33. In de hoofdstad van «onze West».

Van het vrij aanzienlijk Amerikaansch grondgebied, dat indertijd

door de West-Indische Compagnie onder Nederlandsche heerschappij werd

gebracht, is ons niet veel overgebleven.

Van de reeks eilanden, die als een wijde boog daar, waar de beide

groote vastlanden van Amerika samenkomen, de Caraïbische zee afsluit,

en den naam dragen van de Kleine Antillen, zijn er bijna 5 1/2 in

ons bezit, en wel drie «beneden den wind», in de richting van west

naar oost,--namelijk Aruba, Curaçao en Bonaire,--en «boven den wind»,

van zuid naar noord, St. Eustatius, Saba en een stuk van St. Martin.

Het voornaamste dier eilanden is het in de tweede plaats genoemde

Curaçao, dat reeds twee en eene halve eeuw in ons bezit is. Daar, onder

een gezond doch warm klimaat, door den frisschen zeewind getemperd,

leeft eene arbeidzame inlandsche bevolking, die ondanks de tegenwerking

van een schralen, rotsigen bodem en dikwijls terugkeerend gebrek aan

drinkwater, met behulp van eenigen invoer van de nabijgelegen kust

van Zuid-Amerika, in haar behoeften weet te voorzien; bovendien wordt

er voor den handel vee aangefokt en zout gewonnen. De hoofdplaats,

Willemstad, waar de gouverneur der Nederlandsche Antillen woont,

met een nabijgelegen fort Amsterdam, ziet er echt Hollandsch uit,

en is niet ontbloot van levendigheid; doordien op het gansche eiland

geen invoerrechten worden geheven, is er vrij wat handel.

Maar ons koloniaal bezit in Amerika bepaalt zich niet tot de eilanden

alleen.

Als we ten westen van de Antillen de kust van Zuid-Amerika volgen,

bereiken we spoedig Guiana. Het kustgebied, een grootendeels aangeslibd

land, gevormd door de rivieren, die van het zuidelijk hoogland naar zee

vloeien, doch door de zee aanhoudend bestookt, biedt over het algemeen

geen al te veilig verblijf aan; doch langs de boorden dier stroomen,

waar men de aanvallen van den Oceaan niet behoeft te vreezen, is de

bij uitstek vruchtbare grond ongemeen geschikt om een weelderigen

plantengroei te voorschijn te brengen. Daar hebben zich dan ook meest

de Europeesche kolonisten gevestigd.

Guiana behoort gedeeltelijk aan de westwaarts gelegen republiek

Venezuela, gedeeltelijk aan het keizerrijk Brazilië, dat het ten zuiden

begrenst. Het kustgebied is door twee naar het noorden stroomende

rivieren, de Corentijn en de Marowyne, in drie stukken van nagenoeg

gelijke breedte verdeeld: het middelste heet Suriname en behoort

aan Nederland.

Van dat schoone, in den laatsten tijd niet vooruitgaand gewest,

zullen we eenig denkbeeld trachten te geven. Eerst een woord over

de bevolking.

De oorspronkelijke bewoners, van het Amerikaansche ras, of zoogenaamde

Indianen, hebben zich naar het binnenland teruggetrokken, en leven in

dat bergachtig en boschrijk oord hoofdzakelijk van de jacht. Meestal

noemt men ze Bokken. Voor den arbeid waren zij weinig geschikt,

en daarom hebben eerst de Spaansche veroveraars, daarna hunne

Nederlandsche opvolgers Negers, uit Afrika afkomstig, aan het werk

gezet. Deze waren slaven, geheel aan de willekeur hunner meesters

overgeleverd. Dikwijls gebeurde het, dat een aantal slaven de vlucht

namen, en in de zuidelijke wildernis niet achterhaald konden worden:

zij vormden daar als het ware een nieuwen volksstam, en worden

Boschnegers genoemd.

In 1863 werd de slavernij afgeschaft: nog tien jaren bleven de

slaven onder toezicht, daarna waren zij geheel meester over hun'

persoon. Velen voegden zich bij de boschnegers, anderen bleven op

de cacao- of katoenplantage, of den suikerstaat van hun vroegeren

meester als loonarbeider werken. Maar er is toch groot gebrek aan

werkkrachten, en dat is de voorname reden, waarom Suriname niet

meer voorspoed heeft. De neger is juist geen groote vriend van het

werk: een kleine hoek gronds, met eene heel eenvoudige woning er op,

levert voor zijne geringe behoeften genoeg, en als hij zich dat kan

verschaffen zonder in dienst van een' Europeaan te gaan, blijft hij

liever zijne volle vrijheid genieten. Sinds eenige jaren is er in het

gebrek aan werklieden te gemoet gekomen door Chineesche arbeiders

en door koelies uit Britsch-Indië. Deze worden door tusschenkomst

van het Engelsch bestuur voor vasten tijd aangenomen; de planter die

van hunne diensten gebruik maakt, moet ook zorgen, dat zij kosteloos

terugkeeren naar hun vaderland, of anders, dat zij na verloop van hun'

diensttijd op geschikte voorwaarden in Suriname kunnen achterblijven.

Voegt men nu hierbij de Europeanen, waaronder natuurlijk de

Nederlanders de eerste plaats innemen, dan ziet men wel, dat de

bevolking gemengd genoeg is.

Doch thans laten we een schrijver aan het woord, die van de hoofdstad

der kolonie iets zal vertellen.

Wanneer men met de mailboot uit Europa komende, de Suriname,

eene der hoofdrivieren der kolonie Suriname, opvaart, is het fort

Amsterdam de eerste plaats, waar men door de rood-wit-en-blauwe vlag

gewaar wordt op Nederlandsch grondgebied te zijn gekomen. Indien

men zich dit fort denkt als eene Europeesch versterkte plaats met

veel zichtbaar metselwerk en misschien wel met verscheiden torens,

dan zou men zich een zeer verkeerd denkbeeld er van maken. Daar,

waar de Commewijne in de Suriname vloeit, is in tegenstelling met het

omliggende land, dat met laag geboomte dicht begroeid is, eene opene

ruimte, waar verscheiden houten gebouwen, een seinpaal, eene vlag en

een paar palmboomen te zien zijn, terwijl de vestingwerken niet van

buiten onderscheiden kunnen worden. Van het midden der rivier zijn

zelfs geene schildwachten waar te nemen, en de doodsche kalmte welke

daar heerscht, doet veeleer denken aan een plantage in Zondagsrust,

dan aan een versterkte plaats vanwaar oog gehouden wordt op alles,

wat de kolonie uit- en ingaat. Bij het opstoomen der Suriname vaart

men steeds tusschen vlakke, zooals ik zeide, met laag geboomte dicht

bedekte oevers. Hier en daar komt een rookende schoorsteen van eene

suikerfabriek, of de directeurswoning eener plantage uit het groen

te voorschijn, ten bewijze, dat men in eene bewoonde streek is.

De rivier is vrij breed, en wanneer men op het midden vaart,

zijn de oevers te ver verwijderd om te kunnen onderscheiden aan

bladvorm en stand der boomen en heesters, of men hier te doen heeft

met Europeeschen, dan wel met tropischen plantengroei; en bij het

aanschouwen van dit platte land kan men zich zeer goed voorstellen

op ééne onzer Hollandsche rivieren verplaatst te zijn; de troepen

groene papepaaien en roode flamingo's, die nu en dan over de boot

heenvliegen, zijn de eenige levende bewijzen dat wij in eene andere

luchtstreek zijn.

Een uur stoomens van haren mond, waar de Suriname een grooten bocht

maakt, ligt op vlak terrein de stad Paramaribo. Van de rivier af

bespeurt men weinig van de eigenlijke stad, daar langs den waterkant

slechts pakhuizen en steigers en werven te zien zijn. Ik had mij

van de ligging van Paramaribo dus ook niet heel veel voorgesteld

en was zeer verrast, toen ik de stad voor 't eerst in 't oog

kreeg. De gouverneurswoning, half verscholen achter tamarindeboomen

en van de rivier door een park gescheiden, het torentje van de

gouvernementsgebouwen, eene reeks witgeschilderde huizen van een

of twee verdiepingen die, hier en daar verborgen achter zoogenaamde

amandelboomen (alleen dus geheeten wegens zekere overeenkomst van de

pitten der vrucht met die van den Europeeschen boom van dien naam),

de geheele bocht der Suriname langs stonden, het wachtschip en de

enkele koopvaardijschepen, die met de Hollandsche en Engelsche vlag

in top op de rivier verspreid lagen, maakten een' indruk, zooals ik

dien niet had verwacht.

Die, welken men bij nadere kennismaking van de stad ontvangt, is

echter veel minder gunstig. Daar zij gedeeltelijk op eene schelpbank,

gedeeltelijk op zandgrond is gebouwd, doen de ongeplaveide wegen aan

een Hollandsch zeedorp denken. De stad is zeer ruim aangelegd met

flinke, breede straten, maar alles is slecht onderhouden. Met enkele

uitzonderingen zijn er voor het afloopen van het regenwater langs de

huizen slechts greppels gegraven; de grond dien men daaruit gedolven

heeft ligt aan den kant en is begroeid met allerhande onkruid; aan

beide zijden der straat zijn tusschen de huizen en deze greppels,

voetpaden; en de overige ruimte, voor zoover die niet ingenomen

wordt voor de passage van rijtuigen, die zeer schaarsch zijn, is

dicht met gras begroeid, zoodat de wegen hier en daar meer doen

denken aan eene gemeenteweide dan aan eene stadsstraat. De huizen,

met enkele uitzonderingen van hout gebouwd, zijn over 't algemeen zeer

verveloos, ja soms zóó, dat men niet kan gelooven, dat zij ooit met

een' verf kwast in aanraking zijn geweest. Bijna alle rusten op min of

meer boven den grond uitstekende pilaren of geheele fundeeringen van

baksteen, hier en daar ziet men balkons en veranda's, en de meeste

huizen, zelfs in de achterbuurten, kunnen zich beroemen op meer of

minder hooge trapstoepen, soms met, soms zonder leuning. Zouden de

vroegere bewoners der kolonie bij het bouwen dezer stoepen soms aan de

grachten der hoofdstad van het moederland gedacht hebben? Buitendien

staan in de meeste straten de huizen geheel naast elkander, enkele

malen slechts door eene schutting gescheiden; dit alles samen genomen

geeft een steedsch voorkomen, waardoor de toestand der wegen, iets

wat bij ons alleen in arme, verwaarloosde dorpen voor kan komen,

zooveel te meer in 't oog valt.

Beneden in de huizen vindt men in plaats van glasvensters slechts

de gewone venster-openingen door groene luiken gesloten, terwijl

buitendien meer binnenwaarts heele of halve jaloezieën zijn

aangebracht, om zoo noodig de zonnestralen te kunnen buitensluiten

of onbescheiden blikken te weren. Op de verdiepingen zijn gewoonlijk

glazen schuiframen van buiten voorzien van halve jaloezieën, ter

hoogte van de onderste ruiten. Deze schuiframen, die van boven

niet kunnen geopend worden, zeer ondoelmatig in een klimaat waar

luchtverversching meer dan elders vereischte is, zijn zeker ook een

herinnering aan onze Hollandsche vensters, door de eerste bewoners

ingevoerd en oudergewoonte steeds behouden. De meeste huizen komen

aan den achterkant op een' tuin of eene plaats uit, waar men een

aantal kleine woningen vindt, die aan arbeiders verhuurd worden en

waarschijnlijk nog een overblijfsel zijn uit den slaventijd, toen

ieder gezeten burger ter bediening een vrij aanzienlijk getal slaven

moest huisvesten en onderhouden.

De stad heeft ongeveer 23,000 inwoners en beslaat toch, naar men

mij verzekert, eene bijna even groote oppervlakte als Den Haag. Als

middelpunt kan men dat gedeelte van Paramaribo aannemen, waar

de gouvernementsgebouwen staan. De gouverneurswoning ziet onder

eene prachtige dubbele tamarindenlaan over eene grasvlakte op de

rivier uit. Rechts daarvan zijn de gouvernements-secretarie en het

gerechtshof, twee steenen gebouwen, terwijl links en aan de rivier

het fort Zeelandia, reeds in 1640 aangelegd, gevonden wordt.

Wanneer men naar telegraaf- en postkantoor zoekt, zal men het eene

niet, het tweede slechts zeer moeilijk vinden. Een telegraaf toch

bestaat er niet; ik durf ten minste een signaalpaal, die op het

fort Zeelandia staat en berichten naar het fort Amsterdam over moet

seinen, dien naam niet geven, hoewel hij hier met dien weidschen naam

bestempeld wordt. Ofschoon er langs de zeekust een telegraafkabel ligt,

welke Demerary met Cayenne verbindt, (Britsch- en Fransch-Guiana,

tusschen welke Suriname of Nederlandsch-Guiana ligt,) is onze kolonie

niet in deze verbinding opgenomen en hier kunnen de telegrammen

dus slechts op maildagen ontvangen en verzonden worden, tenzij er

toevallig eene scheepsgelegenheid voorkomen mocht.

Het postkantoor is een klein onaanzienlijk gebouwtje. Eenige malen per

maand is daar vol leven en beweging; drie maal bij het vertrek der

mail naar Europa en even dikwijls wanneer zij de brieven uit Europa

aanbrengt. Twee uur nadat het schot, op het fort Zeelandia gelost,

de aankomst der mail gemeld heeft, kan ieder zijne brieven komen

afhalen; bezorgd worden zij alleen, nadat zij een paar dagen op het

kantoor gelegen hebben, en ieder is te verlangend om het nieuws,

dat hier zoo zeldzaam komt, te weten te komen om niet zoo spoedig

mogelijk zijn deel in ontvangt te gaan nemen.

De overige openbare gebouwen zijn spoedig genoemd; hun aantal is niet

groot en bestaat voornamelijk uit de bedehuizen der verschillende

godsdienstige gezindten: Hervormden, Lutherschen, Hernhutters,

Roomschen en Joden, in welke de bevolking zich splitst; vooral de kerk

der Portugeesche Joden steekt door hare netheid en haar smaakvollen

tuin gunstig af bij de omliggende huizen. Achter de gebouwen van het

oude Ziekenhuis in de Gravenstraat staat het nieuwe Hospitaal in een

ruimen tuin. In een verveloos gebouw, dat mij als Schouwburg werd

aangewezen, worden van tijd tot tijd voorstellingen gegeven.

Toen ik eenige dagen in de stad geweest was, begon ik eenigszins gewend

te raken aan den verwaarloosden toestand van straten en huizen, en

maakte het geheel niet meer zulk een onaangenamen indruk op mij, als

toen ik voor 't eerst voet aan wal zette. Maar al is het voor 't oog

niet bekoorlijk, dat straten en pleinen met gras en bloemen en boomen

als bedekt zijn, alles te zamen genomen herinnert het mij toch meer

aan eene stad in verval dan aan de hoofdstad eener kolonie, die zoo

rijk zou kunnen zijn. Op reis hierheen werd Suriname mij meermalen door

verscheidene niet-Nederlanders als eene der vruchtbaarste streken van

West-Indië genoemd, en waarlijk men behoeft slechts even een kijkje te

nemen, om door dien weelderigen plantengroei overtuigd te worden welke

schatten hier nog te verkrijgen zijn. Maar des te meer is het daarom

te betreuren en te verwonderen, dat in uiterlijke welvaart Paramaribo

zoo zeer achterstaat bij enkele steden van Britsch West-Indië.

Eene bijzondere merkwaardigheid biedt de nieuwe wijk aan, die in het

westelijkste deel der stad ligt en het «Plein van 12 Mei» heet. In

1874 werd op dien dag het 25jarig gedenkfeest van de regeering van

Neerlands koning gevierd, en de gouverneur had, om die gebeurtenis te

herdenken, prijzen uitgeloofd aan de negerwerklieden, die het meest

zouden uitmunten in het aanleggen der wegen en het graven der slooten

van bedoelde voorstad. Deze werd op den dag zelf met groote praal en

plechtigheid en met uitreiking van belooningen door den gouverneur

in persoon geopend en tegelijkertijd afgestaan aan de tegenwoordige

bewoners, vrije en welvarende lieden, die er hunne hutten en tuinen

netjes onderhouden.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 35 / 38 题