Geen Indiaan kan gedwongen worden, aan een' krijgstocht deel te
nemen; hij is altijd vrijwilliger. Wie het krijgsgezang aanheft,
den krijgsdans opvoert en een' troep bijeen brengt, die zich aan hem
aansluit, is aanvoerder. Voordat de bende oprukt, vast zij; in zijn
krijgsgezang verzekert de aanvoerder, dat de geesten in de hoogte zijn'
naam spoedig met roem noemen zullen. Als oorlogsverklaring zendt
men den vijand een rooden gordel of een' bundel in bloed gedoopte
rietstengels toe.
Van de voorzichtigheid, welke de Indiaan in acht nemen moet, om niet
overvallen te worden, kan de Europeeër zich geen begrip vormen. Een
afgebroken tak, het minste spoor van een' voetstap verwekt bezorgdheid
en is van beteekenis; niet minder zijn dat teekens aan den hemel,
vogelvlucht en de droomen van den medicijnman, die den geheiligden
buidel draagt. Des Indiaans voornaamste toeleg is, den vijand
uit eene hinderlaag te verrassen en zonder gevaar voor zichzelf
te vellen. Groote gevechten zijn zeldzaam; het blijft doorgaans
bij schermutselingen en overrompelingen. De roode krijger zoekt
eenige vijanden te dooden en hun dan in allerijl de schedelhuid af
te stroopen, om dan thuis met dit zegeteeken bij den skalpdans te
pronken. De door den kogel of met de strijdbijl gevelde stort neer;
met de eene hand pakt de roodhuid hem bij de haren, dan zet hij hem
de knie op de borst trekt met de andere hand het skalpeermes uit de
scheede, maakt de huid rondom den haarbos los en scheurt dien met de
tanden af. In een paar minuten is dat alles gedaan; de afgetrokken
schedelhuid wordt over een' hoepel uitgespannen, in de zon gedroogd
en met roode oker ingewreven.
Soms bestaat eene krijgsbende slechts uit dertig, twintig, tien en
minder mannen. Eens braken twee Irokeezen op, gingen door Pennsylvanië,
Virginië en nog verder naar 't zuiden, zwierven daar geruimen tijd
rond en kwamen eerst na maanden met skalps beladen bij hun' stam
terug. In werkelijke oorlogen, als een gansch volk tegen een ander
over stond, trokken natuurlijk wel eens kleine legers te velde. De
overwonnenen werden gedood of ook wel bij de zegepralende natie
ingelijfd. Vreeselijk echter was het lot der tot krijgsoffers bestemde
gevangenen. Het schijnt wel, dat de wreedheid, waarmee men deze
folterde en martelde, in een of ander bijgeloof haar' grond had. Zoo
werd in 1848 tusschen de Pawnees, ten westen van den Mississippi, en
de Sioux een bloedige krijg gevoerd. Een veertienjarig Siouxmeisje
was onder de gevangenen. Dit werd noch gedood, noch, gelijk anders
gebruikelijk is, tot slavin gemaakt, maar met de meeste zorgvuldigheid
gevoed en verpleegd. In April, toen zeventig dagen verloopen waren,
hielden de hoofden der Pawnees raad en besloten, de gevangene aan den
geest van het maiskoren te offeren. Men bracht haar in de vergadering
en leidde haar van de eene hut in de andere. Zij moest eenig hout en
allerlei verfstoffen in de hand nemen, waarop krijgers en hoofden
in een' kring om haar gingen zitten. Het meisje bood nu hout en
verven den aanzienlijksten man aan, deze voegde daar, blijkbaar als
offergave, nog eenig hout en verfstof bij en reikte alles aan zijn'
buurman toe, die datzelfde deed. En zoo ging het den geheelen kring
langs. Toen eindelijk leidde men de ongelukkige, die nog niets van
haar lot scheen te vermoeden, naar een stuk weideland. Daarnaast was
een met mais bezaaid veld, waarop eenige boomen stonden. Tusschen
twee daarvan werd van dat opgegaarde offerhout een vuur aangelegd. Het
meisje moest nu op een boven dat vuur aangebracht getimmerte klimmen,
terwijl aan beide zijden een krijger stond en haar met eene vlammende
harsfakkel de huid van het lichaam schroeide. Nadat zij deze marteling
eene poos lang verduurd had, schoot ieder der aanwezige krijgers een'
pijl op haar af. Terstond werd het nog niet ontzielde lichaam nu in
kleine stukken gesneden, waarvan ieder een nam, om met het daaruit
gedrukte bloed het maisveld te besprenkelen. Een blanke was hier
ooggetuige van, maar kon de barbaarsche daad niet verhinderen.