32. De roodhuid op het krijgspad.

Geen Indiaan kan gedwongen worden, aan een' krijgstocht deel te

nemen; hij is altijd vrijwilliger. Wie het krijgsgezang aanheft,

den krijgsdans opvoert en een' troep bijeen brengt, die zich aan hem

aansluit, is aanvoerder. Voordat de bende oprukt, vast zij; in zijn

krijgsgezang verzekert de aanvoerder, dat de geesten in de hoogte zijn'

naam spoedig met roem noemen zullen. Als oorlogsverklaring zendt

men den vijand een rooden gordel of een' bundel in bloed gedoopte

rietstengels toe.

Van de voorzichtigheid, welke de Indiaan in acht nemen moet, om niet

overvallen te worden, kan de Europeeër zich geen begrip vormen. Een

afgebroken tak, het minste spoor van een' voetstap verwekt bezorgdheid

en is van beteekenis; niet minder zijn dat teekens aan den hemel,

vogelvlucht en de droomen van den medicijnman, die den geheiligden

buidel draagt. Des Indiaans voornaamste toeleg is, den vijand

uit eene hinderlaag te verrassen en zonder gevaar voor zichzelf

te vellen. Groote gevechten zijn zeldzaam; het blijft doorgaans

bij schermutselingen en overrompelingen. De roode krijger zoekt

eenige vijanden te dooden en hun dan in allerijl de schedelhuid af

te stroopen, om dan thuis met dit zegeteeken bij den skalpdans te

pronken. De door den kogel of met de strijdbijl gevelde stort neer;

met de eene hand pakt de roodhuid hem bij de haren, dan zet hij hem

de knie op de borst trekt met de andere hand het skalpeermes uit de

scheede, maakt de huid rondom den haarbos los en scheurt dien met de

tanden af. In een paar minuten is dat alles gedaan; de afgetrokken

schedelhuid wordt over een' hoepel uitgespannen, in de zon gedroogd

en met roode oker ingewreven.

Soms bestaat eene krijgsbende slechts uit dertig, twintig, tien en

minder mannen. Eens braken twee Irokeezen op, gingen door Pennsylvanië,

Virginië en nog verder naar 't zuiden, zwierven daar geruimen tijd

rond en kwamen eerst na maanden met skalps beladen bij hun' stam

terug. In werkelijke oorlogen, als een gansch volk tegen een ander

over stond, trokken natuurlijk wel eens kleine legers te velde. De

overwonnenen werden gedood of ook wel bij de zegepralende natie

ingelijfd. Vreeselijk echter was het lot der tot krijgsoffers bestemde

gevangenen. Het schijnt wel, dat de wreedheid, waarmee men deze

folterde en martelde, in een of ander bijgeloof haar' grond had. Zoo

werd in 1848 tusschen de Pawnees, ten westen van den Mississippi, en

de Sioux een bloedige krijg gevoerd. Een veertienjarig Siouxmeisje

was onder de gevangenen. Dit werd noch gedood, noch, gelijk anders

gebruikelijk is, tot slavin gemaakt, maar met de meeste zorgvuldigheid

gevoed en verpleegd. In April, toen zeventig dagen verloopen waren,

hielden de hoofden der Pawnees raad en besloten, de gevangene aan den

geest van het maiskoren te offeren. Men bracht haar in de vergadering

en leidde haar van de eene hut in de andere. Zij moest eenig hout en

allerlei verfstoffen in de hand nemen, waarop krijgers en hoofden

in een' kring om haar gingen zitten. Het meisje bood nu hout en

verven den aanzienlijksten man aan, deze voegde daar, blijkbaar als

offergave, nog eenig hout en verfstof bij en reikte alles aan zijn'

buurman toe, die datzelfde deed. En zoo ging het den geheelen kring

langs. Toen eindelijk leidde men de ongelukkige, die nog niets van

haar lot scheen te vermoeden, naar een stuk weideland. Daarnaast was

een met mais bezaaid veld, waarop eenige boomen stonden. Tusschen

twee daarvan werd van dat opgegaarde offerhout een vuur aangelegd. Het

meisje moest nu op een boven dat vuur aangebracht getimmerte klimmen,

terwijl aan beide zijden een krijger stond en haar met eene vlammende

harsfakkel de huid van het lichaam schroeide. Nadat zij deze marteling

eene poos lang verduurd had, schoot ieder der aanwezige krijgers een'

pijl op haar af. Terstond werd het nog niet ontzielde lichaam nu in

kleine stukken gesneden, waarvan ieder een nam, om met het daaruit

gedrukte bloed het maisveld te besprenkelen. Een blanke was hier

ooggetuige van, maar kon de barbaarsche daad niet verhinderen.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 34 / 38 题