TWEEDE DRUK

Toen ik kort na de verschijning van zijn mooi boek over Auguste Comte

tot Littré de opmerking maakte, dat zijn meester en vriend een hoogst

onaangenaam mensch bleek geweest te zijn, luidde het beminnelijk maar

eenzijdig antwoord: „N’importe; l’homme passe, l’œuvre reste”.

Afscheiding van den persoon en zijn werk is onhoudbaar, tenzij het werk

een stel onpersoonlijke, b.v. wiskundige waarheden behelst. Onhoudbaar,

wanneer er van een levensopvatting, een wereldbeschouwing, een

kunstwerk sprake is, omdat zich daarin temperament en karakter van den

mensch afspiegelen.

Hier moet ik tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en

die van den voluntarist, onderscheiden. Het verschil tusschen beiden

doet zich reeds in de middeleeuwen voor. Men denke aan de tegenstelling

tusschen Thomas van Aquino en Duns Scotus. De eerste meent, dat „het

hoogste geluk in niets anders gezocht moet worden dan in

verstandswerkzaamheid, wijl er geen verhevener begeerte is, dan die om

de waarheid te doorgronden”. Het staat bij hem onvoorwaardelijk vast,

dat de leer der Kerk de waarheid is, en nu is er volgens hem geen

schooner levensdoel dan den inhoud van die leer zoo goed mogelijk te

verstaan. Ook Duns Scotus gaat van de waarheid van het kerkelijk geloof

uit en hij ontkent niet, dat er b.v. voor het bestaan van God bewijzen

te leveren zijn, welke door ieder, die zijn verstand wil gebruiken als

afdoende moeten worden erkend. In de opvatting van het levensdoel

echter staat bij Duns Scotus niet de theorie, maar de practijk op den

voorgrond. De theologie moet volgens hem niet strekken om den mensch

van zijne onkunde te verlossen, maar om hem door kracht van redenen tot

dat zedelijk handelen te brengen, waarvan de zaligheid, het genieten

van het goddelijke afhangt. Duns Scotus is even recht geloovig als

Thomas en zelfs veel onverdraagzamer, maar scheurt het weefsel der

redeneeringen van den laatste bij menige gelegenheid uiteen en zegt:

niet het syllogisme heeft waarde voor den godsdienst, doch enkel het

geloof, niet het verstand is de kern der menschelijke persoonlijkheid,

doch de wil. Het verschil tusschen deze beide kerkleeraren bracht

Luther er toe te zeggen: Duns Scotus is een voortreffelijk meester,

maar Thomas van Aquino is een babbelaar.

Ook in den nieuwen tijd doet zich het kontrast tusschen

intellektualisme en voluntarisme gelden. Doch het neemt soms een

anderen vorm aan. Let op tegenvoeters als Hegel en Schopenhauer. Tot

recht verstand van Schopenhauer wil ik over de betrekking tusschen

beiden iets zeggen.

Meestal spreekt men van willen, waar met overdachten rade gehandeld

wordt. Laat ons den term „wil” ruimer nemen en daaronder samenvatten:

lust, onlust, hartstocht, blinde drift, ieder streven in een zekere

richting, drang tot zelfbehoud, kortom alles wat de schepselen der

natuur op een zekere wijze doet werken. Men stelle daartegen over wat

tot de sfeer van het intellekt behoort: gewaarwording, voorstelling,

gedachte, rede. Dan laat zich met Schopenhauer zeggen: wil is het

eerste en het algemeene, het alomtegenwoordige. Wil is het eerste, niet

kennis, niet theorie. Wij noemen iets goed, wijl wij het begeeren; niet

omgekeerd begeeren wij het, omdat wij inzien dat het goed is. De meest

treffende schildering van een hoog en edel doel laat ons koud als ijs,

tenzij onze wil met den inhoud van dat ideaal instemt. Het intellekt

kent geen waarden, enkel het gemoed doet ons in geestdrift ontsteken.

Als een moeder het voegzaam en goed noemt dat zij zorgt voor haar kind,

dan is dat niet, omdat zij bewijzen kan dat dit gepast is, maar omdat

het hart haar noopt over dat zwakke schepseltje te waken. Zoo is ook

wil het meest algemeene. Daar men het onbekende door het bekende en

niet omgekeerd het bekende door het onbekende moet verklaren, ligt het

voor de hand natuurkracht liever tot wil te herleiden, dan omgekeerd

wil als kracht op te vatten. Wij zullen dus spreken van een onbewusten

wil, die de sterren in hare banen doet rondloopen, die den boom zijn

wortels omlaag, zijn takken omhoog doet drijven, van een overal

werkzamen wil, van blinde aandrift, die ten slotte enkel bij de hooger

staande dieren, in voorstelling en denken, in het intellekt, zich een

licht ontsteekt, om het begeerde door doeltreffende keuze van middelen

des te zekerder te bereiken. Immers intellekt staat oorspronkelijk

geheel in den dienst van het leven; eerst op een aanzienlijken trap van

beschaving houdt het op slaaf te zijn, komt het tot vrijheid, vertoont

het zich als onbaatzuchtige liefde tot waarheid. Ziedaar Schopenhauer’s

leer.

Neen, zegt de intellektualist als Hegel: rede, logos, God is oorsprong

der wereld, is albeheerschend beginsel. Bewust of onbewust gaat ieder

onderzoek van de hypothese uit, dat de werkelijkheid begrijpelijk is,

dat zij in gedachten kan worden omgezet, dat dus gedachten in haar

belichaamd zijn. Volgens deze onderstelling, zonder welke drang naar

wetenschap doelloos zou zijn, is dus gedachte de wortel van het

universum, albeweger, alomvattende oorzaak, aanvang en tevens doel der

wereld. Om het in de taal der vromen uit te drukken: God is Schepper en

tevens einddoel van het al. Waartoe dient de natuur? Welke is de zin,

die zich in de geschiedenis van ons geslacht vertolkt? Natuur en

geschiedenis zijn er om de werkelijkheid tot zelfbewustzijn te doen

komen, om den eindigen mensch, die van Gods geslacht is, zich als een

oneindig wereldwezen te doen kennen.

Het onderscheid tusschen Hegel en Schopenhauer is, dat zij zich het

hoogste goed niet op dezelfde wijze afbeelden en dientengevolge aan het

zijnde een verschillende taak opdragen. Voor Hegel is het edelste en

voornaamste een denken, dat niet door invallen en vooroordeelen

gestoord wordt, en enkel de wet van zijn ontwikkeling volgt. Waar zoo

de individualiteit van den kleinen mensch op den achtergrond wordt

gehouden, is er geen kloof meer tusschen zijne rede en de goddelijke

rede, maar zijn beiden één. Van de macht van het vrije, zuiver

zakelijke, echt geestelijke denken kan men alles verwachten; voor

zoodanig denken bestaan er geen onpeilbare diepten, geen onbereikbare

hoogten; steeds door dezelfde wet der noodzakelijkheid vooruitgedreven,

raakt het ten slotte in het bezit der oneindigheid en wordt het in

werkelijkheid wat het van den aanvang af in aanleg was: alomvattend

zelfbewustzijn.

Geheel anders stelt een man als Schopenhauer zich het hoogste ideaal

voor. Alles was bij hem kolossaal: zijn intellektueele behoefte, die

hem reeds vroeg naar een oplossing van het wereldraadsel deed hunkeren

en hem steeds met dezelfde problemen deed rondloopen tot hij ten slotte

niet kon zeggen wat er het eerst in hem was geweest: zijn kenleer, zijn

kosmologie, zijn ethika, zijn æsthetika. Het stelsel was in hem

gegroeid, gelijk een kind in den moederschoot. Daar naast stond zijn

buitensporig gevoel van eigenwaarde, dat hem op alles deed vitten en

hem op andere menschen, enkele genieën uitgezonderd, met

geringschatting liet neerzien. Goethe, die zich tot den genialen

jongeling aangetrokken gevoelde, schreef de volgende waarschuwende

woorden in zijn album:

„Willst du dich deines Wertes freuen,

So musst der Welt du Wert verleih’n”.

Ten slotte bezielde hem een heftige drang naar zinnelijk genot, die hem

tot tijdelijke schade van zijn gezondheid achter Venus Vulgivaga deed

aanloopen. Flaubert voert ergens de Ontucht aldus sprekende in: „Men

rept zich naar samenkomsten, die angst inboezemen. Men legt zich

ketenen aan, die men verwenscht. Vanwaar de betoovering der

lichtekooien, de buitensporigheid der droomen—vanwaar mijne onmetelijke

droefheid?” Deze woorden zouden Schopenhauer, die zoo diep neerslachtig

kon zijn, uit de ziel zijn gesproken. Als 18-jarig jongeling, zong hij

reeds van „de hel” van den zinnenlust.

Zoo was hij dus een onharmonische natuur, die, gelijk andere denkers,

op den zijnsgrond overbracht wat hij in zich zelf vond. Het innerlijk

wezen der wereld is volgens hem wil, die niets wil dan als wil bestaan,

blinde op geen doel gerichte wil, die geen bevrediging kent, bijgevolg

onzalig is. Behalve den wil is er nog de materie. Die materie is niet

een gewrocht van den wil, maar zijn verschijning, geobjektiveerde wil,

welke niets op zich zelf is, doch enkel in de voorstelling van

individuën bestaat. Op zich zelf is er uitsluitend het innerlijk

verscheurde, tegen zich zelf verdeelde, overal gelijke blinde willen.

Zoo heeft dus de wereld twee zijden: een innerlijke en een uiterlijke;

in beide opzichten is zij slecht en rampzalig. Is er verlossing

mogelijk? Het intellekt, als het een hoogen graad van ontwikkeling

bereikt, doorziet dat Wil vloekvaardig is en doet dan zeggen: Wil om te

leven moet gedood worden, zal er vrede zijn. Groote wereldgodsdiensten,

als Christendom en Buddhisme, wijzen ons hier den weg, die door

bewonderenswaardige asceten met goed gevolg bewandeld werd. Ook kunst

en wetenschap zijn middelen om, althans tijdelijk, verzachting van leed

te verschaffen. Want de mensch vergeet zich zelf, als hij in

onbaatzuchtige beschouwing opgaat.

Verschillende personen smeden uit hetzelfde metaal verschillende

wapenen.

Hegel geloofde aan de heerschappij van rede in natuur en geschiedenis.

Daaraan geloofden ook andere groote wijsgeeren, Kant, Fichte,

Schelling, Schleiermacher, ieder op zijne wijze. Schopenhauer, hij het

allereerst, niet. Die origineel waagde het luide te verkondigen, dat de

wereld allerminst op een godsopenbaring gelijkt. Naar dat rondborstig

getuigenis werd aanvankelijk niet geluisterd. Het druischte zoo geheel

tegen de heerschende overtuigingen in, dat men er geen notitie van nam.

Wanneer er iets van zijn kloeke stem tot de vrijwillig dooven

doordrong, dan werd zijn woord met hoon ontvangen. Schopenhauer vergold

het hun dapper door ze allen te gader, Hegel in de eerste plaats, voor

kwakzalvers en „Unsinnschmierer” uit te schelden.

Zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Dit ietwat platte

spreekwoord behelst een diepe waarheid. Ieder is geneigd wat hij als

kern van zijn eigen wezen meent te ontdekken, voor kern der geheele

werkelijkheid te houden. Tot Schopenhauer toe was alle philosofie min

of meer een kompliment, dat het intellekt zich zelf maakte. Het

begroette in de bespiegeling der denkers zich zelf als wereldmacht. Dit

verandert bij Schopenhauer, die met zijn intellekt het tegendeel ervan,

het onredelijke, op den wereldtroon plaatst. Natuurlijk heeft dit

pessimisme ten gevolge. En even natuurlijk wordt het thans de groote

vraag of en hoe Zeus (het Intellekt) er in slagen kan om den

vloekwaardigen Titan, den wil om te bestaan, in den Tartarus te

storten.

Thans begrijpen wij hoe Hegel en Schopenhauer van dezelfde præmis

uitgaande tot een geheel tegengestelde leer konden komen. Beiden houden

vast aan het dogma der algemeene relativiteit. De dingen zijn er enkel

in betrekking tot elkander en tot den geest, terwijl de geest er enkel

in betrekking tot de dingen is. Doch als alles enkel voor iets anders

bestaat, dan bestaat niets voor zichzelf, dan is er op de keper

beschouwd niets. Wij moeten dus aannemen, dat het één en het al, dat

het universum, voor zich zelf bestaat, subjekt en tevens objekt, denken

en zijn, éenheid van beide, geest is, dat het kan zeggen: ik heb

zelfbesef. Het universum is het zelfstandige, dat van niets afhangt,

waarvoor dus noodzakelijkheid en vrijheid samenvallen. Zoo concludeert

Hegel en is optimist, intellektualist. Maar Schopenhauer zegt: wij

moeten dus aannemen, dat het universum voor zich zelf bestaat, dat de

blinde drift, het onredelijke in ons en buiten ons, dat de innerlijk

verdeelde, onzalige wil het waarachtig zijnde is. Zoo is Schopenhauer

pessimist en voluntarist.

Schopenhauer’s onvoorwaardelijk pessimisme, dat zelfs de mogelijkheid

der verbetering van individuen en maatschappelijke toestanden

buitensluit, hangt samen met zijn blindheid voor bepaalde feiten van

het geestelijk leven. Als rechtgeaard zoon van een romantisch tijdperk

had hij groote sympathie voor mystici en voor asceten, ook als deze

Christenen waren. Doch het geheim dat Christus der wereld geopenbaard

heeft: het Koninkrijk Gods is binnen in u, het woont in u als een in

den akker verborgen schat, had hem, zoo die boodschap ook tot hem

doorgedrongen ware, weerhouden om het menschelijk lot enkel jammer en

ellende te noemen. Schopenhauer droeg oogkleppen, welke hem beletten te

zien wat niet in het kader van zijn stelsel paste. Had hij beseft, dat

onze aarde den hemel kan herbergen, dan zou hij de wereld niet zoo

slecht hebben genoemd als maar eenigermate met haar voortbestaan zich

nog laat rijmen. Doch hier steunt Schopenhauer op de leer van Buddha,

welke verder van die van Christus af staat dan de eene ster van de

andere. Niet volgens Christus, maar volgens Buddha is het leven enkel

lijden en is het eenig begeerlijke verlossing van het lijden door den

dood. Maar het gewone sterven is volgens Buddha en Schopenhauer geen

echt sterven, want er bestaat zielsverhuizing: dezelfde individuen

worden telkens opnieuw geboren. De werkelijk bevrijdende dood is enkel

voor hem mogelijk, die alles wat hem aan het leven boeit van zich

werpt, alle liefde, alle hopen, alle wenschen in zich vernietigt,

m.a.w. levend sterft. Met deze leer, welke door Schopenhauer werd

aanvaard, vormt de Christelijke, waaraan hij voorbijging, een

tegenstelling.

Overigens rijmt zijn pessimisme slecht met wat hij, ten deele althans,

van Plato had overgenomen. Hij erkent eeuwige, onveranderlijke, boven

tijd en ruimte verheven typen, ideeën of soorten, welke, met

voortbrengende kracht uitgerust, zich verwerkelijken in de exemplaren

van dieren en planten, die hier op aarde geboren worden en sterven. Hoe

kan de blinde en onbepaalde wil van Schopenhauer, die enkel wil is om

te willen, zich in grondvormen objektiveeren, welke de beschouwing der

natuur een artistiek genot doen zijn? Het idealisme van Plato is een

willekeurig ingeschoven bestanddeel in het systeem van onzen

irrationalist.

„De wereld is mijne voorstelling”, ziedaar de eerste volzin van „Die

Welt als Wille und Vorstellung”, het boek dat het systeem van

Schopenhauer behelst. Hij noemt zich discipel van Kant, maar draagt er

roem op een zelfstandig volgeling te zijn. Inderdaad wijkt hij zeer van

Kant af. Van Schopenhauer kan gezegd worden, dat hij, de meest

gelezene, immers de meest leesbare van alle moderne philosofen, ook het

meest heeft bijgedragen om de kritiek van den behoedzamen Kant, die

geen wetenschap buiten die der ervaring overeind liet staan, in

vergetelheid te brengen. De voorzichtige oudere denker zou er zich wel

voor gewacht hebben iets aangaande de wereld an sich, de wereld, die

buiten het bewustzijn en op zich zelve bestaat, te verzekeren. Daarvoor

was hij te anti-dogmatisch, te zeer overtuigd, dat men geen stelling

zonder voldoenden kengrond mag aanvaarden. Maar idealist was hij

evenzeer als Schopenhauer, want ook hij leerde dat de wereld der

ervaring, de wereld der objekten, enkel in betrekking tot subjekten

bestaat. Ook is het duidelijk wat Kant en Schopenhauer bedoelen. Het

bestaan der wereld van objekten hangt volgens hen aan een enkelen

lichten draad, het bewustzijn, waarin ze aanwezig is. Stel u voor dat

alle bewustzijn uitgedoofd werd, die wereld zelve zou daarmede

verdwijnen. Het eigenaardige van een objekt is in de voorstelling van

een subjekt te bestaan. Objekt en voorstelling zijn hetzelfde. Daaruit

vloeit voort, dat de geheele wereld der objekten voorstelling is en

blijft. Alleen het bewustzijn is ons rechtstreeks gegeven en die wereld

is er enkel als inhoud van bewustzijn. Gelijk er geen objekt zonder

subjekt is, bestaat er omgekeerd geen subjekt zonder objekt, geen

bewustzijn zonder inhoud. Subjekt en objekt zijn onafscheidelijk gelijk

rechts en links, gelijk noord en zuid.

Schopenhauer tracht zijne stelling nader te staven door op de

idealiteit van ruimte en tijd te wijzen. Hij gebruikt daarbij de

argumenten, die Kant in zijne „transcendentale æsthetiek” heeft

gegeven. B.v. dit, dat wij achtereenvolgens alles uit de ruimte kunnen

wegdenken, maar de ruimte zelve niet kunnen kwijt raken. Zoodra wij

welk stuk der materie ook ons voorstellen, moeten wij de geheele ruimte

mededenken. Daaruit volgt dat de ruimte bij ons behoort, dat zij

subjektief is, dat dus gestalte, grootte, beweging, al het ruimtelijke,

eveneens subjektief moet heeten. „Wij kennen niet de dingen zooals zij

op zich zelve zijn, maar slechts gelijk zij verschijnen. Dit is de

groote leer van den grooten Kant”. Schopenhauer voegt er aan toe, dat

het stellig de meest absurde, doch tevens de meest vruchtbare van alle

dwalingen is, de oneindige ruimte als onafhankelijk van ons aanwezig te

beschouwen. dus te meenen dat een beeld van dat oneindige „door de

oogen” in ons brein zou dringen. Wie de ongerijmdheid van die stelling

doorziet, weet tevens dat de wereld enkel „hersenphænomeen” is, dus als

zoodanig met den dood der hersenen verdwijnt, om een geheel andere

wereld over te laten, de wereld van het op zich zelf zijnde, die van

den wil, betreffende welke het onzin is te vragen: waar is zij? daar

zij met ruimte en tijd niets te maken heeft.

Schopenhauer zegt, dat de ruimte in ons hoofd is. Maar tevens,

natuurlijk, dat ons hoofd in de ruimte is. Zoo plaatst hij met tergende

zorgeloosheid schijnbaar tegenstrijdige stellingen naast elkander. Hij

zegt, dat de hersenen de atlas zijn, waardoor de geheele wereld wordt

gedragen, want de wereld is voorstelling, en voorstelling is volgens de

leer der physiologen aan de hersenen gebonden. Maar anderzijds erkent

hij, gelijk ieder die bij zijn zinnen is, dat alle hersenbrij te samen

slechts een klein fragment van het universum uitmaakt. Hier is geen

echte contradictie. Het zichtbare, dat wij hersenen noemen, is de vaste

voorwaarde van dat andere onzichtbare, dat voorstelling, illusie heet.

Dit is een physiologische waarheid, welke gelijk alle natuurkennis, van

de wereld geldt, die in tijd en ruimte is uitgebreid en dan als op

eigen voeten staande wordt aangemerkt. De metaphysische waarheid, de

echte waarheid is deze, dat alle materie, de hersenen inkluis, slechts

voorstelling van het kennende subjekt is, dat hersenen en kennis beiden

verschijningen zijn van het waarlijk zijnde: Wil. Nu rest nog het

raadsel, hoe wil als kennend subjekt verschijnt. Dat is volgens

Schopenhauer het groote mirakel, de hypothese, die door niets verklaard

wordt, daar zij zelve alles verklaart.

Om Schopenhauer wel te verstaan moet men in het oog houden, dat de

wereld bij hem „de schaduw van een droom” is, fata morgana door het

intellekt geschapen, dat in zijn kader: tijd, ruimte en causaliteit,

gewaarwordingen opneemt. Het intellekt is in ieder kennend individu

aanwezig, maar met geen individu te vereenzelvigen, zoodat de

individuen kunnen geboren worden en sterven, terwijl de voorstelling

van objekten blijft bestaan. Deze leer laat de empirische realiteit der

wereld onaangetast, maar sluit in zich, dat de wereld in al hare deelen

van het intellekt, het subjekt, afhangt. Ja zelfs hangt zij daarvan op

tweeërlei manier af. Ten eerste is er, gelijk reeds Berkeley heeft

ingezien, geen objekt denkbaar tenzij in de voorstelling van een

subjekt; ten tweede gaat de wijze, waarop wordt voorgesteld, het

objekt-zijn als ruimte vullend en aan tijd en causaliteit onderworpen,

zooals Kant heeft geleerd, van het subjekt uit. Het intellekt is niet

iets zelfstandigs, en de wereld der dingen is niet iets anders, dat

eveneens op eigen voeten staat; dan toch ware het onbegrijpelijk, dat

wij en zelfs de dieren zoo volkomen in de wereld te huis zijn en ons

van den aanvang af daarin terecht vinden; intellekt en wereld vormen

één geheel, want het intellekt schept de wereldorde; omgekeerd ware het

niets zonder die wereld, daar het dan zonder inhoud zou zijn. Intellekt

en wereld zijn, ieder op zich zelve beschouwd, enkel afgetrokkenheden,

onwezenlijk. Schopenhauer drukt dat in de taal der Indische wijzen uit,

door van Maja te spreken, de moeder van allen schijn, de godin die ons

een sluier voor de oogen bindt, in welks plooien het beeld van al het

geschapene zich vertoont.

Ook de moraal van Schopenhauer toont een Indisch karakter. Hier wijkt

hij sterk van Kant af. Kant kiest zijn uitgangspunt in het plichtbesef.

Daar de mensch een redelijk wezen is, kan hij afzien van neiging en

eigenbelang en, een algemeen standpunt innemende, vragen: wat is

behoorlijk? Hoe die vraag beantwoord wordt, is van ondergeschikte

beteekenis. De kennis van den plicht laat verschillende graden toe, is

niet overal evenzeer ontwikkeld. Daarenboven kan al naar gelang van

omstandigheden de eisch van den plicht wisselen. Maar dát er een plicht

is, weet ieder redelijk schepsel. Ziedaar een waarheid, welke hem door

geen philosofie ter wereld kan worden ontfutseld, en aan ieder gezond

menschenverstand is geopenbaard. Schopenhauer daarentegen bouwt niet op

de redelijke natuur van den mensch, maar op het gevoel, op het

medelijden, zijne moraal. Medelijden is ons een openbaring van de

eenheid van alle zijn. Het zegt ons, als wij tegenover een lijdend

schepsel ons geplaatst zien: tat twam asi, dat zijt gij! Medelijden is

vertolking in de taal des gemoeds van het feit, den Indischen wijzen

reeds eeuwen bekend, dat de veelheid der wezens inbeelding is. Bij den

aanblik van den schamelen bedelaar, die zijn hand naar ons uitstrekt,

van den worm die aan onzen voet ineenkrimpt, bij het zien van al wat

lijdt, zegt de wijze: dat ben ik! Het noopt om te helpen. Schopenhauer

is te verstandig om medelijden als plicht voor te schrijven. Medelijden

is een feit, een geheimzinnig feit, aan welks invloed zich zelfs de

ruwste en onkundigste niet voortdurend kan onttrekken. Juist ten

gevolge van zijn algemeenheid heeft het invoering van levensregels

bewerkt, welke allen tot twee zich laten herleiden: doe niemand kwaad,

sta allen bij zooveel ge kunt!

Intusschen kan verzachting van individueel leed hem niet voldoen, die

alle afzonderlijk bestaan als een ramp beschouwt. Smart is heilzaam,

zegt Schopenhauer, daar zij van den lust om te leven geneest, en zoo de

„Meeresstille des Gemüths” veroorzaakt, welke veroorlooft het Nirwana

binnen te treden. Dat Nirwana, zoo luidt het slotwoord van het

hoofdwerk, is niets voor den dwaas, wiens hart vol is van de dingen

dezer wereld, maar alles voor wie doorziet, dat het universum met zijn

zonnen en melkwegen inderdaad niets is.

Ten slotte moeten wij nog opmerken, dat Schopenhauer, ondanks het

strengste determinisme, den mensch verantwoordelijk acht voor zijne

daden. Het werken volgt op het zijn. Al onze handelingen vloeien met

noodzakelijkheid uit het karakter voort, waarmee wij ter wereld zijn

gekomen. Maar dat karakter, dat zich in den tijd aan zijn eigenaar

openbaart, en hem verborgen zou blijven, indien hij niet velerlei

aanleiding tot handelen had, bestaat tevens buiten den tijd in de vrije

wereld van het bovenzinnelijke. Vandaar onze verantwoordelijkheid. Het

is dus niet onze fout, dat wij doen wat wij doen, b.v. ons als lafaards

gedragen, wanneer wij lafaards zijn, maar stellig is het onze schuld,

dat wij zijn, zooals wij zijn. Schopenhauer maakt hier een degelijk

onderscheid tusschen empirisch en intelligibel karakter als reeds door

Kant werd aangegeven. Vrijheid is een geheimenis, maar als noodwendig

tegenstuk van moeten is zij onloochenbaar.

Ziedaar een ruwe schets van het systeem, dat gedurende de tweede helft

der 19de eeuw in driemaal honderdduizend exemplaren is verspreid

geworden en thans, terwijl de zon van Nietzsche reeds begint te tanen,

nog steeds opgang maakt. Ik heb eens door een beroemd landgenoot hooren

zeggen, dat het hem even onmogelijk zou zijn de leer van Schopenhauer

als den Heidelberger catechismus onvoorwaardelijk te beamen. Die

woorden wil ik graag voor mijne rekening nemen. Als het onderscheid der

individuen schijn is, rijst de vraag, wie er door dien schijn bedrogen

wordt, en wie er met dien schijn bedriegt. Het eenig mogelijk, doch

niet zeer verstaanbaar antwoord is hier: de oneindige wil draait zich

een rad voor de oogen, is prooi van zelfmisleiding. Ik ben het met

Schopenhauer eens: zoo’n dwaas en onzalig wezen behoort in het Nirwana

weg te zinken. Alleen begrijp ik niet, hoe schepselen der inbeelding

als gij, mijn lezer, en ik, daarbij een handje zouden kunnen helpen.

Toch vindt onze wijsgeer nog tal van volgelingen. Geen wonder. Zijne

leer ligt in de lijn van zekere hedendaagsche geestesstroomingen. Zoo

wordt aan het pessimisme thans meer dan ooit recht toegekend. Het

geloof aan den vooruitgang is geschokt. Het wordt niet meer als een

axioma beschouwd, dat alles zal terecht komen. Het optimisme, dat onze

vaderen veroorloofde zich op de golven van het wereldgebeuren met blij

vertrouwen te laten verder dragen, schijnt thans lichtzinnig en ietwat

kinderachtig. Dat de natuur in menig opzicht onbarmhartig is en zich om

lief en leed van hare schepselen niet bekreunt, is een bittere

waarheid, voor welke de oogen geopend zijn. Steeds meer dringt de

gedachte door, dat het menschelijk leven slechts in zoover zin en

waarde heeft, als wij zelve in staat en gezind zijn er een belangrijken

inhoud aan te verleenen. Zoo noopt het pessimisme tot krachtsinspanning

volgens het woord van Schopenhauer zelf, die een van zijn boeken van

het volgende motto heeft voorzien: „een gelukkig leven is onmogelijk;

het hoogste wat wij bereiken kunnen is een heroïeke levensloop”.

Ook ligt het in den geest van onzen tijd het mysterieuse van ons

bestaan te erkennen. Welnu, volgens Schopenhauer is de verschijning van

den wil onder een individueelen vorm, in de gestalte van een kennend en

denkend subjekt, een onoplosbaar raadsel. Op zijne wijze is hij

evolutionist. Van de leer van Darwin, wiens boek kort vóór zijn dood

verscheen, wilde hij niets weten. Dat het hoogere uit het lagere, het

meerdere uit het mindere zou voortspruiten, scheen hem tergende onzin.

Maar wel stond het bij hem vast, dat de openbaringen van den wil een

rangorde doorloopen en dat de verschijning van bewustzijn en rede,

geheel nieuwe feiten, al de voorafgaande lagere levensvormen

onderstellen, gelijk deze weder de onbewerktuigde natuur. Ook hier kan

dus de tegenwoordige tijd bij Schopenhauer aanknoopen. Zelfs het

tegenwoordig zoozeer verspreide pragmatisme, dat waarheid als een

instrument om te handelen beschouwt, vindt steun bij Schopenhauer.

Ook heeft Schopenhauer de leer van Kant weliswaar verminkt, maar tevens

zóó gefiltreerd, dat ieder dilettant zich nu enkele hoofdtrekken er van

met gemak kan toeëigenen. Ten slotte heeft hij met zijne beschouwingen

over kunst en liefde niet enkel Wagner en Nietzsche, maar ook dichters,

romanschrijvers en dramatici bezield. Volgens Schopenhauer is wie zich

door den hevigsten van alle hartstochten laat medesleepen de onbewuste

dienaar van de soort, zijn liefde en begeerte waanzin, jacht op de

schaduw van een schaduw. Is het niet alsof men Flaubert leest? Het werk

van Schopenhauer, die stoute synthese van Kantianisme, Platonisme,

Indische wijsheid en Europeesche natuurkennis is nog in menig opzicht

jong en frisch.

Arthur Schopenhauer werd in 1788 in de toenmalige vrije rijksstad

Dantzig geboren. Zijn vader was een aanzienlijk koopman en veel ouder

dan zijn moeder. Toen in 1793 Dantzig bij Pruissen werd ingelijfd

vertrok de stoere republikein met zijn gezin, dat intusschen tot vier

personen was aangegroeid, daar Arthur een zusje Adele had gekregen,

naar Hamburg. De vader had zich voorgenomen van den knaap een koopman

te maken, maar de aanleg van den jongen wees in andere richting. Toen

de vader, misschien door zelfmoord, plotseling gestorven was, gevoelde

de zoon zich verplicht den wensch van den overledene te eerbiedigen en

nam hij dus plaats op de kantoorkruk. De betrekkelijk nog jonge weduwe

ging zich vestigen in Weimar, waar zij de vriendschap van Goethe

genoot, en talrijke, zeer bewonderde romans schreef. De brieven, die

uit dien tijd bewaard zijn gebleven, doen Johanna Schopenhauer als een

beminnelijke, verstandige en helderziende vrouw kennen. Zoo schreef zij

in 1807 aan haar toen 19-jarigen zoon: „Ik ken uw hart en weet dat

weinig menschen beter zijn dan gij. Maar al uwe goede eigenschappen

worden verduisterd en als het ware verlamd door uwe aanmatiging. Ge

wilt alles beter weten dan andere menschen, bij ieder behalve bij u

zelven gebreken ontdekken en in uw omgeving steeds alles naar uwe hand

zetten... Als ge niet waart die ge zijt, dan zoudt ge eenvoudig

belachelijk wezen, maar nu verbittert ge allen tegen u”. In hetzelfde

jaar schrijft zij hem nog: „Ik misken niet de goede kanten van uwe

natuur en wat mij afstoot is niet uwe innerlijke gezindheid, maar uwe

manier van beschouwen, veroordeelen, de wijze waarop ge u gedraagt.

Wanneer ge eenige dagen bij ons doorbrengt, komt het altoos tot

geweldige tooneelen om niets en minder dan niets. Uwe eeuwige

jeremiaden, uw begrafenisgezicht, uw orakeltoon, dat alles drukt ter

neer. Ik weet dat ge uw zwartgalligheid van uw vader geërfd hebt;

tracht haar te overwinnen”.

In datzelfde jaar 1807 hield Arthur op klerk te zijn en begon hij zich

met toestemming van zijn moeder tot de universitaire studiën aan het

gymnasium van Gotha voor te bereiden. Satirieke verzen op een van de

leeraren deden hem van daar verjagen. En nu kwam hij op het gymnasium

te Weimar, maar zijn moeder wilde hem niet in huis hebben, en dus

woonde hij bij een der leeraren. In den tijd van twee jaar bracht hij

het zoo ver in zijn klassieke studiën dat al de verloren tijd was

ingehaald en hij in 1809 als student bij de faculteit der medicijnen

aan de Universiteit te Göttingen kon worden ingeschreven. Hij was nu

meerderjarig, had zijn klein fortuin in handen, en las Tacitus,

Horatius, Lucretius, Herodotus, zonder zich veel om de geneeskunst te

bekreunen, die hem bij nadere kennismaking niet scheen aan te trekken.

Prof. Schulze (Aenesidemus), die zijn aanleg voor de philosofie

doorzag, gaf hem den raad voorloopig enkel Plato en Kant te

bestudeeren. Dien raad volgde hij op, en zoo werd hij door die twee

groote denkers met de gedachte vertrouwd gemaakt, dat de wereld der

verschijnselen en het ding op zich zelf twee zijn. Veel vrienden aan de

academie schijnt hij niet gehad te hebben. In het curriculum vitae, dat

hij later bij de Berlijner faculteit indiende, schreef hij betreffende

zijn studentenjaren: „mijn rijper leeftijd, mijn rijker ervaring en

mijn ongewoon karakter maakten dat ik verlaten en eenzaam was”. In het

vreemdelingenboek van een oud kasteel schreef hij 5 Sept. 1811:

„Wohl manches Mal saht ihr mich einsam wandern,

Und ernst und einsam geh’ ich jetzt zu andern”.

Toch knoopte hij in Göttingen eenige vriendschapsbanden aan, b.v. met

Osann en in 1820 noemde hij in een brief aan dezen gericht, de

Göttinger jaren de schoonste van zijn leven.

Vandaar ging hij naar Berlijn, waar hij Fichte en Schleiermacher

hoorde, niet Hegel. Met Prof. Fichte disputeerde hij hevig op diens

privatissima. Door den vrijheidsoorlog, voor welken hij volstrekt niets

gevoelde, in het schrijven van zijn dissertatie gestoord, week hij uit

naar Rudolstadt in Thüringen, waar hij tot zijn vreugde geen soldaat te

zien, geen tamboer te hooren kreeg. Hij zond het handschrift van zijn

dissertatie per post naar het naburige Jena, vanwaar hij na korten

tijd, eveneens per post, zijn doctors-diploma ontving. Zijn dissertatie

verscheen onder den titel: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom

zureichenden Grunde”. Van dit merkwaardig geschrift, dat als de

inleiding tot zijn hoofdwerk kan worden beschouwd, heeft hij later een

vermeerderde editie in het licht gezonden.

Arthur keerde thans naar Weimar terug, waar hij veel met Goethe sprak.

Er was groot verschil tusschen die beide mannen, gelijk daaruit blijkt,

dat Schopenhauer in 1813 aan den beroemden grijsaard kon schrijven:

„Van u zelf weet ik, dat letterkundige arbeid voor u altijd bijzaak, en

het werkelijke leven hoofdzaak is geweest. Bij mij is het omgekeerde

het geval; mijn denken, mijn werk, dat alleen heeft voor mij waarde en

beteekenis”. Maar tevens was er overeenkomst in geestesrichting. Beiden

waren zieners en wilden putten uit de levende bron van ervaring en

bewustzijn. Vandaar dat voor Schopenhauer de philosofie niet zoozeer

wetenschap als wel kunst was. Hij streefde er naar een volkomen

objektieve en door geen langwijlige redeneeringen bedorven wijsbegeerte

te stichten, welke een echt kunstgewrocht zou zijn, daar zij „niet op

den trant der philosofasters, van Fichte en zelfs van Spinoza, tusschen

subjekt en objekt den bedriegelijken sluier van afgetrokken begrippen

zou dulden”. Goethe beschreef in die dagen, in een brief aan Knobel,

zijn jongen vriend als een merkwaardig man, „die met helderziende

koppigheid bezig is het kaartenspel van onze moderne philosofen in de

war te sturen”. Met profetischen blik voegt hij er aan toe: „het staat

te bezien of de meesters in het vak hem in hun gilde zullen opnemen. Ik

vind hem vol geest”. Goethe, getroffen door de rol, die Schopenhauer in

zijn dissertatie bij het meetkundig betoog aan de aanschouwing wilde

zien toegewezen, spoorde hem tot optische studiën aan, waarvan hij zelf

in die dagen vervuld was. Inderdaad deed Schopenhauer later als tweede

van zijne geschriften een boek „Ueber das Sehen und die Farben”

verschijnen. Vóór de publicatie had hij zijn manuscript aan Goethe ter

beoordeeling toegezonden, maar ondanks al zijn dringen en smeeken was

het hem niet gelukt aan den dichter, die hem telkens zeer beleefd

antwoordde, een enkel teeken van goed- of afkeuring te ontlokken.

Schopenhauer had het verschil der kleuren op een andere wijze dan

Goethe het deed verklaard.

Johanna herbergde op dat oogenblik den romanschrijver Fr. Müller.

Arthur toonde op zulk een wijze zijn misnoegen over de aanwezigheid van

dien vreemdeling, dat de moeder er toe overging haar zoon de deur te

wijzen. Dit geschiedde in Mei 1814. De breuk was onherstelbaar. Arthur

ging naar Dresden en heeft noch zijn moeder, noch zijn zuster, met

welke laatste hij ten minste voorloopig in briefwisseling bleef, ooit

teruggezien.

In Dresden, destijds de artistieke hoofdstad van Duitschland, genoot

Arthur veel van kunst. Ook had hij er enkele vrienden, waarvan er één

aan Adele schreef: „Uw broeder is van nature teeder en gemoedelijk”.

Intusschen werkte hij ijverig aan zijn: „Welt als Wille und

Vorstellung”. Het boek verscheen in 1818 bij Brockhaus, maar werd zoo

slecht verkocht en zoo totaal geïgnoreerd, dat de uitgeversfirma na

verloop van eenigen tijd van het grootste aantal der exemplaren

papierpap maakte.

Schopenhauer ging naar Italië. Zijn reis, gedurende welke hij in zijn

journaal enkel philosofische gedachten neerschreef, werd op pijnlijke

wijze afgebroken door de handelscrisis, die de firma trof, waaraan

Johanna en Adele haar geheele vermogen en Arthur een aanzienlijk deel

ervan hadden toevertrouwd. Hij verklaarde zich bereid met moeder en

zuster te deelen wat hij nog had overgehouden, maar weigerde

halsstarrig in de schikking te treden, die door de overige

schuldeischers werd aanvaard. Hij had geen koopmansgenie, doch stond op

zijn recht en wantrouwde de menschen, ten gevolge waarvan hij hier de

wijste partij koos. Na een paar jaar stond de firma weer overeind en

kreeg Arthur al zijn geld terug, terwijl moeder en dochter twee derden

van haar fortuin verloren hadden.

Intusschen wist hij niet vooraf hoe de zaak zou loopen en trachtte hij

zich dus aan de universiteit te Berlijn een positie als leeraar te

scheppen. Op 23 Maart 1823 hield hij zijn proefles. Hegel opponeerde,

maar Schopenhauer antwoordde zoo flink, dat hem de titel van

privaat-docent verleend werd. Nu ging Schopenhauer een half jaar lang 5

uur college per week geven. Hij had weinig of geen succes. Was het,

omdat hij dezelfde uren had gekozen als waarop Hegel zijne lessen gaf?

Zoolang het intellektualisme zijn zegetocht nog niet voleindigd had,

kon het voluntarisme in geen geval gehoor vinden. Nadat zijn fortuin

zich hersteld had, keerde Schopenhauer naar Italië terug. Hij schrijft

vroolijke brieven aan Osann en geeft een vermakelijke schets van den

levenslust, de bedriegelijkheid en welgemanierdheid der Italianen. Toch

keert hij weer naar Berlijn terug en slijt daar zes jaren van zijn

leven, totdat de cholera in 1831 hem ten gevolge van een droom, waaraan

hij waarschuwende kracht toekent, naar het gezonde Frankfort doet

verhuizen. Hier blijft hij 27 jaren, tot aan zijn dood in 1860. Ervan

overtuigd dat het uur van zijn beroemdheid zal komen, daar hij naar

zijn inzien het wereldraadsel opgelost en aan de menschheid daarmee den

grootst mogelijken dienst heeft bewezen, bewerkt hij een tweede editie

van zijn „Welt als Wille und Vorstellung” en schrijft hij tevens zijn

„Parerga und Paralipomena”, die als een toelichting op het hoofdwerk

kunnen gelden. Ook verzamelt hij bij natuurvorschers en geneesheeren

feiten, welke als openbaringen van den levenswil kunnen gelden en doet,

wellicht op zijn eigen kosten, na een zwijgen van 18 jaren, in 1836

„Ueber den Willen in der Natur” verschijnen. Het boek wordt niet

opgemerkt.

Zijn eerste voldoening van eigenliefde was, dat hij vermocht

Rosenkrantz en Schubert te overtuigen dat niet, zooals hun plan was, de

tweede, maar de eerste editie van de „Kritik der reinen Vernunft” bij

de door hen voorgenomen uitgave van de complete werken van Kant moest

worden gevolgd. Kort daarna in 1839 behaalt hij een gouden medaille met

een verhandeling over de vrijheid van den wil bij de maatschappij van

wetenschappen te Drontheim, maar een tweede prijsverhandeling over de

grondslagen der moraal wordt door de maatschappij van wetenschappen te

Kopenhagen afgewezen, vooral om het afschuwelijk schelden op de „drie

Sophisten”, Fichte, Schelling en Hegel. Hij vereenigt de twee stukken

en geeft ze uit onder den titel „Die beiden Grundprobleme der Ethik”.

De kritiek zwijgt ook dit werk dood. Eindelijk, in 1851 gelukt het zijn

eersten discipel, een Jood van Russischen oorsprong, Julius

Frauenstaedt, een uitgever in Berlijn te vinden voor de „Parerga”. Dit

boek slaat in. Men ontdekt dat Schopenhauer een onovertroffen schrijver

van essays is. Nu is de nieuwsgierigheid naar zijn vroegere werken

opgewekt. Hij krijgt erkentelijke brieven van Bahnsen, een leeraar aan

een gymnasium, van Lindner, een Berlijnsch journalist, van Adam von

Doss, een Beiersch jurist, enz. De inhoud is steeds dezelfde. „De

schillen zijn mij van de oogen gevallen. Vol verrassing roep ik uit:

Heureka!” Een man als Saint-René-Taillandier schrijft over hem in de

Revue des deux Mondes. Challemel-Lacour bezoekt hem en schrijft in de

Revue des deux Mondes van de ijskoude atmosfeer, welke hem bij die

gelegenheid uit de half geopende deur van het „Niet” kwam toestroomen.

Een niet minder bekend man, Foucher de Careil, dringt ook tot hem door

en beschrijft hem als een grijsaard met levendige blauwe oogen, om

welke een ietwat sarkastische glimlach speelt; het hooge voorhoofd met

de uitstaande witte lokken verleent aan het geestig gelaat een stempel

van zielenadel en voornaamheid. Zijn manieren zijn die van een man van

de wereld. Hij is ouderwetsch gekleed met een witte das en een kanten

jabot. Van nature teruggetrokken, laat hij zich gaan als hij met

vreemdelingen te doen heeft en dan is zijn gesprek buitengewoon

levendig. Hij strooit rond met latijnsche, grieksche, fransche,

engelsche, italiaansche citaten; de uren vliegen als minuten voorbij en

als de middernachtsklok slaat, vertoonen zijn trekken niet de minste

vermoeidheid en het vuur van zijn blik is geen seconde uitgedoofd

geweest.

Zoo was de avond van zijn leven de dageraad van zijn roem.

Toen op 18 Sept. 1848 het oproer door de straten van Frankfort trok,

leende hij met de grootste bereidwilligheid zijn kijker aan den

Oostenrijkschen officier, die van uit zijn vensters op het souvereine

gepeupel liet schieten, dat ginds op den brug een barricade opwierp.

Twaalf jaar later bleek, dat hij aan de soldaten, die bij de

verdediging van de wettelijke orde invalide waren geworden, het

leeuwendeel van zijn vermogen had nagelaten. Geldgeschenken waren

toegewezen aan bloedverwanten, aan een oude dienstmaagd, die tevens

zijn meubels en zilverwerk kreeg, en aan een tooneelprinses, die

indertijd zijn hartevriendin was geweest. Ook zijn hond had hij niet

vergeten; deze erfde f 300 voor zijn levensonderhoud. Frauenstaedt

kreeg de manuscripten en op hem gingen al de auteursrechten over.

Gwinner, rechter in Frankfort, uitvoerder van den laatsten wil, kwam in

het bezit van zijn bibliotheek.

Het was in tegenwoordigheid van dezen Gwinner, dat Schopenhauer eens,

na lang op het portret van de Rancé, den stichter van de orde der

Trappisten, te hebben gestaard, op neerslachtigen toon zei: „Dat is het

werk der genade”. Schopenhauer heeft de wereldverloochenaars, zijn

heiligen, vurig bewonderd, maar zelf niet als een hunner geleefd. Hij

was geen zonnige natuur, stak vol grieven. Zoo tegen de vrouwen, de

schepselen met lange haren en korte gedachten. Zoo vooral tegen de

Joden, die met hun scheppingsleer de Europeesche menschheid vergiftigd

hadden. Hij was niet goedhartig, maar wel volkomen eerlijk tegenover

zichzelf en anderen; hij meende alles wat hij zeide; dat was zijn

kracht als schrijver. Hij was veel vatbaarder voor pijnlijke dan voor

aangename indrukken. Reeds in zijn jeugd was het zoo. Twee jaar lang

heeft hij toen met zijn ouders door Europa gezworven. Als hij aan

armoedige hutten voorbijkwam, was zijn genot voor den geheelen dag

vergald. Men begrijpt dat hij in Toulon van het verblijf der

galeiboeven een onuitwischbaren indruk had gekregen. Hij heeft zich

dikwijls zeer eenzaam gevoeld en zich ten slotte met de gedachte

getroost: zoo is het lot der Koningen! Waarom is hij ongehuwd gebleven?

In Venetië was hij zoo verliefd op een rijke jonge dame van goeden

huize, dat hij, jaloersch van hare bewondering voor Byron, den

introductiebrief bij den engelschen dichter, dien hij van Goethe had

meegekregen, niet afgaf. Wij weten dit uit een brief van Arthur aan

zijn zuster. Verder weten wij niets van deze episode in zijn leven. Wel

weten we iets anders. Reeds in 1814 noteerde hij voor zich zelf een

woord uit het Indisch geschrift „Oepnethak”: „als de kennis komt,

verdwijnt de liefde”. Later werd datzelfde woord het motto voor een

deel van zijn hoofdwerk.

Schopenhauer was hartstochtelijk in ieder opzicht. Wanneer een gedachte

hem voor den geest zweefde, liet hij alles in den steek om haar op te

vangen, en hare waarde te toetsen. Hij heeft de weelde van het genie

gekend en was er van overtuigd, dat zijn intellekt niet aan hem zelf,

maar aan de wereld toebehoorde, dat hij een zending had. Zijn denken is

de éénheid van zijn leven geweest. Zijn altijd bezige geest was er

steeds op uit om één en dezelfde gedachte toe te lichten. Want zijn

stelsel bestond, gelijk hij zelf heeft erkend, uit ééne gedachte: de

tegenstelling van verschijnsel en wil. Hij vergeleek het met Thebe,

waar men door honderd poorten kon binnen treden en steeds op hetzelfde

middelpunt uitkwam.

Op 4 Sept. 1860 werd hij dood op zijn kanapé gevonden.

Doch genoeg over Schopenhauer en zijn werk. Thans willen wij hem zelf

het woord geven.

FRAGMENTEN UIT: „UEBER DIE VIERFACHE WURZEL DES SATZES VOM ZUREICHENDEN

GRUNDE”

De echte wijsgeer zoekt overal helderheid en duidelijkheid. Hij is niet

als een troebele, wilde, door regens gezwollen beek, maar als een

Zwitsersch meer, dat, onbewogen, bij groote diepte, groote klaarheid

heeft, welke de diepte zichtbaar maakt. De onechte daarentegen tracht,

wel niet, volgens den stelregel van Talleyrand, door woorden zijn

gedachten, wel echter het gebrek aan gedachten te verbergen. De

onverstaanbaarheid zijner leeringen, welke het gevolg van de

onklaarheid van zijn denken is, wijt hij aan den lezer. Dat is de

reden, waarom in eenige geschriften, b.v. die van Schelling, de

onderwijzende toon zoo dikwijls in den schimptoon omslaat; bij voorbaat

scheldt hij op den lezer in de verwachting, dat deze niet zal verstaan.

Ons kennend bewustzijn behelst subjekt en objekt, niets meer dan dat.

Objekt voor het subjekt zijn en onze voorstelling zijn is hetzelfde.

Alle voorstellingen zijn objekten van het subjekt, en alle objekten van

het subjekt zijn voorstellingen.

Nu is het hier echter zoo mee geschapen, dat alle onze voorstellingen

volgens vaste wetten onderling verbonden zijn en niets wat, los

gescheurd van al het overige, geheel op eigen voeten staat, objekt voor

ons kan zijn.

Deze verbinding is het, zegt Schopenhauer, welke door de stelling

van den voldoenden grond in haar algemeenheid wordt uitgedrukt,

wanneer men de formule gebruikt: „Niets is zonder grond waarom het

is”. Zoo kan men bij oordeelen vragen waarom zij waar heeten, bij

veranderingen waarom zij plaats grijpen. Ginds vragen wij naar

kengronden; hier naar oorzaken. Maar er zijn nog meer gevallen,

waarin we het recht hebben waarom? te vragen. Waarom zijn b.v. bij

dien driehoek de drie zijden aan elkander gelijk? Het antwoord

luidt: omdat de drie hoeken gelijk zijn. Is nu de gelijkheid der

hoeken oorzaak van de gelijkheid der zijden? Neen, want hier is van

geen verandering, dus van geen werking, die een oorzaak zou hebben,

sprake. Is zij enkel kengrond? Evenmin, want de gelijkheid der

hoeken is niet enkel bewijs van de gelijkheid der zijden, niet

enkel grond van een oordeel. Afgezien van het oordeel, moeten de

zijden gelijk zijn, daarom dat de hoeken gelijk zijn. Er is hier

een noodwendige verbinding tusschen hoeken en zijden, dus nog iets

anders dan een verbinding tusschen twee oordeelen. De gelijkheid

der hoeken is de zijnsgrond van de gelijkheid der zijden. Een

vierde gestalte neemt het principe van den grond aan, wanneer het

subjekt als willend wordt beschouwd. Men vraagt naar de

beweegredenen van het willen, naar den voldoenden grond waarom er

zoo gehandeld wordt als er gehandeld wordt.

Zoo is er dus vierderlei noodzakelijkheid, waarmee iets uit zijn

grond voortvloeit. Er is logische noodzakelijkheid, waarmee de

stellingen uit hare kengronden, er is physische noodzakelijkheid,

waarmee de gevolgen uit hunne oorzaken voortvloeien, er is

mathematische noodzakelijkheid, waarmede omdat het eene is ook het

andere is, er is praktische noodzakelijkheid waarmee de handelingen

uit hare motieven volgen. Alle noodzakelijkheid is relatief, geldt

ten opzichte van haar grond. Absolute noodzakelijkheid, zonder

grond, is onzin.

De wet der causaliteit bepaalt dat, wanneer een nieuwe toestand bij één

of meer objekten der werkelijkheid intreedt, een andere toestand moet

zijn voorafgegaan, op welken die nieuwe toestand regelmatig volgen

moet. B.v. een lichaam vangt aan te branden: aan dien toestand van

branden moet zijn voorafgegaan een toestand

1. van verwantschap tot de zuurstof,

2. van aanraking met de zuurstof,

3. van een bepaalden warmtegraad.

Daar, zoodra die drievoudige toestand voorhanden was, de ontbranding

onmiddellijk volgen moest, deze echter eerst nu gevolgd is, kan ook die

toestand er niet vroeger geweest zijn, maar moet hij eerst nu zijn

ingetreden. Dat intreden heet een verandering. Derhalve geldt de wet

der causaliteit uitsluitend voor veranderingen. Iedere werking is, bij

haar te voorschijn treden, een verandering en verwijst, juist omdat ze

niet vroeger is ingetreden, met onfeilbare zekerheid naar eene andere,

haar voorafgaande verandering, welke in betrekking tot haar oorzaak, in

betrekking tot eene derde, haar zelve weder noodzakelijk voorafgegane

verandering, werking heet. Dit is de keten der causaliteit; zij is

zonder aanvang. Iedere nieuwe toestand moet dus het gevolg zijn van een

daaraan voorafgaande verandering; b.v. in het zooeven vermelde geval

moest de temperatuurverhooging voortspruiten uit het toetreden van

vrije warmte tot het lichaam; dit toetreden van warmte hing weder af

van een voorafgaande verandering, b.v. het vallen van de zonnestralen

op een brandspiegel; dit laatste van het wegtrekken van een wolk

voorbij de zon; dat wegtrekken van de wolk werd veroorzaakt door wind;

die wind door ongelijke dichtheid van lucht; die ongelijke dichtheid

door andere toestanden en zoo in het oneindige.

Wanneer er aan een toestand om voorwaarde van het optreden van iets

nieuws te zijn, slechts ééne omstandigheid ontbreekt, noemt men deze

laatste, zoo zij er eindelijk ook nog bijkomt, de oorzaak bij

uitnemendheid; het is in zoover juist, als men zich daarbij aan de

laatste werkelijk beslissende verandering houdt; daarvan afgezien heeft

echter voor de vaststelling van het oorzakelijk verband der

gebeurtenissen in het algemeen, de laatst bijkomende voorwaarde niets

op de overige voor. Zoo is in het door ons genoemde voorbeeld het

wegtrekken van de wolk in zoover oorzaak der ontbranding te noemen als

het later dan het richten van den brandspiegel op het voorwerp plaats

greep. Dit richten van den brandspiegel had evenwel later kunnen

geschieden dan het wegtrekken van de wolk en het toelaten van de

zuurstof weder later dan dit: zulke toevallige tijdsbepalingen hebben

dan te beslissen wat de oorzaak is. Wanneer men de zaak nauwkeurig

beschouwt, bevinden wij dat de toestand in zijn geheel oorzaak van den

volgenden is en dat het er betrekkelijk weinig toe doet welke van de

vereischten het laatst komt om het getal vol te maken.

Voorwaarden van veranderingen zijn altijd andere en voorafgaande

veranderingen, geen dingen. Zoo zou het in ons geval glad verkeerd

zijn, om den brandspiegel, de wolk, de zon, de zuurstof, oorzaak te

noemen. Het heeft geen zin te zeggen, dat een objekt oorzaak is van een

ander objekt; in de eerste plaats, omdat wij bij de objekten behalve

vorm en hoedanigheid, ook stof, materie aantreffen, welke noch

ontstaat, noch vergaat; in de tweede plaats omdat de wet der

causaliteit uitsluitend voor veranderingen geldt, voor het verschijnen

en verdwijnen van toestanden in den tijd.

De scheeve opvattingen van de causaliteitsverhouding kunnen zeker

grootendeels aan onklaarheid van het denken worden toegeschreven; maar

stellig is daarbij ook dikwijls eene theologische bedoeling in het

spel, waardoor de formeele kennis a priori, die moedermelk van het

menschelijk verstand, vervalscht wordt.

Men wil namelijk, volgens Schopenhauer, een Schepper der stof

hebben, een zoogenaamde eerste oorzaak, waarbij men „stichtelijk de

oogen verdraaien” kan, als ware een eerste oorzaak niet een

contradictio in adjecto. Een eerste oorzaak is even weinig denkbaar

als een plaats, waar de ruimte een einde neemt, of een oogenblik,

waarop de tijd een aanvang zou hebben genomen. Iedere oorzaak is

een verandering, bij welke men naar de haar tot stand is gekomen,

noodwendig vragen moet, en zoo tot in het oneindige! Niet eens is

een eerste toestand der materie denkbaar, waaruit alle volgende

zouden zijn voortgesproten. Want die volgende toestanden zouden er

dan reeds vroeger hebben moeten zijn, tenzij men gelieft aan te

nemen, dat die eerste toestand eerst op een bepaald oogenblik

begonnen heeft causaal te werken; maar dan zou er op dat oogenblik

iets veranderd moeten zijn, waardoor die eerste toestand ophield te

rusten; welnu, als er een verandering is bijgekomen, dan moeten we

naar haar oorzaak, naar de daaraan voorafgaande verandering vragen,

en zoo zijn wij weder op de ladder der oorzaken aangeland en worden

door de onverbiddelijke wet der causaliteit voortgezweept om hooger

en hooger te klimmen, steeds hooger, tot in het oneindige. De wet

der causaliteit laat zich niet gebruiken als een fiaker, dien men,

aangekomen waar men wil zijn, naar huis zendt. Zij gelijkt veeleer

op den bezem, die, door Goethe’s tooverleerling bezield en aan het

werk gezet, niet meer ophoudt te loopen en te vegen, zoodat de oude

heksenmeester er zelf bij moet komen om hem tot rust te brengen.

Helaas de heeren professoren, die er verlegen mee zitten, dat Kant aan

hun dierbaar kosmologisch bewijs (alles wat bestaat heeft een oorzaak,

de wereld bestaat, dus heeft de wereld een oorzaak) den doodsteek heeft

toegebracht, zijn geen heksenmeesters. Zij hebben dus een slimmen

streek bedacht. „Vriend”, hebben zij tot het kosmologisch bewijs

gezegd, „het staat slecht met u, zeer slecht, sedert uwe noodlottige

ontmoeting met den ouden dwarskop uit Koningsbergen; even slecht als

met uwe broeders, het ontologisch en het physikotheologisch. Maar

troost u, wij verlaten u daarom niet; ge weet, we worden er voor

betaald; toch moet ge, het kan niet anders, van naam en kleeding

verwisselen; want noemen we u bij uw echten naam, dan loopt alles weg.

Inkognito nemen we u onder den arm en brengen u weder onder de

menschen; enkel, zooals ge hoort, inkognito; zoo gaat het! Wij spreken

voortaan van het „absolute”, dat klinkt vreemd, fatsoenlijk en

voornaam; en hoeveel men met voornaam-doen bij de Duitschers kan

uitrichten, weten wij het allerbest; wat gemeend wordt, verstaat toch

ieder en houdt zich nog op den koop toe daarbij voor wijs. Zonder

syllogismen en praemissen treedt gij als een man van weinig woorden

fier en driest op en zijt met één sprong aan het doel. „Het absolute”,

schreeuwt gij, en wij met u, „dat moet er toch om den duivel zijn:

anders ware er volstrekt niets”. Hierbij slaat ge op de tafel. Vanwaar

echter het absolute? Domme vraag! Heb ik niet gezegd: „het

absolute”?—Werkelijk, het gaat! De Duitschers zijn gewoon woorden in

plaats van begrippen aan te nemen; daartoe worden zij, van kindsbeen

af, door ons gedresseerd; let maar op de „Hegelei”; wat is zij anders

dan holle, leege, daarbij misselijke woordenkraam? En toch, hoe

schitterend was de carrière van dat philosophisch minister-creatuur! Er

waren enkel eenige veile gezellen noodig om den roem van het slechte

uit te bazuinen en hun stem vond in den hollen schedel van duizend

domkoppen een nog op dit oogenblik naklinkende en zich voortplantende

echo: zie, zoo werd er uit een gemeenen kwakzalver een groote wijsgeer

gemaakt. Dus moed gevat! Daarenboven helpen wij u nog op andere wijze;

wij kunnen toch zonder u niet leven!

„Heeft de oude Koningsberger de rede gekritiseerd en haar de vleugels

gekortwiekt; goed! dan vinden wij een nieuwe rede uit, van welke tot

dusverre geen mensch iets gehoord had, een rede, welke niet denkt, maar

onmiddellijk aanschouwt, ideeën (een voornáam woord tot mystificatie

geschapen) aanschouwt; of ook ze verneemt, onmiddellijk verneemt, wat

gij en anderen eerst bewijzen wilden; of ook ze donker beseft, als men

het met weinig voor lief wil nemen en niet veel wil toegeven. Vroeg

ingeprente volksbegrippen geven we zoo voor rechtstreeksche ingevingen

van deze, onze nieuwe rede uit, voor ingevingen uit den hooge. De oude

rede, die degradeeren wij, noemen wij voortaan verstand en laten haar

kuieren. En het ware, eigenlijke verstand? Wat, in alle wereld, gaat

ons het ware, eigenlijke verstand aan? Gij lacht ongeloovig; maar wij

kennen ons publiek en de studenten, die wij op de banken voor ons

hebben. Reeds Baco heeft gezegd: „Op universiteiten leeren de jonge

mannen gelooven”. Van ons kunnen ze iets rechts leeren! Wij hebben een

goeden voorraad van geloofsartikelen”.

Uit de wet der causaliteit vloeien twee gewichtige nevenstellingen

voort: namelijk de wet der traagheid en die van het voortduren der

stof. De eerste zegt, dat iedere toestand, dus zoowel de rust van een

lichaam als ook zijn beweging, van welken aard ook, onveranderd,

onverminderd, onvermeerderd voortduren, den eindeloozen tijd door

aanhouden moet, tenzij er een oorzaak bijkomt, welke verandering teweeg

brengt.—De tweede wet, welke de materie als eeuwigdurend doet kennen,

volgt daaruit, dat de wet der causaliteit slechts op de toestanden der

dingen, dus op hun rust, beweging, vorm, kwaliteit betrekking heeft,

het ontstaan en vergaan dier toestanden in den tijd beheerscht; niet op

het bestaan van den drager dier toestanden, aan welken men, juist om

aan te duiden dat er bij hem van ontstaan en vergaan geen sprake kan

zijn, de naam substantie heeft gegeven. De stof blijft: d.w.z. zij kan

noch ontstaan noch vergaan, dus de in de wereld voorhanden hoeveelheid

is niet aan vermeerdering, evenmin aan vermindering onderhevig. Dat we

dit a priori weten, blijkt uit de onwrikbare zekerheid, waarmede ieder,

die een gegeven lichaam, hetzij door goochelaarskunsten, hetzij door

verdeeling, verbranding, vervluchtiging, of op welke manier ook heeft

zien verdwijnen, er nochtans vast van overtuigd is, dat, wat er ook uit

den vorm van het lichaam geworden moge zijn, de substantie, dat is de

materie ervan, onverminderd ergens aan te treffen moet zijn. De

zekerheid, waarmede wij dit bij voorbaat vaststellen, vloeit daaruit

voort, dat het ons verstand aan een middel om ontstaan of vergaan der

materie te denken, volstrekt hapert. Immers de wet der causaliteit,

welke de eenige vorm is waaronder wij veranderingen kunnen denken,

geldt enkel voor de toestanden der lichamen, niet voor het bestaan van

den drager van alle toestanden, de materie. Daarom noem ik de

grondstelling van het voortduren der stof een korollarium, d.i. een

nevenstelling van de causaliteitswet. De overtuiging van het

voortbestaan der stof kunnen we nooit door ervaring verworven hebben;

in de meeste gevallen zou het ons onmogelijk zijn empirisch vast te

stellen dat er niets verloren of bijgekomen is; daarenboven staat

iedere empirische, door generalisatie verkregen kundigheid niet

onvoorwaardelijk vast, maar is zij slechts bij benadering zeker, dus

onzeker. Onze overtuiging betreffende de geldigheid van die

grondstelling heeft dan ook een geheel ander karakter dan die van een

empirische natuurwet. Zoo kan men de vraag opwerpen, of er ook tusschen

lichamen, die door een volstrekt ledig van elkander gescheiden zijn,

gravitatie zou bestaan, met andere woorden, of er voor de gravitatie

niet een medium, als b.v. de æther, vereischt wordt. Dat overigens

substantie eenvoudig hetzelfde als materie is, blijkt daaruit, dat we

het begrip substantie enkel op materie kunnen toepassen.

Dus niet op zieleleven? Behooren wenschen, gedachten,

gewaarwordingen, bij welke het onzin zou zijn van gestalte en

uitgebreidheid te droomen, niet in een geheel andere sfeer thuis

dan steenen, boomen, dieren? Wordt er voor de psychische

toestanden, welke toch ook afwisselen, evengoed ontstaan en

verdwijnen als bloemen, geen blijvend substraat vereischt? Jawel,

maar Schopenhauer meent ook voor die onstoffelijke veranderingen

geen ander duurzaam wezen dan de materie te behoeven. Hij verwerpt

de leer, dat er twee soorten van wezens, lichamen en zielen, zouden

zijn. Hij ontdekt in het heelal enkel lichamen. Toch is hij een fel

antimaterialist. Hoe is dat mogelijk? De oplossing van het raadsel

is eenvoudig deze, dat volgens Schopenhauer het stoffelijk heelal

niet buiten het bewustzijn bestaat, maar er enkel is voor en door

het intellekt. Hij zegt:

Men moet van alle goden verlaten zijn om den waan te koesteren, dat de

aanschouwelijke wereld daarbuiten, zooals zij de ruimte in hare drie

afmetingen vult, zich in den tijd voortbeweegt en bij iedere schrede

door de onkreukbare wet der causaliteit wordt beheerscht, in al deze

opzichten evenwel enkel de wetten volgt, welke wij, onafhankelijk van

alle ervaring, kunnen aangeven,—dat een zoodanige wereld, zonder ons

toedoen en als zelfstandige werkelijkheid, voorhanden zou zijn, om

vervolgens door de zinnelijke gewaarwording ons brein binnen te dringen

en aldaar nu nog eens, als beeld, op dezelfde wijze als daarbuiten, te

bestaan. Wat een armelijk ding is toch de zinnelijke gewaarwording op

zichzelve! Zelfs bij de edelste zintuigen is zij niets meer dan een

voorbijgaand binnen de grenzen van haar soort voor eenige afwisseling

vatbaar, doch op zichzelf steeds individueel gevoel, dat als zoodanig

niets objektiefs, niets wat naar een aanschouwing zweemt kan

behelzen... De gewaarwording kan aangenaam of onaangenaam zijn, dus in

een bepaalde verhouding tot ons willen staan, maar de verwijzing naar

een ding ligt nooit in haar opgesloten. Ook komen veranderingen op het

gebied der gewaarwording enkel in den vorm van den innerlijken zin, dus

in den tijd, als elkander opvolgende, tot het bewustzijn. Eerst wanneer

het verstand, een functie van het zoo kunstig en vreemd gebouwde, drie

tot vijf pond wegende lichaamsdeel, dat wij hersenen noemen, aanvangt

te werken en zijn eenigen vorm, de wet der causaliteit, in toepassing

brengt, grijpt er een machtige verandering plaats, daar dan uit de

subjektieve gewaarwording de objektieve aanschouwing wordt geboren. Het

verstand namelijk vat, vóór alle ervaring (want deze is tot dusverre

nog niet mogelijk) de gegeven gewaarwording als een werking op, die als

zoodanig noodwendig een oorzaak moet hebben. Tegelijkertijd plaatst het

verstand die oorzaak in den vorm van den uitwendigen zin, dus in de

ruimte: zoo eerst ontstaat het buiten-elkander der verschillende

objekten, tot welke ook ons eigen lichaam behoort; zoo is dus de

aanschouwing a priori der ruimte de grondslag der empirische

aanschouwing. Bij deze verrichting neemt het verstand alle, zelfs de

fijnste data der aanwezige gewaarwording te hulp om dienovereenkomstig

de oorzaak der gewaarwording in de ruimte te construeeren... Het

verstand heeft dus de wereld der objekten het eerst te scheppen:

onmogelijk kan die wereld, als ware zij reeds kant en klaar, door de

zinnen ons brein binnenwandelen. De zinnen leveren niets anders dan

licht, geluid, geur enz., met andere woorden de ruwe stof, welke

allereerst door het verstand, met behulp van de drie vormen van ruimte,

tijd en causaliteit, tot de objektieve opvatting van een wettelijk

geregelde, stoffelijke wereld wordt omgewerkt.

In den dienst der objektieve aanschouwing staan eigenlijk slechts twee

zinnen: het tastgevoel en het gezicht. Zij alleen leveren de data, op

welker grondslag het verstand de objektieve wereld laat ontstaan. De

overige drie zinnen blijven in de hoofdzaak subjektief; hunne

gewaarwordingen wijzen wel naar een uiterlijke oorzaak, maar behelzen

geen data, welke tot het vaststellen van ruimtebetrekkingen kunnen

dienen. Die drie zinnen kunnen ons de aanwezigheid van voorwerpen in de

ruimte aankondigen, wanneer deze ons reeds van elders bekend zijn, maar

hunne data zijn op zichzelve niet voldoende om tot een constructie in

de ruimte, dus tot een objektieve aanschouwing, in staat te stellen.

Uit den reuk kunnen wij nooit de roos construeeren; ook kan een blinde

zijn leven lang muziek hooren zonder van de muzikanten, of van de

instrumenten, of van de trillingen der lucht de geringste objektieve

voorstelling te erlangen. Het gehoor heeft zijn hooge waarde als medium

der taal, waardoor het de zin der rede is, ook als medium van muziek,

dus als eenig middel om samengestelde getalsverhoudingen niet maar in

het afgetrokkene, doch onmiddellijk, dus op konkrete wijze, op te

vatten. Maar de toon verwijst nooit naar ruimtebetrekkingen, verraadt

ons niet hoe het met zijn oorzaak geschapen staat, hij brengt ons niet

verder en is dus geen datum voor het verstand, dat de objektieve wereld

opbouwt. Dat zijn alleen de gewaarwordingen van den tastzin en het

gezicht. Toch is wat tastzin en gezicht ons leveren nog geenszins

aanschouwing, maar enkel de ruwe stof er toe; in de gewaarwordingen van

deze zinnen ligt zoo weinig de aanschouwing opgesloten, dat die

gewaarwordingen veeleer volstrekt geen overeenkomst hebben met de

eigenschappen der dingen, die door hare bemiddeling zich aan ons

openbaren. Om dat in te zien moet men wat werkelijk aan de

gewaarwording eigen is, duidelijk afscheiden van wat er bij de

aanschouwing door het intellekt aan wordt toegevoegd. Dit is

aanvankelijk zwaar; immers wij zijn er zoozeer aan gewend van de

gewaarwording oogenblikkelijk tot hare oorzaak over te gaan, dat we

verzuimen op de gewaarwording zelve, welke hier als het ware de præmis

tot een gevolgtrekking van het verstand levert, behoorlijk acht te

geven.

Als een blindgeborene een kubus betast, dan is er niets in zijne

gewaarwordingen, wat met een kubus overeenkomst vertoont. Maar uit den

gevoelden tegenstand besluit zijn verstand a priori en onbewust tot een

oorzaak er van; uit de bewegingen, welke bij het tasten de armen maken,

terwijl de gewaarwording in de handen dezelfde blijft, construeert hij

in de hem a priori gegeven ruimte de kubieke gestalte van het lichaam.

Bracht hij de voorstelling van een oorzaak en van ruimte niet reeds

mede, zoo zou nooit het successieve gevoel in zijn hand het beeld van

een kubus voor zijn geest doen verrijzen. Laat men door zijn gesloten

hand een koord loopen, zoo zal hij als oorzaak van de wrijving en van

haar duur bij zoodanige houding zijner hand zich een lang

cylindervormig in één richting gelijkvormig voortloopend lichaam

construeeren. Nooit echter zou uit het gevoel in zijne hand de

voorstelling van beweging, dat is van verandering van plaats in den

tijd, kunnen ontstaan. Zijn intellekt moet, vóór alle ervaring, ruimte,

tijd en causaliteit als voorwaarden van waarneming, aan welke het zich

niet kan onttrekken, in zich hebben, om van de alleen empirisch gegeven

gewaarwording over te gaan tot een oorzaak er van en die oorzaak dan

als een zich zóó bewegend lichaam van dien en dien vorm te

construeeren. Hoe groot toch is niet de afstand tusschen gewaarwording

in de hand en voorstelling van oorzakelijkheid, materialiteit en

beweging in de ruimte. De gewaarwording in de hand is, ook bij verschil

van aanraking en positie, iets veel te eenvormigs en te armoedigs, dan

dat het mogelijk ware daaruit de voorstelling van de ruimte met hare

drie afmetingen, die der inwerking van lichamen op elkander, die van

eigenschappen als uitgebreidheid, ondoordringbaarheid, cohaesie,

gestalte, hardheid, weekheid, rust en beweging af te leiden; dat alles

treedt slechts daardoor in ons bewustzijn op, dat in het intellekt zelf

de ruimte als vorm der aanschouwing, de tijd als vorm der verandering

en de wet der causaliteit als regulateur van de intreding van

veranderingen bij voorbaat klaar liggen.

Het aan alle aanschouwing voorafgaande bestaan dier vormen doet het

intellekt zijn wat het is. Uit een physiologisch oogpunt kan men het

intellekt een verrichting der hersenen noemen, welke hare werkzaamheid

evenmin door ervaring behoeven aan te leeren, als de maag het verteren,

of de lever de afscheiding van gal. Slechts zoo is het verklaarbaar,

dat vele blindgeborenen een volledige kennis der ruimtebetrekkingen

erlangen; men denke aan Saunderson, die, schoon van zijn prille jeugd

af blind, nochtans in Cambridge mathesis, optica en astronomie vermocht

te onderwijzen.

Op dezelfde wijze is wat bij het zien de gewaarwording levert, niets

meer dan een veelvoudige aandoening van de retina, met den aanblik van

een palet te vergelijken, waarop velerlei bonte klodders van verven

worden aangetroffen; niets meer dan dit zou in het bewustzijn

overblijven, wanneer men aan hem, die van een uitgebreid en rijk

uitzicht staat te genieten, door verlamming van de hersenen plotseling

het verstand geheel ontnam, terwijl hem nochtans de gewaarwording werd

gelaten; want dit was de ruwe stof, waaruit vroeger zijn verstand die

aanschouwing schiep.

Uit het voorafgaande volgt, dat de zinnen slechts de handlangers zijn,

die aan het verstand, aan den kunstenaar in ons, geroepen om het werk

te verrichten, het daartoe vereischte materiaal leveren. Het verstand

past daarbij de wet der causaliteit toe, welke natuurlijk niet uit

aanschouwing der wereld geput kan zijn, daar juist door die toepassing

de wereld geboren wordt.

Wij vinden derhalve alle elementen der empirische aanschouwing in ons

aanwezig en niets is daarin vervat, wat zou kunnen heenwijzen naar een

van ons verschillende en op eigen voeten staande werkelijkheid. Ook

moet dit overwogen worden: onder het begrip der materie denken we wat

van de lichamen overblijft, wanneer we ze van hun vorm en van alle

specifieke kwaliteiten ontdoen, dus datgene wat bij alle lichamen één

en hetzelfde moet zijn. Die door ons weggedachte vormen en kwaliteiten

vertegenwoordigen juist de bijzondere en zeer bepaalde werkingswijzen

der lichamen, welke hunne verscheidenheid uitmaken. Dus is, wanneer we

daarvan afzien, het dan nog overblijvende eenvoudig werkzaamheid in het

algemeen, werken als zoodanig, de causaliteit zelve, objektief gedacht,

de weerglans van ons eigen verstand, het naar buiten uitgestraalde

beeld van zijn eenige verrichting; de materie is geheel en al

uitsluitend causaliteit, haar wezen is haar werken.

Om die reden kan op de materie zelve de wet der causaliteit niet worden

toegepast; zij is de causaliteit zelve, objektief opgevat; zij kan hare

macht niet over zich zelve uitoefenen; zoo kan het oog alles zien,

behalve zichzelf. Dit zijn dus de resultaten, waartoe het ware, het

transcendentale idealisme leidt. Tot het ding op zichzelf, tot datgene,

wat er achter de vermomming aanwezig is, kunnen we niet op den weg der

voorstelling geraken; daartoe moeten wij een anderen weg inslaan, die

door het innerlijk der dingen leidt en ons als het ware door verraad de

vesting doen ontsluiten.

Zinnelijke gewaarwordingen zijn dus de uitgangspunten tot de

allereerste toepassing van de causaalwet. Zij zijn noodig voor de

aanschouwing van alle objekten, ons eigen lichaam inkluis. De deelen

van dat lichaam moeten op de zinnen werken; het oog moet dat lichaam

zien, de hand het betasten enz., zullen we in staat zijn ons eigen

lichaam in de ruimte te construeeren. Geen enkel objekt wordt door ons

onmiddellijk, zonder tusschenkomst van gewaarwordingen, gekend.

Natuurlijk besefte Schopenhauer dat vormen als ruimte, tijd,

causaliteit eerst met en aan de materie der kennis tot ons

bewustzijn komen. Enkel de mensch is in staat om die vormen

afzonderlijk te denken en te noemen. Schopenhauer zegt:

Het groote onderscheid tusschen mensch en dier bestaat daarin, dat de

mensch een klasse van voorstellingen heeft, welke het dier mist. Wij

bedoelen die afgetrokken, uit de aanschouwelijke voorstelling door

aftrekking verkregen voorstellingen, welke begrippen heeten. De

handelingen der menschen grijpen met niet minder strenge

noodzakelijkheid plaats, dan die der dieren; doch daar de mensch

begrippen heeft, kan hij zich door een ander soort van beweegredenen

dan het dier laten leiden, namelijk door gedachten; hij kan handelen

met opzet, met overleg, volgens een plan, volgens stelregels in

overeenstemming met anderen enz., in plaats van enkel den impuls op te

volgen, welke door aanschouwelijke, bij de hand zijnde voorwerpen wordt

uitgeoefend. Zoo ontstaat alles, wat het menschelijk leven rijk,

kunstig en verschrikkelijk maakt. De kloof tusschen menschen en dieren

wordt ten slotte zoo breed, dat de mensch zijn broeders, de dieren,

niet meer kent, ze voor iets geheel anders houdt dan hij zelf is en om

zich in dien waan te bevestigen, ze beesten noemt, alle

levensverrichtingen, welke hij met de dieren gemeen heeft, met

schimpnamen aanduidt, de dieren voor rechteloos uitgeeft en zich,

althans hier in het westen, halsstarrig verzet tegen de zich hem

opdringende identiteit van wezen bij mensch en dier.

Toch is het eenig verschil, zooals gezegd, enkel dit, dat de mensch

niet enkel aanschouwelijke, maar ook afgetrokken voorstellingen heeft,

begrippen genaamd, wijl ieder van hen ontelbare dingen onder zich

begrijpt. Men kan de begrippen definieeren als voorstellingen uit

voorstellingen. Bij hunne vorming worden de volledige, dus

aanschouwelijke voorstellingen in hunne bestanddeelen gesplitst, om

deze afzonderlijk, ieder voor zich, te kunnen denken als verschillende

eigenschappen der dingen of als betrekkingen tusschen de dingen.

Wanneer dit plaats grijpt, raken de voorstellingen noodzakelijk haar

karakter van aanschouwelijkheid kwijt, gelijk water, dat in zijn

elementen wordt ontleed, zijn vloeibaarheid verliest. Want iedere

afzonderlijke geabstraheerde eigenschap laat zich wel alleen denken,

maar niet op zichzelve ook alleen aanschouwen. De vorming van een

begrip grijpt op deze wijze plaats, dat men van het aanschouwelijke

veel laat wegvallen, om dan het overblijvende op zichzelf te kunnen

denken: men denkt dus minder dan er aanschouwd werd. Heeft men

verschillende aanschouwelijke voorstellingen de revue laten passeeren,

van ieder dier voorstellingen iets anders doen wegvallen en toch bij

allen hetzelfde overgehouden, dan is dat het genus eener soort.... De

hoogste, de meest algemeene begrippen, zijn natuurlijk de holste en de

armste, ledige hulzen als b.v. zijn, wezen, ding, worden, enz. Men kan

begrijpen, hoe oneindig hol en arm, hoe benauwend vervelend wijsgeerige

stelsels moeten uitvallen, die uit zulke ledige hulzen worden te

voorschijn gesponnen.

Enkel omdat de dieren tot aanschouwelijke voorstelling beperkt zijn,

hebben zij geen taal, zelfs al zijn zij in staat woorden uit te

spreken; ze verstaan enkel eigennamen. Om dezelfde reden lachen de

dieren niet.

Wanneer men een ietwat lange en samenhangende toespraak van een ruw en

onbeschaafd mensch ontleedt, dan vindt men daarin nochtans zulk een

rijkdom van logische vormen, wendingen, onderscheidingen en fijnheden

van iedere soort, behoorlijk door grammatikale buigingen en

konstrukties uitgedrukt, dat men van verbazing de handen ineen slaat en

een zeer uitgebreid en samenhangend weten daarin ontdekt. Die gansche

ontwikkeling rust op den grondslag van aanschouwing en wordt verkregen

door het wezen der aanschouwelijke wereld in afgetrokken begrippen om

te zetten: door de rede, die als onmisbaar hulpmiddel zich daarbij van

de taal bedient, werd het groote werk verricht. Met het aanleeren der

taal komt dus het geheele mechanisme der rede, het wezenlijke der

logica, tot het bewustzijn van het kind. Natuurlijk geschiedt dit niet

zonder groote inspanning des geestes, zonder welwillende

opmerkzaamheid, maar daartoe hebben de kinderen de kracht, want hun

leergierigheid is sterk, wanneer ze het werkelijk bruikbare en

onmisbare tegenover zich zien; slechts dan schijnt die leergierigheid

zwak, als men hun datgene wat hun niet voegt wil opdringen. Dus bij het

aanleeren der taal met hare tal van wendingen en fijnheden, zoowel door

het luisteren naar wat volwassenen zeggen als door zelf te spreken,

erlangt het kind, zelfs al wordt het zeer ruw opgevoed, die ontwikkelde

rede en verwerft het die konkrete logika, welke niet in de kennis der

logische regelen bestaat, maar geschikt maakt om ze onmiddellijk en

rechtstreeks toe te passen; zoo leert een mensch van muzikalen aanleg,

zonder het lezen van noten en zonder generaalbas, door eenvoudig

pianospelen op het gehoor, de regels der harmonie.

Daardoor, dat begrippen minder inhoud hebben dan de voorstellingen,

waaruit ze worden geabstraheerd, zijn ze zoo handig. Zij stellen ons in

staat, om juist dat deel der voorstellingen te gebruiken, dat men op

een gegeven oogenblik noodig heeft, terwijl, wanneer men zich door de

fantasie de volledige voorstellingen moest voor den geest roepen, men

allerlei ballast zou moeten meenemen en gevaar loopen daaronder te

bezwijken. Juist omdat de taal ons veroorlooft overbodig pak weg te

werpen, zijn wij denkende wezens. Dat denken verleent den mensch de

bezonnenheid, welke bij het dier gemist wordt. Zij stelt hem in staat

duizend dingen door een begrip te omvatten en telkens datgene, waarop

het aankomt, zich voor den geest te houden, allerlei verschillen, ook

die van ruimte en tijd, buiten zijn horizon te bannen, zich het

afwezige, het verleden, de toekomst, voor den geest te stellen, terwijl

het dier in ieder opzicht aan het heden gebonden is. Het vermogen om

zich te bezinnen, tot zichzelf te komen, is de wortel van alle

theoretische en praktische verrichtingen, door welke de mensch het dier

overtreft; zoo is hij in staat onder terugblik op het verleden voor de

toekomst te zorgen, opzettelijk, volgens een vast plan, methodisch te

handelen, met velen tot één doel samen te werken, zich aan orde, zich

aan een wet te onderwerpen, in een staat te leven.

Alle denken, in den ruimen zin des woords, alle geesteswerkzaamheid,

heeft òf woorden, òf fantasiebeelden noodig: van beiden verstoken heeft

het geen steun, waarop het rust.

Er zijn waarheden, die wij ontdekken door reflexie, dat is door

zelfonderzoek. Zoo bespeuren wij, dat we niet in strijd met de wet der

contradictie kunnen denken, want iedere poging daartoe mislukt; we

kunnen het evenmin als onze ledematen tegen de richting der gewrichten

in bewegen. Voor zulk een proef hebben we voorstellingen, objekten

noodig en enkel door met deze te experimenteeren ontdekken we de wetten

van het denken. Beproeven we een verandering zonder voorafgaande

oorzaak, of wel een ontstaan, of vergaan van materie te denken, dan

krijgen we het bewustzijn dat het onmogelijk is; de wortel dier

onmogelijkheid is in ons intellekt; anders zouden we haar niet op den

subjektieven weg kunnen ontdekken; maar die onmogelijkheid geldt voor

objekten; door met objekten proeven te nemen wordt zij opgespoord.

Rechtstreeks, zonder behulp van objekten, kan het subjekt zich niet

leeren kennen.

De dieren hebben enkel verstand. De mensch is tevens een redelijk

wezen. Dat de dieren verstand hebben, blijkt daaruit, dat ook zij uit

hunne gewaarwordingen door toepassing van de wet der causaliteit tot

aanschouwing van voorwerpen in de ruimte opklimmen. Maar de mensch, die

in een wereld van begrippen leeft en een sprekend wezen is, dus tot

bezonnenheid en echt menschelijke verrichtingen in staat, is in het

bezit der rede. Zoo heeft men te allen tijde tot dusverre de grens

getrokken, maar in den laatsten tijd hebben de philosofieprofessoren

goed gevonden om in strijd met het spraakgebruik verstand te noemen wat

tot dusverre rede heette en driestweg met den naam van rede een nieuw

door hen uitgedacht vermogen aan te duiden, een vermogen om door een

zich openend venster in een bovennatuurlijke wereld te schouwen en zoo

waarheden betreffende het zoogenaamd absolute, betreffende de Idee in

ontvangst te nemen. Ook schermen ze dan veel op gemoedelijken en

sentimenteelen toon met ideeën, als het goede, het ware, het schoone,

welke op de keper beschouwd slechts zeer ruime en hoogst abstrakte,

immers uit een oneindig getal van dingen en betrekkingen afgetrokken,

dus aan inhoud uiterst arme begrippen zijn.

Kennis kan, volgens Schopenhauer, enkel wat haar vorm betreft, a

priori zijn. Daarentegen moet alle inhoud van kennis uit de

ervaring zijn geput. Vorm van kennis is steeds voorwaarde van

kennis, aan welke het kennend subjekt bij waarneming en denken

gebonden is.

Als de rede een vermogen ware, berekend om kundigheden, ook wat haar

stof betreft, te leveren en dus inzichten te geven aangaande wat de

mogelijkheid van alle ervaring te boven gaat, dan moest er over de

onderwerpen der metaphysica, welke dezelfde zijn als die van den

godsdienst, een even groote overeenstemming onder de menschen

heerschen, als over de onderwerpen der mathesis; het gevolg zou zijn,

dat wanneer iemand er afwijkende inzichten op nahield, hij als niet

recht bij zijn verstand zou worden beschouwd. Maar juist het omgekeerde

grijpt plaats. Sedert de menschen denken, staan overal de philosofische

stelsels ten deele diametraal tegenover elkander; en sedert de menschen

gelooven, wat van nog ouder datum is, bestrijden de godsdiensten

elkander te vuur en te zwaard met vervloekingen en kerkregels. Voor

alleen loopende ketters waren er in den tijd van het levende geloof

geen krankzinnigenhuizen, maar kerkers der inquisitie met wat er bij

behoort. Dus ook hier spreekt de ervaring luide en onloochenbaar tegen

het leugenachtig voorwenden van een rede, die een vermogen tot

onmiddellijke metaphysische kundigheden, of, duidelijker gezegd, tot

ingevingen uit den hooge ware, over welke het dus wel tijd is een

streng gericht te houden; het is afschuwelijk welk een lamme leugentaal

sedert een halve eeuw in Duitschland overal wordt gekolporteerd, jaar

in jaar uit van den katheder naar de studentenbanken en dan weder van

de banken naar den katheder verhuist; ja zelfs in Frankrijk zijn er

thans een paar onnoozele bloeden, die zich het sprookje hebben laten

diets maken en het nu onder hunne landgenooten rondventen; echter zal

de bon sens der Franschen aan de raison transcendentale wel spoedig de

deur wijzen.

Ik moet bekennen, het is niemand minder dan Kant, die met zijn

praktische rede en zijn kategorischen imperatief tot al dat gezwets

aanleiding heeft gegeven. Toen die praktische rede eenmaal was

aangenomen, was er niets meer noodig dan haar een theoretische rede als

tweelingzuster toe te voegen, die eveneens ex tripode bovennatuurlijke

waarheden zou verkondigen... Het is een vloek, die ten gevolge van zijn

verwantschap met het verkeerde en slechte op het geslacht der

tweevoeters drukt, dat van het werk der groote geesten juist de

gebreken het meest bekoren; zij worden geprezen en bewonderd, maar het

werkelijk groote laat men terzijde liggen. Wat diep is in de

philosophie van Kant is slechts aan uiterst weinigen bekend: zijn

geschriften worden enkel ter loops gelezen door lieden, die meenen, dat

eerst na hem het rechte gekomen is; aan hun spreken merkt men dadelijk,

dat zij enkel de schaal, de buitenzijde kennen, een vagen omtrek ervan

mee naar huis hebben genomen, maar nooit in den diepen zin en den geest

zijn doorgedrongen.

Thans is eindelijk een tijdperk ingetreden, dat reeds lang voorspeld

was geworden; de kerk wankelt, wankelt zoo sterk, dat zich vragen laat

of zij ooit haar zwaartepunt zal terugvinden. Het getal van hen, die

een zekere graad en omvang van kundigheden ongeschikt maakt om te

gelooven, is bedenkelijk groot geworden. Daarvan getuigt de algemeene

verbreiding van het platte rationalisme, dat zijn bulhondentronie

steeds breeder maakt. De diepe mysteriën van het christendom, over

welke de eeuwen gebroed en gestreden hebben, worden met een

kleermakersel uitgemeten en veroordeeld. Het hoofddogma van het

christendom, de leer van de erfzonde, is bij de rationalistische

plathoofden een thema van kinderspot geworden, want niets schijnt hun

klaarder en zekerder, dan dat het bestaan van ieder met zijn geboorte

aanvangt en hij dus onmogelijk met schuld beladen op de wereld kan zijn

gekomen. Hoe scherpzinnig!—En gelijk, wanneer verarming en

verwaarloozing gestadig toenemen, de wolven aanvangen zich in het dorp

te vertoonen, zoo verheft onder deze omstandigheden het steeds op de

loer liggende materialisme het hoofd en komt met zijn geleider, het

bestialisme, aan de hand aanwandelen. Met het onvermogen om te gelooven

groeit echter de behoefte aan kennis.

Uren met Schopenhauer · 第 2 / 7 题