Zuid-Afrika is omringd door kustgebergten, die zich trapsgewijs tot
eene hoogte van achtduizend voet rondom een binnenland met wijde vlakke
dalkommen en uitgestrekte hooglanden verheffen. Het ergste kwaad,
waarmee dit land te kampen heeft, is het gebrek aan regen. Gewoonlijk
volgt er na vier tot zes jaren een tijd van aanhoudende droogte, die
bij de Negers hongersnood en bij de Europeesche kolonisten althans
zwaar verlies aan vee na zich sleept.
Nadat een jaar door regen gezegend was, heeft het Zuid-Afrikaansche
landschap een geheel ander aanzien, dan als er zoolang droogte
heerschte. Als de wolken den bodem toereikend besproeid
hebben, dan vertoonen zich wijde streken in ware bloemtuinen
herschapen. Zwaardlelies en vele andere bolgewassen staan na weinig
dagen in vollen bloei. Heidekruiden (erica's) in ontelbare soorten,
pelargoniums, geraniums, enz. tooien zich met nieuw blad en ontsluiten
de kleurige bloesems. In de zandstreken schiet zelfs jong gras op en
wordt spoedig zoo hoog, dat het een' ruiter tot het hoofd reikt. Vreemd
gevormde kevers gonzen door de lucht; prachtige vlinders azen op den
bloemenhonig; fraai gevederde honigvogels fladderen om heesters en
struik. Vele gewassen zijn zoo rijk aan honig, dat deze er bij de
minste aanraking in droppels bij neervloeit.
In sommige jaren vermenigvuldigen de sprinkhanen zich op ontzettende
wijze. Als zij in éene streek al het groen hebben weggeknaagd, dwingt
de honger hen tot opbreken. Zij trekken dan in zwermen, die als donkere
wolken den hemel bedekken, en al de landstreken, waarop zij neervallen,
verwoesten zij. Kleine vogels trekken in dichte zwermen achter de
sprinkhanen aan en verteren die. Ook de menschen worden door den nood
gedwongen, zich met sprinkhanen te voeden. Zuid-Afrika is zeer rijk
aan gevogelte. Langs de wateren wemelt het van zwem- en boschvogels. De
gezellige weversvogels vlechten uit riethalmen groote schutdaken in de
takken der acacia's en hangen daaronder hunne nesten bij honderden op.
Op aan kruiden rijke plaatsen verzamelt het wild zich. Kleine
knaagdieren, vooral langbeenige springmuizen en springhazen, wroeten
daar naar knollen en wortels. Zeer talrijk zijn vooral antilopensoorten
en wilde tijgerpaarden: de zebra's en de quagga's. Waar deze laatsten
zijn, komen ook struisvogelkudden voor. In dorre jaren, als gebrek
aan voeder hen tot rondzwerven dwingt, zijn de springbokken niet te
tellen. Zij vormen soms legers van honderdduizenden en worden dan door
leeuwen, luipaarden, hyena's en sjakals gevolgd, die zich met hun
vleesch mesten. Evenals de hen in de lucht begeleidende roofvogels:
gieren, arenden en valken, hebben dan ook de menschen overvloed van
wild. Eene opvolging van dorre jaren heeft een even groot gebrek
tot nasleep. Runderen, schapen, wild komen om van honger en de
menschen hebben dikwijls geen beter lot. De zwarte inboorlingen en
de Kaffers van de oostkust, de Boschjesmannen van het binnenland en
de Hottentotten van het zuiden leven hoofdzakelijk van de veeteelt
en van de jacht.