26. Zuid-Afrika's planten- en dierenwereld.

Zuid-Afrika is omringd door kustgebergten, die zich trapsgewijs tot

eene hoogte van achtduizend voet rondom een binnenland met wijde vlakke

dalkommen en uitgestrekte hooglanden verheffen. Het ergste kwaad,

waarmee dit land te kampen heeft, is het gebrek aan regen. Gewoonlijk

volgt er na vier tot zes jaren een tijd van aanhoudende droogte, die

bij de Negers hongersnood en bij de Europeesche kolonisten althans

zwaar verlies aan vee na zich sleept.

Nadat een jaar door regen gezegend was, heeft het Zuid-Afrikaansche

landschap een geheel ander aanzien, dan als er zoolang droogte

heerschte. Als de wolken den bodem toereikend besproeid

hebben, dan vertoonen zich wijde streken in ware bloemtuinen

herschapen. Zwaardlelies en vele andere bolgewassen staan na weinig

dagen in vollen bloei. Heidekruiden (erica's) in ontelbare soorten,

pelargoniums, geraniums, enz. tooien zich met nieuw blad en ontsluiten

de kleurige bloesems. In de zandstreken schiet zelfs jong gras op en

wordt spoedig zoo hoog, dat het een' ruiter tot het hoofd reikt. Vreemd

gevormde kevers gonzen door de lucht; prachtige vlinders azen op den

bloemenhonig; fraai gevederde honigvogels fladderen om heesters en

struik. Vele gewassen zijn zoo rijk aan honig, dat deze er bij de

minste aanraking in droppels bij neervloeit.

In sommige jaren vermenigvuldigen de sprinkhanen zich op ontzettende

wijze. Als zij in éene streek al het groen hebben weggeknaagd, dwingt

de honger hen tot opbreken. Zij trekken dan in zwermen, die als donkere

wolken den hemel bedekken, en al de landstreken, waarop zij neervallen,

verwoesten zij. Kleine vogels trekken in dichte zwermen achter de

sprinkhanen aan en verteren die. Ook de menschen worden door den nood

gedwongen, zich met sprinkhanen te voeden. Zuid-Afrika is zeer rijk

aan gevogelte. Langs de wateren wemelt het van zwem- en boschvogels. De

gezellige weversvogels vlechten uit riethalmen groote schutdaken in de

takken der acacia's en hangen daaronder hunne nesten bij honderden op.

Op aan kruiden rijke plaatsen verzamelt het wild zich. Kleine

knaagdieren, vooral langbeenige springmuizen en springhazen, wroeten

daar naar knollen en wortels. Zeer talrijk zijn vooral antilopensoorten

en wilde tijgerpaarden: de zebra's en de quagga's. Waar deze laatsten

zijn, komen ook struisvogelkudden voor. In dorre jaren, als gebrek

aan voeder hen tot rondzwerven dwingt, zijn de springbokken niet te

tellen. Zij vormen soms legers van honderdduizenden en worden dan door

leeuwen, luipaarden, hyena's en sjakals gevolgd, die zich met hun

vleesch mesten. Evenals de hen in de lucht begeleidende roofvogels:

gieren, arenden en valken, hebben dan ook de menschen overvloed van

wild. Eene opvolging van dorre jaren heeft een even groot gebrek

tot nasleep. Runderen, schapen, wild komen om van honger en de

menschen hebben dikwijls geen beter lot. De zwarte inboorlingen en

de Kaffers van de oostkust, de Boschjesmannen van het binnenland en

de Hottentotten van het zuiden leven hoofdzakelijk van de veeteelt

en van de jacht.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 28 / 38 题