Van het vrij aanzienlijk Amerikaansch grondgebied, dat indertijd
door de West-Indische Compagnie onder Nederlandsche heerschappij werd
gebracht, is ons niet veel overgebleven.
Van de reeks eilanden, die als een wijde boog daar, waar de beide
groote vastlanden van Amerika samenkomen, de Caraïbische zee afsluit,
en den naam dragen van de Kleine Antillen, zijn er bijna 5 1/2 in
ons bezit, en wel drie «beneden den wind», in de richting van west
naar oost,--namelijk Aruba, Curaçao en Bonaire,--en «boven den wind»,
van zuid naar noord, St. Eustatius, Saba en een stuk van St. Martin.
Het voornaamste dier eilanden is het in de tweede plaats genoemde
Curaçao, dat reeds twee en eene halve eeuw in ons bezit is. Daar, onder
een gezond doch warm klimaat, door den frisschen zeewind getemperd,
leeft eene arbeidzame inlandsche bevolking, die ondanks de tegenwerking
van een schralen, rotsigen bodem en dikwijls terugkeerend gebrek aan
drinkwater, met behulp van eenigen invoer van de nabijgelegen kust
van Zuid-Amerika, in haar behoeften weet te voorzien; bovendien wordt
er voor den handel vee aangefokt en zout gewonnen. De hoofdplaats,
Willemstad, waar de gouverneur der Nederlandsche Antillen woont,
met een nabijgelegen fort Amsterdam, ziet er echt Hollandsch uit,
en is niet ontbloot van levendigheid; doordien op het gansche eiland
geen invoerrechten worden geheven, is er vrij wat handel.
Maar ons koloniaal bezit in Amerika bepaalt zich niet tot de eilanden
alleen.
Als we ten westen van de Antillen de kust van Zuid-Amerika volgen,
bereiken we spoedig Guiana. Het kustgebied, een grootendeels aangeslibd
land, gevormd door de rivieren, die van het zuidelijk hoogland naar zee
vloeien, doch door de zee aanhoudend bestookt, biedt over het algemeen
geen al te veilig verblijf aan; doch langs de boorden dier stroomen,
waar men de aanvallen van den Oceaan niet behoeft te vreezen, is de
bij uitstek vruchtbare grond ongemeen geschikt om een weelderigen
plantengroei te voorschijn te brengen. Daar hebben zich dan ook meest
de Europeesche kolonisten gevestigd.
Guiana behoort gedeeltelijk aan de westwaarts gelegen republiek
Venezuela, gedeeltelijk aan het keizerrijk Brazilië, dat het ten zuiden
begrenst. Het kustgebied is door twee naar het noorden stroomende
rivieren, de Corentijn en de Marowyne, in drie stukken van nagenoeg
gelijke breedte verdeeld: het middelste heet Suriname en behoort
aan Nederland.
Van dat schoone, in den laatsten tijd niet vooruitgaand gewest,
zullen we eenig denkbeeld trachten te geven. Eerst een woord over
de bevolking.
De oorspronkelijke bewoners, van het Amerikaansche ras, of zoogenaamde
Indianen, hebben zich naar het binnenland teruggetrokken, en leven in
dat bergachtig en boschrijk oord hoofdzakelijk van de jacht. Meestal
noemt men ze Bokken. Voor den arbeid waren zij weinig geschikt,
en daarom hebben eerst de Spaansche veroveraars, daarna hunne
Nederlandsche opvolgers Negers, uit Afrika afkomstig, aan het werk
gezet. Deze waren slaven, geheel aan de willekeur hunner meesters
overgeleverd. Dikwijls gebeurde het, dat een aantal slaven de vlucht
namen, en in de zuidelijke wildernis niet achterhaald konden worden:
zij vormden daar als het ware een nieuwen volksstam, en worden
Boschnegers genoemd.
In 1863 werd de slavernij afgeschaft: nog tien jaren bleven de
slaven onder toezicht, daarna waren zij geheel meester over hun'
persoon. Velen voegden zich bij de boschnegers, anderen bleven op
de cacao- of katoenplantage, of den suikerstaat van hun vroegeren
meester als loonarbeider werken. Maar er is toch groot gebrek aan
werkkrachten, en dat is de voorname reden, waarom Suriname niet
meer voorspoed heeft. De neger is juist geen groote vriend van het
werk: een kleine hoek gronds, met eene heel eenvoudige woning er op,
levert voor zijne geringe behoeften genoeg, en als hij zich dat kan
verschaffen zonder in dienst van een' Europeaan te gaan, blijft hij
liever zijne volle vrijheid genieten. Sinds eenige jaren is er in het
gebrek aan werklieden te gemoet gekomen door Chineesche arbeiders
en door koelies uit Britsch-Indië. Deze worden door tusschenkomst
van het Engelsch bestuur voor vasten tijd aangenomen; de planter die
van hunne diensten gebruik maakt, moet ook zorgen, dat zij kosteloos
terugkeeren naar hun vaderland, of anders, dat zij na verloop van hun'
diensttijd op geschikte voorwaarden in Suriname kunnen achterblijven.
Voegt men nu hierbij de Europeanen, waaronder natuurlijk de
Nederlanders de eerste plaats innemen, dan ziet men wel, dat de
bevolking gemengd genoeg is.
Doch thans laten we een schrijver aan het woord, die van de hoofdstad
der kolonie iets zal vertellen.
Wanneer men met de mailboot uit Europa komende, de Suriname,
eene der hoofdrivieren der kolonie Suriname, opvaart, is het fort
Amsterdam de eerste plaats, waar men door de rood-wit-en-blauwe vlag
gewaar wordt op Nederlandsch grondgebied te zijn gekomen. Indien
men zich dit fort denkt als eene Europeesch versterkte plaats met
veel zichtbaar metselwerk en misschien wel met verscheiden torens,
dan zou men zich een zeer verkeerd denkbeeld er van maken. Daar,
waar de Commewijne in de Suriname vloeit, is in tegenstelling met het
omliggende land, dat met laag geboomte dicht begroeid is, eene opene
ruimte, waar verscheiden houten gebouwen, een seinpaal, eene vlag en
een paar palmboomen te zien zijn, terwijl de vestingwerken niet van
buiten onderscheiden kunnen worden. Van het midden der rivier zijn
zelfs geene schildwachten waar te nemen, en de doodsche kalmte welke
daar heerscht, doet veeleer denken aan een plantage in Zondagsrust,
dan aan een versterkte plaats vanwaar oog gehouden wordt op alles,
wat de kolonie uit- en ingaat. Bij het opstoomen der Suriname vaart
men steeds tusschen vlakke, zooals ik zeide, met laag geboomte dicht
bedekte oevers. Hier en daar komt een rookende schoorsteen van eene
suikerfabriek, of de directeurswoning eener plantage uit het groen
te voorschijn, ten bewijze, dat men in eene bewoonde streek is.
De rivier is vrij breed, en wanneer men op het midden vaart,
zijn de oevers te ver verwijderd om te kunnen onderscheiden aan
bladvorm en stand der boomen en heesters, of men hier te doen heeft
met Europeeschen, dan wel met tropischen plantengroei; en bij het
aanschouwen van dit platte land kan men zich zeer goed voorstellen
op ééne onzer Hollandsche rivieren verplaatst te zijn; de troepen
groene papepaaien en roode flamingo's, die nu en dan over de boot
heenvliegen, zijn de eenige levende bewijzen dat wij in eene andere
luchtstreek zijn.
Een uur stoomens van haren mond, waar de Suriname een grooten bocht
maakt, ligt op vlak terrein de stad Paramaribo. Van de rivier af
bespeurt men weinig van de eigenlijke stad, daar langs den waterkant
slechts pakhuizen en steigers en werven te zien zijn. Ik had mij
van de ligging van Paramaribo dus ook niet heel veel voorgesteld
en was zeer verrast, toen ik de stad voor 't eerst in 't oog
kreeg. De gouverneurswoning, half verscholen achter tamarindeboomen
en van de rivier door een park gescheiden, het torentje van de
gouvernementsgebouwen, eene reeks witgeschilderde huizen van een
of twee verdiepingen die, hier en daar verborgen achter zoogenaamde
amandelboomen (alleen dus geheeten wegens zekere overeenkomst van de
pitten der vrucht met die van den Europeeschen boom van dien naam),
de geheele bocht der Suriname langs stonden, het wachtschip en de
enkele koopvaardijschepen, die met de Hollandsche en Engelsche vlag
in top op de rivier verspreid lagen, maakten een' indruk, zooals ik
dien niet had verwacht.
Die, welken men bij nadere kennismaking van de stad ontvangt, is
echter veel minder gunstig. Daar zij gedeeltelijk op eene schelpbank,
gedeeltelijk op zandgrond is gebouwd, doen de ongeplaveide wegen aan
een Hollandsch zeedorp denken. De stad is zeer ruim aangelegd met
flinke, breede straten, maar alles is slecht onderhouden. Met enkele
uitzonderingen zijn er voor het afloopen van het regenwater langs de
huizen slechts greppels gegraven; de grond dien men daaruit gedolven
heeft ligt aan den kant en is begroeid met allerhande onkruid; aan
beide zijden der straat zijn tusschen de huizen en deze greppels,
voetpaden; en de overige ruimte, voor zoover die niet ingenomen
wordt voor de passage van rijtuigen, die zeer schaarsch zijn, is
dicht met gras begroeid, zoodat de wegen hier en daar meer doen
denken aan eene gemeenteweide dan aan eene stadsstraat. De huizen,
met enkele uitzonderingen van hout gebouwd, zijn over 't algemeen zeer
verveloos, ja soms zóó, dat men niet kan gelooven, dat zij ooit met
een' verf kwast in aanraking zijn geweest. Bijna alle rusten op min of
meer boven den grond uitstekende pilaren of geheele fundeeringen van
baksteen, hier en daar ziet men balkons en veranda's, en de meeste
huizen, zelfs in de achterbuurten, kunnen zich beroemen op meer of
minder hooge trapstoepen, soms met, soms zonder leuning. Zouden de
vroegere bewoners der kolonie bij het bouwen dezer stoepen soms aan de
grachten der hoofdstad van het moederland gedacht hebben? Buitendien
staan in de meeste straten de huizen geheel naast elkander, enkele
malen slechts door eene schutting gescheiden; dit alles samen genomen
geeft een steedsch voorkomen, waardoor de toestand der wegen, iets
wat bij ons alleen in arme, verwaarloosde dorpen voor kan komen,
zooveel te meer in 't oog valt.
Beneden in de huizen vindt men in plaats van glasvensters slechts
de gewone venster-openingen door groene luiken gesloten, terwijl
buitendien meer binnenwaarts heele of halve jaloezieën zijn
aangebracht, om zoo noodig de zonnestralen te kunnen buitensluiten
of onbescheiden blikken te weren. Op de verdiepingen zijn gewoonlijk
glazen schuiframen van buiten voorzien van halve jaloezieën, ter
hoogte van de onderste ruiten. Deze schuiframen, die van boven
niet kunnen geopend worden, zeer ondoelmatig in een klimaat waar
luchtverversching meer dan elders vereischte is, zijn zeker ook een
herinnering aan onze Hollandsche vensters, door de eerste bewoners
ingevoerd en oudergewoonte steeds behouden. De meeste huizen komen
aan den achterkant op een' tuin of eene plaats uit, waar men een
aantal kleine woningen vindt, die aan arbeiders verhuurd worden en
waarschijnlijk nog een overblijfsel zijn uit den slaventijd, toen
ieder gezeten burger ter bediening een vrij aanzienlijk getal slaven
moest huisvesten en onderhouden.
De stad heeft ongeveer 23,000 inwoners en beslaat toch, naar men
mij verzekert, eene bijna even groote oppervlakte als Den Haag. Als
middelpunt kan men dat gedeelte van Paramaribo aannemen, waar
de gouvernementsgebouwen staan. De gouverneurswoning ziet onder
eene prachtige dubbele tamarindenlaan over eene grasvlakte op de
rivier uit. Rechts daarvan zijn de gouvernements-secretarie en het
gerechtshof, twee steenen gebouwen, terwijl links en aan de rivier
het fort Zeelandia, reeds in 1640 aangelegd, gevonden wordt.
Wanneer men naar telegraaf- en postkantoor zoekt, zal men het eene
niet, het tweede slechts zeer moeilijk vinden. Een telegraaf toch
bestaat er niet; ik durf ten minste een signaalpaal, die op het
fort Zeelandia staat en berichten naar het fort Amsterdam over moet
seinen, dien naam niet geven, hoewel hij hier met dien weidschen naam
bestempeld wordt. Ofschoon er langs de zeekust een telegraafkabel ligt,
welke Demerary met Cayenne verbindt, (Britsch- en Fransch-Guiana,
tusschen welke Suriname of Nederlandsch-Guiana ligt,) is onze kolonie
niet in deze verbinding opgenomen en hier kunnen de telegrammen
dus slechts op maildagen ontvangen en verzonden worden, tenzij er
toevallig eene scheepsgelegenheid voorkomen mocht.
Het postkantoor is een klein onaanzienlijk gebouwtje. Eenige malen per
maand is daar vol leven en beweging; drie maal bij het vertrek der
mail naar Europa en even dikwijls wanneer zij de brieven uit Europa
aanbrengt. Twee uur nadat het schot, op het fort Zeelandia gelost,
de aankomst der mail gemeld heeft, kan ieder zijne brieven komen
afhalen; bezorgd worden zij alleen, nadat zij een paar dagen op het
kantoor gelegen hebben, en ieder is te verlangend om het nieuws,
dat hier zoo zeldzaam komt, te weten te komen om niet zoo spoedig
mogelijk zijn deel in ontvangt te gaan nemen.
De overige openbare gebouwen zijn spoedig genoemd; hun aantal is niet
groot en bestaat voornamelijk uit de bedehuizen der verschillende
godsdienstige gezindten: Hervormden, Lutherschen, Hernhutters,
Roomschen en Joden, in welke de bevolking zich splitst; vooral de kerk
der Portugeesche Joden steekt door hare netheid en haar smaakvollen
tuin gunstig af bij de omliggende huizen. Achter de gebouwen van het
oude Ziekenhuis in de Gravenstraat staat het nieuwe Hospitaal in een
ruimen tuin. In een verveloos gebouw, dat mij als Schouwburg werd
aangewezen, worden van tijd tot tijd voorstellingen gegeven.
Toen ik eenige dagen in de stad geweest was, begon ik eenigszins gewend
te raken aan den verwaarloosden toestand van straten en huizen, en
maakte het geheel niet meer zulk een onaangenamen indruk op mij, als
toen ik voor 't eerst voet aan wal zette. Maar al is het voor 't oog
niet bekoorlijk, dat straten en pleinen met gras en bloemen en boomen
als bedekt zijn, alles te zamen genomen herinnert het mij toch meer
aan eene stad in verval dan aan de hoofdstad eener kolonie, die zoo
rijk zou kunnen zijn. Op reis hierheen werd Suriname mij meermalen door
verscheidene niet-Nederlanders als eene der vruchtbaarste streken van
West-Indië genoemd, en waarlijk men behoeft slechts even een kijkje te
nemen, om door dien weelderigen plantengroei overtuigd te worden welke
schatten hier nog te verkrijgen zijn. Maar des te meer is het daarom
te betreuren en te verwonderen, dat in uiterlijke welvaart Paramaribo
zoo zeer achterstaat bij enkele steden van Britsch West-Indië.
Eene bijzondere merkwaardigheid biedt de nieuwe wijk aan, die in het
westelijkste deel der stad ligt en het «Plein van 12 Mei» heet. In
1874 werd op dien dag het 25jarig gedenkfeest van de regeering van
Neerlands koning gevierd, en de gouverneur had, om die gebeurtenis te
herdenken, prijzen uitgeloofd aan de negerwerklieden, die het meest
zouden uitmunten in het aanleggen der wegen en het graven der slooten
van bedoelde voorstad. Deze werd op den dag zelf met groote praal en
plechtigheid en met uitreiking van belooningen door den gouverneur
in persoon geopend en tegelijkertijd afgestaan aan de tegenwoordige
bewoners, vrije en welvarende lieden, die er hunne hutten en tuinen
netjes onderhouden.