nooit een laatste doel kan

bereiken, nooit een genoegzame verklaring kan geven, dat zij het

innerlijk wezen der wereld niet raakt, nooit verder dan de voorstelling

komt en op de keper beschouwd niets anders dan de verhouding van de

eene voorstelling tot de andere onthult.

Geen objekt zonder subjekt,—ziedaar de stelling welke voor eeuwig alle

materialisme onmogelijk maakt. Zonnen en planeten, zonder een oog dat

ze ziet of een verstand dat ze kent, laten zich in woorden noemen, maar

niet denken. Intusschen dwingt ons het onderzoek der natuur aan te

nemen, dat in den tijd ieder hooger bewerktuigde toestand der materie

voorafgegaan is door een lager bestaan, dat de dieren er vóór de

menschen zijn geweest, de visschen vóór de zoogdieren, de planten

alweer vroeger, het onbewerktuigde vóór al het bewerktuigde; dat bij

gevolg de oorspronkelijke massa een lange reeks van veranderingen heeft

moeten doorloopen, vóór dat het eerste oog zich kon ontsluiten. En toch

blijft altoos van dat eerste oog het bestaan van die geheele wereld

afhankelijk, want dat oog was het onontbeerlijke middel om de wereld te

kennen en zonder dat oog is zij niet denkbaar, daar de wereld

voorstelling is en als zoodanig het kennend subjekt, den drager van

haar aanzijn, noodig heeft; ja, die lange reeks van eeuwen, waarin

ontelbare veranderingen hebben plaats gegrepen en de materie zich tot

steeds hooger gestalte, ontwikkelde, totdat eindelijk het eerste

kennende dier geboren werd, die geheele tijd is alleen denkbaar in de

identiteit van een bewustzijn, welks opvolging van voorstellingen die

tijd is en zonder hetwelk hij alle beteekenis verliest en volstrekt

niets is. Zoo zien wij van den eenen kant het bestaan der wereld

afhankelijk van het eerste kennende wezen, aan den anderen kant

bespeuren wij dat dit eerste kennende dier afhankelijk moet geweest

zijn van een lange daaraan voorafgaande keten van oorzaken en

werkingen, in welke het zelf als een kleine schakel optrad. Deze twee

elkander weersprekende beschouwingen, tot ieder van welke wij met

dezelfde noodzakelijkheid geleid worden, zou men een antinomie in ons

kenvermogen kunnen noemen, indien zij niet daarin hare oplossing vond

dat, om in Kant’s taal te spreken, tijd, ruimte en causaliteit niet aan

het ding op zichzelf toebehooren, maar alleen aan zijn verschijning,

wier vormen zij zijn; iets wat in mijne taal aldus luidt, dat de

objektieve wereld, de wereld als voorstelling, niet de eenige is, maar

enkel de eene, om zoo te zeggen uiterlijke zijde, terwijl de andere

zijde het innerlijkst wezen der wereld, haar kern, het ding op zichzelf

is, dat wat wij Wil noemen naar de meest onmiddellijke van zijne

openbaringen. De wereld als voorstelling echter, met welke wij hier

alleen te maken hebben, begint werkelijk, als het eerste oog haar

aanschouwt, zonder welk medium van kennis zij er niet kan zijn. Zonder

dat oog, m.a.w. buiten de kennis, was er ook geen vroeger, geen tijd.

Toch moet men daaruit niet afleiden, dat de tijd een begin had, want

alle begin is in den tijd; daar hij echter de meest algemeene vorm van

kenbaarheid is, naar welken zich alle verschijnselen krachtens de wet

der causaliteit voegen, zoo staat met het eerste kennen ook de tijd met

zijn geheele oneindigheid in beide richtingen tegenover het kennende

subjekt: m.a.w. het verschijnsel, dat het eerst als aanwezig wordt

opgemerkt, moet dadelijk worden opgevat als in causaalverband staande

met en afhankelijk van een reeks van verschijnselen, die zich tot in

het oneindige in het verleden uitstrekt; dat verleden is hier de

voorwaarde van het eerste heden, zooals omgekeerd dat eerste heden

voorwaarde is van het verleden; beide, heden en verleden, zijn van het

kennend subjekt afhankelijk en zonder dat subjekt niets; het ligt aan

het subjekt, dat het eerste heden niet als de aanvang van den tijd,

niet als iets wat geen verleden tot vader heeft, maar als gevolg van

dat verleden zich noodwendig voordoet. Wie aan de mythologie hier een

beeld wil ontleenen om het te voorschijn treden van den tijd zonder

aanvang uit te drukken, denke aan de geboorte van Kronos, den tijd, den

jongsten der Titanen, met wien, daar hij zijn vader ontmande, de ruwe

voortbrengselen van hemel en aarde ophielden om de geslachten der goden

en der menschen op het tooneel te doen verschijnen.

Het is opmerkelijk, dat Schopenhauer, de felle antimaterialist,

telkens spreekt als ware hij zelf een overtuigd materialist. Zoo

zegt hij op menige plaats, dat de wereld een hersenphenomeen is.

Onwillekeurig vraagt men: wat zijn dan de hersenen zelve, die een

deel der wereld uitmaken? Is de wereld misschien phenomeen van een

phenomeen, phenomeen in de tweede macht? Dergelijke uitspraken

zijn, naar mijn oordeel, geen bewijs van gedachteloosheid, maar een

bedenkelijk gevolg van de kunstenaarsbehoefte, welke Schopenhauer

eigen was, om alles zoo plastisch mogelijk voor te stellen.

Opzettelijk trachtte hij „den bedriegelijken sluier van afgetrokken

begrippen”, welke bij andere denkers subjekt en objekt van elkander

scheidt, in flarden te scheuren. Zoo kwam hij er toe te onpas de

taal der physiologen te gebruiken en de zuiverheid zoowel van zijn

denken als van zijn spreken aan aanschouwelijkheid op te offeren.

De soms dwaze formules, waarin hij zijn gedachten hult, werden hem

door zijn intellektueel temperament aan de hand gedaan, dat

aanschouwing boven afgetrokken, dorre redeneering verkiest en dat

een warm, zonnig, kleurrijk, schitterend woord hooger stelt dan

fijne onderscheiding en eerbiediging van de regels der logika,

wanneer deze het gebruik van voor oningewijden moeilijk

verstaanbare technische termen, gelijk men ze in massa in de

geschriften van Kant aantreft, zouden met zich voeren.

In dit verband zij het mij veroorloofd nog een andere opmerking in

te vlechten. Schopenhauer gebruikt den term objekt in ruimer zin

dan bij Kant en andere denkers gemeenlijk plaats grijpt. Onder

objekt toch verstaat men bij voorkeur den inhoud van een algemeen

geldige, van een wetenschappelijke voorstelling, zooals die door

een onberispelijk denker, mits hij over alle ter zake dienende

gegevens beschikt, gevormd wordt; daarmede erkent men de

mogelijkheid, dat er waarnemingen of voorstellingen zijn, die enkel

subjektieve beteekenis hebben, die gebrekkig, onjuist, valsch

moeten heeten. Dit onderscheid wordt bedoeld, als men vraagt, hoe

werkelijkheid en schijn kunnen worden onderscheiden. Aan die vraag

schenkt Schopenhauer weinig aandacht. Ziehier evenwel de wijze,

waarop een aanverwante vraag door hem wordt beantwoord.

Wij hebben droomen; is niet misschien het geheele leven een droom? Of

meer bepaald: is er een afdoend kenmerk om droom en werkelijkheid, om

fantasmen en echte objekten te onderscheiden? De bewering, dat

aanschouwing in den droom minder levendig en duidelijk is dan

aanschouwing van werkelijkheid, verdient in het geheel niet in

aanmerking te komen; niemand toch is er ooit in geslaagd deze beide

naast elkander te plaatsen en ze dan te vergelijken; het eenige wat men

doen kan is de herinnering van een droom tegenover de aanwezige

werkelijkheid te stellen.—Kant lost de vraag aldus op: „De onderlinge

samenhang der voorstellingen volgens de wet der causaliteit

onderscheidt het leven van den droom”.—Daarop is te antwoorden dat, ook

in den droom, alle bizonderheden een voldoenden grond hebben. De

samenhang blijkt enkel verbroken, wanneer leven en droom elkander

afwisselen of wanneer men op verschillende droomen let. Kant had dus

behooren te zeggen: de lange droom, die het leven heet, vertoont een

doorgaanden samenhang en staat op zich zelf tegenover de korte droomen,

die er zich inschuiven; de brug tusschen leven en droomen ontbreekt en

daardoor onderscheidt men ze.—Intusschen zou het onderzoek, of iets

gedroomd dan wel geschied is, met behulp van dit kriterium, zeer

moeilijk en dikwijls in het geheel niet tot het doel geleiden; immers

wij zijn volstrekt niet in staat om tusschen iedere werkelijk

doorleefde gebeurtenis en het tegenwoordig oogenblik alle schakels van

causaalverband aan te wijzen en zullen ons dus niet wegens dat

onvermogen gerechtigd achten om in een bepaald geval te zeggen, dat wij

enkel hebben gedroomd. Daarom bedient men zich in het werkelijke leven

niet van dien toetssteen. Het eenig afdoende kenmerk om droom en

werkelijkheid te onderscheiden is inderdaad geen ander dan het zuiver

empirische ontwaken, waardoor de causaalband tusschen de gedroomde

gebeurtenissen en de feiten van het wakende leven nadrukkelijk en

voelbaar wordt verscheurd. Een voortreffelijk bewijs hiervoor is de

opmerking, die Hobbes in zijn Leviathan hoofdst. II ten beste geeft:

dat wij n.l. droomen dan licht in later tijd voor werkelijkheid houden,

wanneer wij zonder opzet over dag niet ontkleed geslapen hebben. Vooral

echter, wanneer daar nog bijkomt, dat een onderneming of een plan al

onze gedachten in beslag neemt en ons in den droom evenzeer als

gedurende het waken bezig houdt: in zulke gevallen wordt het ontwaken

schier even weinig als het inslapen opgemerkt; de droom vloeit met de

werkelijkheid samen en wordt met haar vereenzelvigd. Hier blijft er

inderdaad niets anders over dan den door Kant aangegeven toetssteen te

gebruiken: wanneer nu echter naderhand, zooals dikwijls het geval is,

er niet meer is op te sporen of de causaalband met het heden aanwezig

is dan wel ontbreekt, dan moet het onbeslist blijven of een gebeurtenis

gedroomd dan wel geschied is. Zoo treedt de nauwe verwantschap tusschen

leven en droom zonneklaar ons te gemoet. Inderdaad is op die

verwantschap door vele groote geesten dan ook met nadruk gewezen. De

Veden en Purana’s vergelijken telkens onze kennis der werkelijkheid,

welke zij het weefsel van Maja noemen, met den droom. Plato zegt

herhaaldelijk, dat de menschen slechts in een droom leven en alleen de

philosoof er naar streeft om wakker te zijn. Pindarus noemt den mensch

den droom van een schaduw. Sophocles zegt: ik zie dat wij, die leven,

enkel beelden en zwevende schaduwen zijn; terwijl wij bij Shakespeare

lezen: wij zijn van de stof waaruit droomen worden geweven, en ons

kortstondig leven wordt door slaap omlijst.

Na deze dichterlijke citaten zij het ook mij vergund mijn bedoeling

door een vergelijking duidelijk te maken. Het leven en de droomen zijn

bladen van hetzelfde boek. Geregeld doorlezen heet: het werkelijk

leven. Wanneer echter de leestijd door het aanbreken van den nacht ten

einde is en het uur van rusten slaat, dan bladeren wij nog slaperig in

ons boek en zonder orde lezen wij nu eens hier, dan weer daar; dikwijls

is het een blad, dat we reeds kenden, dikwijls een, dat we nog niet

kenden, maar altoos is het uit hetzelfde boek. Bij een afzonderlijk

gelezen blad ontbreekt de samenhang met vroeger en later, dien het

geregeld doorlezen doet bespeuren, maar daarom staat het nog niet

zoozeer bij dit laatste ten achter, want ook het boek in zijn geheel

vangt plotseling zonder voorbericht aan en het eindigt eveneens midden

in een volzin, zoodat het heel goed als een zeer groot ergens

uitgescheurd blad kan worden beschouwd.

Volgens Schopenhauer geven de zinnen enkel gewaarwordingen, welke

nog op lange na geen aanschouwingen zijn; immers voor deze is

toepassing der causaalwet noodig, die de eenige functie van het

verstand bij hem heet. Om die reden noemt hij de aanschouwing of

waarneming der wereld intellektueel en kent hij aan alle dieren

verstand toe, maar onderscheidt tevens verschillende graden van

verstand. Het kennen, zegt hij, en het daarmee gepaard gaande

handelen volgens beweegredenen is het, wat het dier een dier doet

zijn, terwijl de beweging op prikkels het wezen van de plant

uitmaakt en de beweging van het onbewerktuigde enkel van

mechanische oorzaken afhangt, waarbij actie en reactie aan elkander

gelijk zijn. Het verstand is bij alle dieren en alle menschen

hetzelfde. Het heeft slechts één verrichting: van werking tot

oorzaak en van oorzaak tot werking over te gaan en geen andere dan

die. Maar zijn scherpte en de uitgebreidheid van de sfeer,

waarbinnen het zich doet gelden, zijn zeer verschillend en doen

niet alleen de menschen, maar ook de onderscheiden soorten van

dieren, op lager of hooger trap van verstand staan. Waar het

verstand zeer gebrekkig is, gewagen wij van domheid, bij mensch en

dier beiden. Zoo spreken wij van domme ganzen en domme kippen,

omdat zij zich zoo licht laten overrijden, schoon beide soorten

verstand genoeg hebben om voedsel op te sporen en weg te pikken.

Domheid is traagheid of onvermogen in het opvatten van

rechtstreeksch, aanschouwelijk causaalverband. Het tegendeel is

schranderheid, zooals ze bij den olifant werd opgemerkt die, nadat

hij op zijn reis door Europa reeds over vele bruggen was gegaan,

weigerde een nieuwen brug te betreden, daar deze hem voor zijn

gewicht te licht gebouwd voorkwam. Aan den anderen kant verwondert

men zich dat een zoo slim dier als de orang-outang het vuur,

waaraan hij zich warmt, niet door toevoeging van brandstof weet te

onderhouden; men mag dit als een bewijs beschouwen, dat voor

zoodanig inzicht als hiertoe vereischt wordt begrippen noodig zijn.

Het verstand bespeurt n.l. volgens Schopenhauer slechts ééne

betrekking, die tusschen oorzaken en werkingen, doch, als het aan

zich zelf wordt overgelaten en niet, gelijk bij den mensch, door

het gebruik der rede versterkt wordt, ontdekt het die betrekking

slechts in zooverre als zij konkreet, rechtstreeks waarneembaar is.

Denk aan den hond, die den stok op zijn rug voelt neerkomen en

daarvan pijn ondervindt. Voortaan vlucht hij, zoodra de stok wordt

opgeheven.

De rede, het vermogen om begrippen, d.i. algemeene voorstellingen

te vormen, is volgens Schopenhauer het eigenaardige van den mensch,

waardoor hij zich van het dier, slaaf van het oogenblik,

onderscheidt. Het gebruik der rede treedt het helderst aan den dag,

waar het bizondere door het algemeene, het enkele geval door den

regel, deze door een nog algemeener regel verklaard wordt en zoo

steeds ruimer gezichtspunten verworven worden: door zulk een

overzicht ziet men zich in staat gesteld beter te onthouden wat men

weet, en krijgt de kennis een graad van volkomenheid, welke anders

onbereikbaar zou zijn.

Even groot als de overgang is van het onmiddellijk licht der zon tot

den geborgden weerschijn van de maan, is die van de aanschouwelijke,

rechtstreeksche, haar waarborg van juistheid met zich voerende

waarneming of oorspronkelijke voorstelling tot de afgeleide, abstrakte

voorstellingen der rede, die wij begrippen noemen en die haar waarde en

inhoud enkel aan die aanschouwelijke kennis ontleenen. Zoolang wij in

een staat van zuivere aanschouwing verkeeren, is alles klaar, vast en

zeker. Voor vragen, twijfelingen, dwaling is hier geen ruimte; men wil

niet verder, kan niet verder, vindt rust in de aanschouwing,

bevrediging in het heden. De aanschouwing is zich zelve genoeg; vandaar

dat wat enkel uit haar is voortgekomen en haar is trouw gebleven,

gelijk het echte kunstwerk, nooit valsch zijn noch te eeniger tijd

wederlegd kan worden; immers het behelst geen meening, maar geeft de

zaak zelve. Doch met de begripmatige kennis, met de rede, treedt op

theoretisch gebied twijfel en dwaling, op praktisch gebied zorg en

berouw ons tegemoet.—Hier is een nieuw bewustzijn, dat zeer treffend en

volgens een juist gebruik der taal reflexie wordt genoemd. Want het is

inderdaad een weerschijn, iets dat van aanschouwelijke kennis is

afgeleid, maar een geheel anderen aard vertoont. Het kent de vormen der

aanschouwelijke kennis niet en het beginsel van den voldoenden grond,

dat als causaalwet over alles wat objekt is heerscht, neemt hier een

geheel andere gestalte aan, die van kengrond. Dit nieuwe hooger

bewustzijn, die afgeleide weerspiegeling van al het intuïtieve in de

niet-aanschouwelijke begrippen der rede bezorgt den mensch hooger macht

en tevens dieper lijden dan voor zijn onredelijke medeschepselen

bereikbaar is, want daardoor leeft hij in toekomst en verleden,

daardoor houdt hij op geheel een prooi van den oogenblikkelijken indruk

te zijn, en laat hij zich leiden door andere motieven dan die

rechtstreeks aan het aanschouwelijke zijn ontleend. Daardoor maakt hij

plannen en voert ze uit of wel handelt volgens stelregels, zonder acht

te geven op wat toevallig het heden brengt. Hij kan met gelatenheid

maatregelen tot zijn eigen dood nemen, zich anders voordoen dan hij is,

een geheim mede in het graf nemen; hij heeft de keus tusschen

verschillende beweegredenen, want slechts in abstracto, als begrippen,

kunnen deze naast elkander in het bewustzijn bestaan en zoo het inzicht

verschaffen dat zij elkander buitensluiten; nu kunnen ze hun macht over

den wil tegen elkander afmeten, zoodat de uitslag van wikken en wegen,

van langdurig overleggen afhangt. De oogenblikkelijke indruk

daarentegen beheerscht het dier; alleen de vrees voor onmiddellijke

straf kan zijn begeerte in toom houden, totdat die vrees eindelijk

gewoonte is geworden en als zoodanig het dier onafgebroken beheerscht:

dat is dressuur. Het dier gevoelt en aanschouwt; de mensch denkt

daarenboven en weet; beiden willen. Het dier deelt zijn gevoel en zijn

stemming door gebaren en klanken mede, de mensch openbaart zijn

gedachten door de taal, of verbergt zijn gedachten, weder door de taal.

Taal is het eerste voortbrengsel en het onontbeerlijke werktuig der

rede. Vandaar dat bij vele volken rede en taal door één en hetzelfde

woord worden aangeduid.

Taal kan als een uitmuntende telegraaf worden beschouwd, die

willekeurige teekens met groote snelheid en fijne schakeering

overbrengt. Wat beduiden echter die teekens? Hoe worden ze uitgelegd?

Vertolken wij misschien, wanneer iemand tot ons spreekt, de door hem

gebezigde taal in beelden der fantasie, die bliksemsnel aan ons

voorbijvliegen, zich aaneenschakelen, zich omvormen en uitgewerkt

worden, al naar gelang de voorbijstroomende woorden en hunne

grammatikale buigingen het meebrengen? Welk een tumult zou er dan in

ons brein plaats grijpen bij het aanhooren van een rede of bij het

lezen van een boek! Neen, de zin der rede wordt onmiddellijk vernomen,

nauwkeurig en bepaald opgevat, zonder dat anders dan bij uitzondering

beelden voor ons geestesoog opduiken. Het is de rede, die rechtstreeks

tot de rede spreekt en binnen de grenzen van haar gebied blijft, want

wat er meegedeeld en wat er ontvangen wordt zijn begrippen,

niet-aanschouwelijke voorstellingen, die, eens voor altijd gevormd, en,

ofschoon betrekkelijk gering in aantal, de ontelbare objekten der

werkelijke wereld omvatten en vertegenwoordigen. Hieruit alleen is het

verklaarbaar, dat geen dier spreken en verstaan kan, ook al beschikt

het over spraakwerktuigen en al heeft het aanschouwelijke

voorstellingen met ons gemeen: juist omdat de woorden die geheel

eigenaardige klasse van voorstellingen beteekenen, wier subjektief

korrelaat de rede is, zijn zij voor het dier zonder zin en beteekenis.

De bron van de taal, gelijk van alles wat wij op rekening der rede

stellen, is uitsluitend te zoeken bij de begrippen, bij

niet-aanschouwelijke, algemeene, niet aan tijd en ruimte gebonden,

niet-individueele voorstellingen.

De geheele wereld der begrippen vindt haar kengrond in de wereld der

aanschouwing. Daarom is dit het onderscheid tusschen de abstrakte of

afgetrokken voorstellingen en de concrete of aanschouwelijke, dat bij

de laatste het beginsel van den voldoenden grond altijd enkel een

betrekking tot een voorstelling van dezelfde klasse vereischt, terwijl

bij de eerste er ten slotte een betrekking tot een voorstelling uit een

andere klasse moet bestaan.

Natuurlijk zijn niet alle begrippen even abstrakt. In den hoogsten

graad komt die eigenschap toe aan begrippen als deugd, onderzoek,

aanvang; in veel geringer graad aan begrippen als mensch, steen, paard.

Het onderscheid is, dat de laatsten hun grond rechtstreeks in de

aanschouwelijke wereld vinden, terwijl de kengrond der eersten zelf

reeds tot de wereld der begrippen behoort.

Er zijn begrippen, door welke één enkel werkelijk voorwerp wordt

gedacht en die nochtans abstrakt en algemeen zijn, daar zij werkelijk

begrippen zijn en volstrekt niet op den naam van aanschouwelijke

voorstellingen kunnen aanspraak maken: van dien aard is b.v. het

begrip, dat iemand van een bepaalde stad heeft, welke hij enkel uit de

geografie kent: slechts die ééne stad wordt door dat begrip gedacht,

maar toch is het mogelijk, dat er verschillende andere steden zijn,

voor welke hetzelfde begrip zou passen. Dus heeft een begrip niet

dáárdoor algemeenheid, dat het aan een groep van voorwerpen werd

ontleend, maar omgekeerd, omdat algemeenheid, niet individueele

bepaaldheid, aan het begrip als gewrocht der rede eigen is, kunnen

verschillende dingen door hetzelfde begrip gedacht worden.

Uit het gezegde blijkt, dat ieder begrip, juist omdat het een niet

volledig bepaalde, niet-aanschouwelijke voorstelling is, een omvang of

een sfeer heeft, waar binnen het kan worden toegepast. Door Euler is de

gewoonte ingevoerd om die sferen als kringen af te beelden. Nu bevinden

wij, dat de kring van ieder begrip met kringen van andere begrippen ten

deele samenvalt, dat dus in die begrippen ten deele hetzelfde gedacht

wordt, terwijl, wanneer twee begrippen werkelijk verschillende

begrippen zijn, ten minste één van die twee iets behelst, dat het

andere begrip niet in zich sluit: men denke aan de verhouding tusschen

begrippen als dier en paard of als bloem en rood. Verhoudingen tusschen

begrippen aanwijzen, m.a.w. aan subjekten prædikaten toekennen, dat is

het wat men oordeelen noemt: het paard is een dier, sommige roode

dingen zijn bloemen.

Praktisch gebruik van de logika willen maken zou hetzelfde zijn als

datgene wat ons in bizondere gevallen onmiddellijk volkomen zeker is

met ontzaggelijke moeite uit regels te willen afleiden. Wie de logika

bestudeert om er nut van te trekken, gelijkt op den mensch, die een

bever tot het bouwen van zijn huis zou willen africhten.

De rede is vrouwelijk, zij kan slechts geven nadat zij ontvangen heeft.

Uit zich zelve heeft zij niets behalve de vormen harer werkzaamheid.

Die vormen heeten: beginselen der identiteit, der kontradiktie, van het

buitengesloten derde en van den voldoenden kengrond. Wanneer men nu

vraagt, hoe zekerheid te erlangen is, hoe oordeelen te rechtvaardigen

zijn, wat het is dat het weten tot een weten maakt, dan beduidt die

vraag, dat er een voldoende kengrond wordt geëischt. Zoo heeft de

mathesis haar voldoenden kengrond in de onafhankelijk van alle ervaring

ons bewuste ruimteverhoudingen. In zoover wij vóór alle ervaring over

den loop der natuur kunnen oordeelen, vindt dat weten zijn voldoenden

kengrond in de a priori ons bewuste wet der causaliteit. Waar het weten

niet a priori is, moet het gerechtvaardigd worden door de ervaring.

Alleen de begripmatige kennis is weten en daarom kunnen wij op de keper

beschouwd niet zeggen, dat de dieren iets weten, al hebben ze

aanschouwelijke kennis, zelfs herinnering en om die reden ook fantasie,

zooals hun droomen aantoont.

De abstrakte kennis vindt haar grootste waarde daarin, dat zij voor

mededeeling vatbaar is en met behulp van woorden gemakkelijk in den

geest vastgespijkerd kan worden; om die twee redenen heeft zij voor de

praktijk een zoo groote beteekenis. Het is mogelijk, dat iemand van den

samenhang van veranderingen en bewegingen een rechtstreeksch

aanschouwelijke kennis heeft en daarin volle bevrediging vindt; voor

mededeeling wordt die kennis eerst dan geschikt, wanneer ze in

begrippen is vastgelegd. Zelfs uit een praktisch oogpunt is

aanschouwelijke kennis voldoende, zoolang hij, die haar bezit, geen

vreemde hulp noodig heeft en de voorgenomen handeling geheel voor eigen

rekening kan nemen; maar dat wordt anders, zoodra er een wèloverlegd

plan noodig is, en de uitvoering over verschillende tijden moet worden

verdeeld. Een geoefend biljartspeler kan een aanschouwelijke kennis van

de wetten van den stoot van elastische lichamen op elkander hebben en

bij het spel komt hij met die kennis volkomen uit; daarentegen kan

enkel van een weten van die wetten gesproken worden, waar de kennis in

abstracto bestaat. Zelfs voor de samenstelling van werktuigen is zuiver

aanschouwelijke, zoogenaamd intuïtieve kennis voldoende, zooals men bij

talentvolle handwerkslieden bespeuren kan, die zonder wetenschap en

zonder hulp van anderen iets nieuws uitvinden. Zoodra daarentegen vele

menschen en eene samengestelde, over verschillende tijdstippen

verdeelde werkzaamheid voor de uitvoering b.v. van een bouwwerk noodig

zijn, moet hij, die het werk leidt, het plan in abstracto ontwerpen en

dus zijn rede gebruiken. Merkwaardig is het, dat bij die eerste soort

van werkzaamheid, waar iemand alleen, in een onafgebroken handeling

iets uitvoert, het weten, het gebruik der rede, de reflexie juist een

hinderpaal kan zijn; zoo bij het biljartspel, bij het vechten, bij het

stemmen van een instrument, bij het zingen: hier moet de

aanschouwelijke kennis het werk rechtstreeks leiden; het nadenken geeft

onzekerheid, daar het de opmerkzaamheid verdeelt en dus den menschen in

verwarring brengt. Daarom voeren wilde en ruwe menschen, die zeer

weinig gewoon zijn te denken, vele lichaamsoefeningen, den strijd met

dieren, het treffen met den pijl enz. met een zekerheid en een snelheid

uit, welke de nadenkende Europeaan nooit bereikt, juist omdat zijn

overleggen hem doet aarzelen; hij zoekt de rechte plaats of wel het

juiste tijdstip uit den gelijken afstand tot twee onjuiste uitersten te

bepalen; de natuurmensch treft onmiddellijk zijn doel, zonder op

verkeerde wegen te letten. Zoo helpt het mij niet, of ik den hoek,

waarin ik het scheermes heb aan te zetten, in graden en minuten weet

aan te geven; waar het op aankomt is, dat ik den juisten greep heb, dat

mijn kennis intuïtief is. Op gelijke wijze storend is het gebruik der

rede bij het ontcijferen van gelaatstrekken; de uitdrukking, de

beteekenis der physionomie laat zich, zoo zegt men, enkel gevoelen,

d.i. zij laat zich niet onder begrippen brengen. Hier zijn de

schakeeringen zelfs zoo fijn, dat het begrip ze niet bereiken kan.

Gelijk bij een mozaïek de scheidingen tusschen de steentjes steeds

overblijven en er dus geen onafgebroken overgang van den eenen tint tot

den anderen mogelijk is, zoo zijn ook de begrippen, door hun starheid

en scherpe begrenzing, hoe haarfijn men ze ook splitsen moge, niet in

staat de nog fijner schakeeringen van het intuïtieve te bereiken, op

welke het, zooals bij het lezen van gelaatstrekken, juist aankomt.

Begripmatige kennis en rechtstreeksche aanschouwing dekken elkander

nooit geheel. De eerste staat tot de tweede als een mozaïek tot een

schilderij. Alle waarheid en alle wijsheid moeten ten slotte op

aanschouwing berusten. Deze alleen is kennis uit de eerste hand en de

begripmatige kennis is slechts haar schaduw. Toch kunnen wij het niet

zonder begrippen stellen, daar aanschouwingen zich niet laten

vasthouden en evenmin mededeelen. Intusschen is dikwijls opgemerkt, dat

in het werkelijke leven de geleerde, ondanks zijn rijkdom aan

begripmatige kundigheden, het moet afleggen tegenover den man van de

wereld, daar deze meer intuïtieve kennis bezit, tengevolge van

oorspronkelijken aanleg en rijke ervaring. De verhouding tusschen beide

soorten van kennis is dezelfde als die tusschen papiergeld en klinkende

munt; nu eens verdient het eene, dan weer het andere de voorkeur.

Gelijk echter een bank, die papiergeld uitgeeft, om soliede te zijn,

kontanten in kas moet hebben, ten einde zoo noodig de banknoten te

kunnen inwisselen, zoo zorge men er voor, dat men zijne begrippen ten

slotte steeds door aanschouwingen kan rechtvaardigen. Waar dat niet het

geval is, teert men enkel op woorden. De ware levenswijsheid, de juiste

blik en het treffende oordeel zijn gevolg van de wijze, waarop de

mensch de aanschouwelijke wereld opvat, niet van zijn weten, niet van

zijn afgetrokken begrippen. Wijs is hij, die scherp en juist het

aanschouwelijke in zich opneemt. Een enkel geval uit eigen ervaring

leert dien wijze meer dan de geleerde weet door middel van duizend

gevallen, over welke hij gehoord of gelezen heeft. Dat ééne geval dat

hij zelf gezien heeft, vertegenwoordigt voor hem talrijke andere. Onder

alle standen vinden wij menschen met een groot intellekt en zonder

eenige geleerdheid. Gelijk het gehalte van alle wetenschap niet in de

bewijzen en evenmin in het bewezene bestaat, maar in het onbewezene,

waarop de bewijzen steunen en dat aanschouwelijk wordt opgevat, zoo

bestaat ook het fonds van alle wijsheid en werkelijk inzicht niet in

begrippen en abstrakt weten, maar in de levendigheid van juiste

aanschouwing.

Zooals alleen de mensch een redelijk wezen is, zoo kan ook hij alleen

lachen. En de aanleiding tot dat lachen is steeds, dat een begrip niet

past bij de dingen der werkelijkheid, welke er in zeker opzicht door

gedacht worden. Het lachen zelf is het bewijs, dat men die ongepastheid

bespeurt. Er zijn twee soorten van het lachwekkende; bij de eene soort

gaan aanschouwelijke, zeer verschillende dingen vooraf, welke

willekeurig onder één en hetzelfde begrip worden thuis gebracht: in dat

geval spreekt men van geestige zetten. Bij de tweede soort gaat men van

een begrip uit en past dat toe op dingen, die in den grond zeer

onderscheiden zijn, maar nochtans onder dat ééne begrip kunnen worden

samengevat; wanneer nu die dingen als gelijk aangezien en behandeld

worden, dan treedt tot verbazing van den handelenden persoon het groote

verschil ten slotte te voorschijn; in dat geval is het lachwekkende een

dwaasheid.

Laat ons een paar voorbeelden van geestigheid geven. Men kent de

anekdote van den Gaskonjer, om wien de koning lachte, wijl hij bij

strenge winterkoude in lichte zomerkleeding verscheen en die daarop

zeide: „als Uwe Majesteit droeg, wat ik heb aangetrokken, dan zou U het

zeer warm hebben”. Op de vraag: „wat hebt ge dan aangetrokken?” luidde

het antwoord: „mijn geheele garderobe”! Onder dat laatste begrip laat

zich zoowel de onuitputtelijke kleederenschat van den koning als het

eenige zomerrokje van een armen duivel denken.—Het grafschrift van een

geneesheer: „hier ligt hij als een held en de door hem verslagenen

liggen om hem heen”. Onder het voor den held eervolle begrip van te

liggen te midden der door hem gedoode vijanden, wordt de arts

opgenomen, wiens taak het is het leven te redden.—Toen op het

Berlijnsch theater alle improvisatie juist streng verboden was en een

schouwspeler te paard op het tooneel moest verschijnen, liet dat dier,

terwijl het voor het publiek stond, iets vallen, waardoor de menschen

reeds aan het lachen geraakten, maar het werd schateren, daar de man

tot zijn paard zeide: „wat doe je nu? Weet je niet dat alle

improvisatie hier verboden is?”—Het theaterpubliek te Parijs verlangde,

dat de Marseillaise zou worden gespeeld en begon te tieren en te razen,

toen dat niet geschiedde. Eindelijk verscheen een commissaris van

politie in uniform op het tooneel en verklaarde dat enkel wat op de

programma’s stond mocht worden verlangd, waarop een stem riep: „en gij,

mijnheer, staat gij dan op het programma?” welke inval uitbundig

gejuich verwekte.

En nu de tweede soort van het lachwekkende. Iemand zegt dat hij graag

alleen wandelen gaat; een aanwezige antwoordt: „ik verkeer in hetzelfde

geval, ik ga met u!” Hij gaat uit van het begrip dat een genoegen, dat

twee personen gemeen hebben, ook gemeenschappelijk kan genoten worden,

en brengt nu onder dat begrip het geval, dat juist de gemeenschap

buitensluit.—Een knecht bespeurt, dat het zeehondenvel aan de koffer

van zijn meester is afgeschaafd en smeert het met macasserolie in,

omdat hij gehoord heeft, dat die olie haren doet aangroeien.—De

soldaten in een wachthuis veroorloven aan een arrestant, dien ze juist

hebben binnengebracht, met hen kaart te spelen. Daar de kerel valsch

speelt, gooien ze hem de deur uit, waarbij zij zich laten leiden door

het algemeene begrip, dat slechte gezellen worden op straat gezet, maar

ze vergeten, dat de man tevens hun arrestant is, dus iemand die moet

worden vastgehouden.

Vanwaar nu gelach in zulke gevallen? Aanschouwing is de

oorspronkelijke, van de dierlijke natuur onafscheidelijke wijze van

kennen; door haar is iets aanwezig; ook kost aanschouwing geen moeite.

Van denken geldt het tegendeel; het is kennis uit de tweede hand, gaat

steeds met eenige, vaak met aanzienlijke inspanning gepaard; de

begrippen, waarin wij denken, verzetten zich dikwijls tegen de

bevrediging van onze wenschen, daar zij, als vertegenwoordigers van het

verleden, de toekomst en den levensernst, ons doen vreezen, berouwen,

onder zorgen gebukt gaan. Van deze strenge, onvermoeide, bij uitstek

lastige tuchtmeesteres, de rede, soms te bespeuren, dat zij den

verkeerden kant uitwijst, moet tot vroolijkheid stemmen. Vandaar het

lachen, als het niet-gelijksoortige, onjuist, onder één begrip wordt

saamgevat.

Het opzettelijk lachwekkende heet scherts, waaraan ernst als zijn

tegendeel over staat. Verbergt zich de scherts achter den ernst, dan

ontstaat de ironie, waarin Socrates tegenover de sophisten zich een

onovertroffen meester toonde: met voorgewenden ernst ging hij op hun

meeningen in en veinsde ze te aanvaarden, totdat er eindelijk een

resultaat te voorschijn kwam, dat verbijsterend was en het tegendeel

van wat verwacht werd.—Van humor spreekt men, wanneer ernst achter

schuil gaat. Verklaringen als: „humor is wederzijdsche doordringing van

het eindige en het oneindige” toonen enkel het volslagen onvermogen om

te denken bij hen, die in zoodanig woordgerinkel behagen

scheppen.—Ironie is objektief, op anderen berekend; humor daarentegen

subjektief, legt het eigen innerlijk bloot, berust op een ernstige,

verheven stemming, welke onwillekeurig in strijd geraakt met een haar

niet verwante alledaagsche buitenwereld, die men niet uit den weg kan

gaan, terwijl men nochtans gaarne zichzelf wil blijven. Dan zoekt men

den strijd tusschen eigen beschouwing en buitenwereld te vereffenen

door begrippen, welke de incongruentie tusschen stemming en

werkelijkheid nochtans niet bemantelen kunnen. Zoo zegt b.v. Polonius:

„Edele Heer, ik wil eerbiedig afscheid van u nemen”. Hamlet antwoordt:

„Ge kunt niets van mij nemen, wat ik met grooter bereidwilligheid

afsta,—uitgezonderd mijn leven, mijn leven, mijn leven”.—Als werkelijk

humorist doet zich Heinrich Heine in zijn Romancero kennen; achter al

zijn grappen bemerken wij een diepen ernst, die er zich voor schaamt

ongesluierd te voorschijn te treden.

Er wordt een goed oordeel vereischt om het aanschouwelijk gekende in

passende begrippen voor het nadenken vast te leggen, zoodat eenerzijds

het gemeenschappelijke van vele dingen in één begrip, anderzijds hun

verschilpunten in even zoovele begrippen uitdrukking vinden. Wie hierin

totaal te kort schiet, heet onnoozel. De zoodanige miskent nu eens de

betreffelijke verscheidenheid van wat in één opzicht identisch is, dan

weder de gelijkheid van het ten deele verschillende.

Nog één opmerking aangaande de verhouding tusschen aanschouwelijke en

begripmatige kennis. Daar alle bewijzen gevolgtrekkingen zijn, is voor

een nieuwe waarheid niet in de eerste plaats bewijs, maar

rechtstreeksche evidentie te zoeken; slechts zoolang die nog ontbreekt,

moet het bewijs voorloopig dienst doen. Ten volle bewijsbaar kan geen

enkele wetenschap zijn; evenmin als een huis in de lucht kan staan:

alle bewijzen moeten terugslaan op iets aanschouwelijks, dat dus niet

meer bewijsbaar is. De geheele wereld der reflexie berust op en wortelt

in de aanschouwelijke wereld. Alle laatste, d.i. oorspronkelijke

evidentie is aanschouwelijk; dit duidt het woord reeds aan. Derhalve is

zij òf empirisch òf op de intuïtie der voorwaarden van mogelijke

ervaring gegrondvest. Ieder begrip ontleent zijn waarde, ofschoon

misschien langs een grooten omweg, aan aanschouwelijke voorstelling:

wat van de begrippen geldt, geldt ook van de daaruit samengestelde

oordeelen en van de wetenschap in haar geheel. Daarom moet het op de

een of andere wijze mogelijk zijn iedere waarheid, die, door

gevolgtrekkingen gestaafd en door bewijzen voortgeplant wordt, ook

zonder redeneeringen rechtstreeks te ontdekken. Het moeilijkst zal dat

zeker zijn bij vele gecompliceerde, mathematische stellingen, tot welke

wij alleen door ketens van sluitredenen komen.

Bij een meetkunstig betoog krijgt men wel de overtuiging dat de bewezen

stelling waar is, maar het rechte inzicht ontbreekt, waarom de stelling

waar is. Het is omdat het betoog ons wel een kengrond verschaft, maar

den zijnsgrond niet onthult. Vandaar dat zoo’n betoog een onaangenaam

gevoel achterlaat, gelijk gemis aan inzicht overal geeft, en hier is

dat gevoel dubbel sterk, omdat wij, terwijl wij niet weten waarom iets

zoo is, nochtans ten volle zeker zijn dat het zoo is. Het gevoel heeft

overeenkomst met datgene, wat wij ondervinden, als een goochelaar ons

iets in of uit den zak heeft gespeeld en wij niet begrijpen hoe hij dat

deed. Daarentegen verschaft de aanschouwing van den zijnsgrond bij

meetkundige waarheden volle bevrediging.

Een voorbeeld. „Wanneer van een driehoek twee hoeken gelijk zijn, dan

zijn ook de tegenover liggende zijden gelijk”. Het bewijs, dat Euclides

geeft, levert den kengrond van de waarheid dier stelling. Wie echter

doet zijn overtuiging op dat bewijs steunen en niet veeleer op den

aanschouwden zijnsgrond? Men ziet het: wanneer door de twee eindpunten

eener lijn twee andere lijnen henenloopen, die gelijkelijk zich neigen

tot de eerste lijn, dan moeten zij op een punt samentreffen, dat van

beide eindpunten even ver verwijderd is, want de ontstaande twee hoeken

zijn slechts een en dezelfde hoek, die enkel door verschil van ligging

zich dubbel voordoet, weshalve er geen grond voorhanden is, waarom de

lijnen elkander dichter bij het eene dan bij het andere punt zouden

ontmoeten.

En nu het theorema van Pythagoras: „het vierkant, beschreven op de

schuine zijde van een rechthoekigen driehoek, heeft denzelfden inhoud

als de twee vierkanten te samen, beschreven op de rechthoekszijden”.

Wanneer men die drie vierkanten op het bord trekt, dan krijgt men door

den eenvoudigen aanblik, zonder eenig gebruik van woorden, van de

waarheid der stelling een twintigmaal levendiger overtuiging dan het

bewijs van Euclides, dat veel op een muizenval gelijkt, ooit kan geven.

Nu wij van Kant geleerd hebben, dat de aanschouwing der ruimte van

iederen indruk op de zinnen onafhankelijk is en dus niet de geringste

kans op zinsbedrog overlaat, kunnen wij inzien, dat de logische

behandeling der mathesis, zooals zij bij Euclides voorkomt, een geheel

overtollige voorzichtigheid verraadt en als een kruk voor gezonde

beenen kan worden beschouwd. Er worden hulplijnen getrokken, zonder dat

men weet waarom; weldra blijkt het, dat het strikken waren, die

onverwacht worden toegehaald en waarin de leerling zich gevangen ziet,

zoodat hij nu verwonderd moet toegeven, dat het zoo is, als de stelling

aangeeft, terwijl de reden, waarom het zoo is, hem verborgen blijft;

hij kan dan ook zijn geheelen Euclides doorstudeeren zonder inzicht te

erlangen in de wetten der ruimtebetrekkingen daar hij enkel resultaten

en manieren van bewijs van buiten leert. De methode van Euclides levert

een soort van kennis, gelijk aan die van den arts, die ziekte en

geneesmiddel weet te noemen, maar wien de samenhang tusschen beide

verborgen blijft. Ziedaar het gevolg, wanneer men grillig op zeker

gebied van kennis de daar passende evidentie afwijst en een onvoegzame

methode met geweld invoert. Intusschen verdient de manier waarop

Euclides aan het eens opgevatte plan om zooveel mogelijk alles door

redeneering te bewijzen trouw gebleven is, werkelijk de bewondering,

die hem door zoovele eeuwen achtereenvolgens geschonken werd en zijne

wijze van behandeling der wiskunde voor het model van alle

wetenschappelijk onderwijs deed doorgaan. Toch is die methode enkel een

schitterende verkeerdheid, een afdwaling voor welke men den grond kan

vinden in de toenmalige wijsbegeerte. De Eleaten hadden verschil, ja

dikwijls strijd ontdekt tusschen wat men aanschouwt en wat men denkt.

Daarna kwamen de sophisten, die de aandacht richtten op het zoogenaamde

zinsbedrog, op schijn, van welken de rede met zekerheid weet, dat er

geen werkelijkheid aan beantwoordt, b.v. de gebroken staf in het water.

Uit het feit, dat de zinnelijke aanschouwing niet zonder kontrole

onvoorwaardelijk te vertrouwen is, leidde men ten onrechte af, dat

alleen het redelijke, logische denken vasten grond onder de voeten

verschaft. Zoo ontstond het rationalisme, dat op mathematisch gebied

alles bewijzen wilde wat maar eenigermate te bewijzen viel, en, enkel

door nood gedrongen, de axioma’s op aanschouwelijke evidentie liet

berusten.

Als wij, zegt Schopenhauer, aan de engeltjes van Raphaël gelijk,

gevleugelde kopjes zonder lijf waren, dan zouden wij vrede kunnen

hebben met het denkbeeld, dat de wereld enkel voorstelling is,

enkel droom, enkel spookgestalte. Maar nu wij een lichaam hebben,

dat door honger, dorst en menigen anderen hartstocht wordt gekweld,

weet ieder onzer met volslagen zekerheid, dat hij nog iets meer is

dan subjekt van voorstelling, dat hij tevens is een willend wezen.

Willen en doen nu zijn één. Zeker, men kan besluiten iets in de

toekomst te doen, maar dat beduidt enkel: ik denk op dit moment

iets te zullen willen op een later moment, ik fantaseer over wat

nog moet geschieden, heb een voorstelling, die misschien geen

werkelijkheid zal worden, want in den tusschentijd kan er veel

gebeuren, dat een andere richting aan ons streven geeft. De echte

wil is handeling.

Gelijk nu wil en handeling één zijn, zoo zijn volgens Schopenhauer

wil en lichaam zelf één. Immers het willen van een bepaalde

handeling is tevens het willen van de daartoe vereischte

werktuigen. Het menschelijk willen is niet enkel op het leven van

een mensch gericht, maar verschijnt tevens als menschelijk lichaam.

En dat geldt van alle willende schepselen. De wil van den leeuw

openbaart zich als het lichaam van een leeuw, de wil van de slak

als het slijmerig lijf van de slak in zijn huisje. Zoo houdt het

dierlijk lichaam op enkel voorstelling te zijn en wordt het

verschijning van wat onzichtbaar daar achter ligt; bij analogie

wordt daarna besloten, dat alle lichamen verschijningen zijn van

één en hetzelfde: wil.

Hier is het mogelijk verschillende vraagteekens te plaatsen. Er

wordt meer verzekerd dan hetzij rechtstreeks aantoonbaar, hetzij

langs een omweg bewijsbaar is. Het ik, dat in een ziek en

zwakkelijk lijf huist, heeft geen reden te gelooven, dat zijn

organisme uitdrukking is van zijn wil. Door die bedenking zou

Schopenhauer zich waarschijnlijk niet getroffen hebben gevoeld.

Immers hij leert, dat aan de geheele natuur een en hetzelfde an

sich ten grondslag ligt, een bewustelooze, rustelooze wil, die in

ieder van zijn tallooze verschijnselen volledig aanwezig is,—die

zich telkens ten volle openbaart, als drang van het water naar

omlaag, als richting van den magneetnaald naar het noorden, als

verlangen van het ijzer naar den magnaatsteen, als heelkracht der

natuur enz. Die eenheid van oorsprong verklaart dan volgens

Schopenhauer den wettelijken gang van den natuurloop, de

doelmatigheid, waarmee het een op het ander schijnt aangelegd, de

overeenkomst van typen in planten- en dierenwereld. Maakt zij ook

begrijpelijk, dat strijd de vader is van alle dingen, dat de wereld

één groot slagveld moet heeten, dat de macht, die alles te

voorschijn brengt, onafgebroken wroet en woelt in eigen ingewanden?

En indien op de keper beschouwd beul en slachtoffer hetzelfde wezen

zijn, hoe moeten wij die eenheid dan verstaan? Schopenhauer ontkent

nadrukkelijk, dat aan de wereld een numerieke eenheid zou ten

grondslag liggen, de eenheid van een objekt, welke slechts in

tegenstelling met mogelijke of werkelijke veelheid bestaanbaar is:

immers wij behooren aan een eenheid buiten tijd en ruimte te

denken. Evenmin vat hij haar als logische eenheid op, als eenheid

van een begrip, welke door abstraktie uit veelheid wordt afgeleid.

Wat is zij dan? Schopenhauer zegt: „Zij is die eenheid, welke

buiten de mogelijkheid van alle veelheid, immers buiten tijd en

ruimte, ligt”. Door deze negatieve omschrijving van het eeuwige

achten wij ons weinig gebaat. Zij is verre van doorzichtig. Zelfs

de eenheid van een begrip vereischt, dat we het eene begrip aan het

andere kunnen overstellen. En hoe moeten wij nu de eenheid van wil

en lichaam opvatten, waarvan straks sprake was, toen ik mensch en

slak noemde? Schopenhauer zegt, dat zij niet bewijsbaar is, juist

om deze reden dat zij rechtstreeks door ieder individu bij intuïtie

beseft wordt en het onzin is naar bewijs te vragen, waar men een

uitgangspunt van bewijs heeft.

De wereld moet eenheid en veelheid tevens zijn om een van beide te

kunnen zijn. Hoe zij eenheid en hoe zij veelheid is, ziedaar het

geheim der werkelijkheid, welke verder reikt dan ’s menschen

inzicht. Schopenhauer heeft zijn kolossale geestesgaven besteed aan

de beantwoording van de slotvraag, waarmede al ons weten bekroond

zou worden, indien die bekroning mogelijk ware. Die vraag luidt

aldus: Hoe moeten wij ons den algrond, het wezen aller wezens, de

bron van alle zijn en geschieden, denken om ons de wereld der

ervaring zoo verstaanbaar mogelijk te maken? De voorzichtige Kant

waarschuwt tegen het onverzadelijk verlangen om te weten, waar

weten onbereikbaar en enkel willekeurige fantasie mogelijk is. Hij

raadt den vorscher aan zich niet op een holle, onstuimige zee te

wagen, welke door geen kust begrensd wordt, maar liever den

vruchtbaren akker der ervaring te beploegen. Doch zelfs de

schrijver der „Kritik” was er, hoe scherp ook metaphysica, die

enkel speelt met begrippen als substantie, allerwezenlijkst wezen

enz., door hem als onvruchtbaar gevonnisd werd, niet afkeerig van

op grond van feiten over den Algrond te speculeeren. Zoo zag hij

zich door zijn plichtbesef gerechtvaardigd om aan een hoogere

wereld te gelooven. Wij mogen het dus niet in Schopenhauer als een

afval van zijn meester beschouwen, dat hij het wezen aller wezens

eenigermate trachtte te onthullen. Het is maar de vraag, op welke

gegevens der ervaring hij daarbij steunde. Ook in dat opzicht aan

Kant getrouw, wachtte hij er zich wel voor den inhoud van het

zelfbewustzijn met kennis van het „Ansich” op ééne lijn te stellen.

Uit het eerstvolgend citaat zullen wij bespeuren, dat volgens

Schopenhauer de tijd een sluier is, waarachter de echte

werkelijkheid ons verborgen blijft. Alsof, wanneer wij den tijd uit

onze beschouwing van het zijnde konden wegcijferen, niet alles

verdwijnen zou. Men bedenke: zonder tijd geen verandering noch

duur, geen worden noch zijn, geen wereld noch ik.—Doch geven wij

thans den romanesken, dichterlijken denker zelven weer het woord.

Het zelfbewustzijn doet ons in het ik tweeërlei ontdekken: dat wat

kent, intellekt, en dat wat gekend wordt, wil; het intellekt wordt niet

gekend en de wil kent niet, ofschoon beide tot het bewustzijn van een

en hetzelfde ik samenvloeien. Doch juist daarom staat dit ik niet op

een voet van volkomen intimiteit met zich zelf, het vindt in zich zelf

een voor licht ontoegankelijk donkerte en blijft zich zelf een raadsel.

Dus ook bij de kennis, die op het innerlijke is gericht, blijft er nog

een verschil over tusschen het bestaan van haar objekt, zooals het op

zich zelf is, en de waarneming ervan in het kennende subjekt.

Intusschen is de innerlijke kennis bevrijd van twee vormen, welke op

het uiterlijke gerichte kennis aankleven, n.l. van dien der ruimte en

van dien der causaliteit. Daarentegen rest nog de vorm van den tijd,

zooals ook die van het gekend worden en het kennen in het algemeen. Dus

heeft in deze zelfkennis het ding an sich zijn sluiers wel is waar

grootendeels afgeworpen, maar toch treedt het nog niet geheel naakt op.

Ten gevolge van den hem nog aanklevenden tijdsvorm kent ieder zijn wil

enkel in diens opeenvolgende afzonderlijke handelingen, niet echter in

zijn geheel: vandaar dat iemand zijn eigen karakter bij voorbaat kent,

maar het eerst aan de hand der ervaring en dan op onvolkomen wijze

leert kennen. Desalniettemin is de waarneming, waardoor wij de

bewegingen en handelingen van onzen eigen wil bespeuren, veel meer

rechtstreeks dan iedere andere: zij is het punt waar het ding an sich

op de meest onmiddellijke wijze tot verschijning komt en de afstand tot

het kennende subjekt de geringst mogelijke is; vandaar dat de zoo

intiem gekende gebeurtenis eenig en alleen geschikt is om alle overige

feiten te verklaren.

Intusschen laat zich ondanks dit alles nog de vraag opwerpen wat die

wil, die zich in de wereld en als de wereld vertoont, ten slotte op

zich zelf is, m.a.w. wat hij is, afgezien daarvan, dat hij zich als wil

voordoet, kortom dat hij verschijnt, dat hij gekend wordt. Deze vraag

is nooit te beantwoorden: immers het gekend worden laat zich niet

rijmen met het „an sich” zijn, met het zijn zooals het is buiten alle

kennis. Ieder gekend ding is als zoodanig reeds verschijnsel.

In ons eigen bewustzijn treedt de wil steeds als het oorspronkelijke en

fundamenteele op en heeft het den voorrang boven het intellekt, dat het

sekundaire, ongeschikte, afhankelijke blijkt te zijn. Het is hoog

noodig daarop de aandacht te vestigen, want alle vroegere filosofen,

van den eersten af tot den laatsten toe, hebben het eigenlijk wezen, de

duurzame kern van den mensch, in zijn kennend bewustzijn geplaatst en

dus het ik, of wel dat, wat als de blijvende drager van dat ik werd

ondersteld, de ziel, in de eerste plaats als kennend, ja als denkend,

en, eerst als gevolg hiervan, in de tweede plaats en op afgeleide

wijze, als willend opgevat en beschreven. Mijn doel is het deze

overoude en volstrekt algemeene gronddwaling voor goed op zijde te

schuiven en de natuurlijke gesteldheid der zaak tot helder bewustzijn

te brengen. Vóór mij hebben alle philosofen de waarheid op den kop

gezet; ten deele is dit daaruit te verklaren dat zij zich

beijverden—iets wat bij uitstek van de Christenen geldt—de kloof

tusschen mensch en dier zoo breed mogelijk te maken, terwijl zij tevens

een donker besef hadden, dat beider verschil niet in het willen, maar

in het intellekt school; onbewust kwam zoo de neiging te voorschijn om

het intellekt den eersten rang toe te kennen en het willen als iets van

ondergeschikte orde op te vatten; ja het eenvoudig als een funktie van

het intellekt te beschrijven. Het begrip ziel is dan ook niet alleen,

gelijk door Kant werd aangetoond, onhoudbaar, maar tevens een bron van

ongeneeslijke dwalingen, want door de ziel als iets enkelvoudigs aan te

merken, wordt er bij voorbaat een ondeelbare eenheid van kennis en wil

vastgesteld, terwijl scheiding van beide juist de weg tot de waarheid

is.

Het meest voor de hand liggende en zeer onaangename gevolg der

gemeenschappelijke gronddwaling is dit: door den dood der hersenen gaat

het kennend bewustzijn klaarblijkelijk te gronde; men moet dus òf den

dood als vernietiging van den mensch laten gelden, iets waartegen ons

wezen in opstand komt, òf men moet het kennend bewustzijn laten

voortduren, doch daarvoor is een zeer sterk geloof noodig, daar ieder

bij eigen ervaring weet, dat zijn kennend bewustzijn van zijn hersenen

afhankelijk is en men even goed aan vertering zonder maag zou kunnen

gelooven. Men weet immers, dat ingespannen denken het hoofd vermoeit,

gelijk de hand van schrijven ten slotte lam wordt. Alleen mijn

philosofie vermijdt het pijnlijk dilemma, daar zij het duurzaam wezen

van den mensch niet in het bewustzijn, maar in den wil plaatst, die

niet noodzakelijk met bewustzijn verbonden is, daarentegen tot het

bewustzijn, d.i. tot de kennis, in dezelfde verhouding staat als een

ding tot een zijner toevallige eigenschappen, als een zichtbaar

voorwerp tot het licht, als een snaar tot den klankbodem. Bij mijn

theorie heet onverwoestbaar de kern van ons wezen, de wil, datgene wat

niet van buiten af gelijk de lichamelijke wereld, maar van binnen uit

in het bewustzijn valt; mijn theorie laat tevens recht wedervaren aan

het feit, dat het bewustzijn in den dood verdwijnt, zooals het vóór de

geboorte niet bestond. Het intellekt is even vergankelijk als de

hersenen, terwijl de hersenen, gelijk het geheele organisme,

verschijning of voortbrengsel is van wil, en wil alleen is

onvergankelijk.

Bewustzijn en kennis is één en hetzelfde; voor kennis nu is tweeërlei

noodig: iets dat kent en iets dat gekend wordt; vandaar dan ook dat

zelfbewustzijn onmogelijk zou zijn, wanneer niet ook hier aan het

kennende iets wat daarvan verschilt als gekend overstond. Het

bewustzijn of intellekt gelijkt op de zon, welke de ruimte niet

verlicht, tenzij er een voorwerp is, waardoor haar stralen worden

teruggeworpen. Het kennende zelf kan, juist als zoodanig, niet gekend

worden: anders zou het zijn het gekende van iets anders, dat kent. Als

het gekende treffen wij in het zelfbewustzijn niets anders dan wil aan.

Immers niet enkel willen in den engsten zin des woords, maar ook alle

streven, wenschen, vlieden, hopen, vreezen, minnen, haten, kortom alles

wat eigen wel en wee, lust en onlust uitmaakt, is enkel aandoening van

wil, is beweging, wijziging van willen en niet-willen, is datgene wat,

als het naar buiten werkt, zich als wilshandeling openbaart.

Merkwaardig is het, dat reeds Augustinus in het 14e boek van De

civitate Dei, hoofdst. 6, dit heeft uitgesproken. Hij brengt de

gemoedsaandoeningen onder vier rubrieken, welke begeerte, vrees,

blijdschap, droefheid heeten, en zegt: wil is in die allen aanwezig;

zelfs zijn ze niets anders dan wilsvormen: want wat is begeerte en

blijdschap, tenzij een willen, waarbij wij onze toestemming geven aan

dat, wat wij willen? Wat zijn vrees en droefheid anders dan een willen,

waarbij wij afwijzen, wat wij niet willen?

Uren met Schopenhauer · 第 3 / 7 题