Eenige wagens met twaalf tot zestien ossen bespannen, die zich op het
strand vertoonden, brachten het eerste leven in het landschap, dat
alom nog scheen te sluimeren, en voordat de zon hooger aan den hemel
steeg, bracht de sloep ons naar den wal. Daar lag een hoop kleurlingen,
vuil, morsig en in havelooze lompen, zich in de nog niet al te heete
zonnestralen te koesteren. Dit waren de eerste vrije burgers der stad,
op welke mijn oog rustte. Verder herinnerde alles mij dadelijk aan de
eerste bouwheeren van Kaapstad, wier nakomelingen nog tegenwoordig het
grootste gedeelte der blanke bevolking uitmaken. Overal valt de nette
regelmatigheid in het oog, en zelfs aan grachten ontbreekt het niet in
deze breede rechte straten, ofschoon zij hier niet noodig zijn. Van de
landingsplaats loopt eene dezer straten recht zuidwaarts de stad in en
verbreedt zich op de helft harer lengte tot den zoogenaamden Stadstuin,
die de geliefde wandelplaats der vroegere Hollandsche kooplieden was
en vier groote lanen van eiken, populieren, enz. heeft. Hier hebben
zij rechts en links in de nabijheid hunne kerken gebouwd; hier staat
het paleis van den gouverneur, en ook een botanische tuin mocht niet
ontbreken. De citadel met het paradeplein ligt natuurlijk dicht aan de
zee, waar ook aan de rechterzijde dadelijk de oude koopstad begint. Op
vele plaatsen ziet men nog de ouderwetsche puntgevels en lage deuren,
ja tot zelfs de uithangborden en windwijzers van het voorgeslacht. De
oude stad bevat twee pleinen: het Marktplein en het Hottentottenplein;
doch tegenwoordig is een viermaal grooter plein buiten de stad tot
markt bestemd en hier ontbreekt het het geheele jaar door niet aan
vruchten. Neemt men in aanmerking, dat de stad om hare gezonde lucht
en haar zuiver drinkwater zeer veel als badplaats door rijke Engelschen
uit Britsch-Indië bezocht wordt; dat de Amerikaansche walvischvaarders
hier proviand kunnen innemen; dat honderden Oost-Indiëvaarders hier het
anker werpen; dat de weg naar China en Australië hier voorbij loopt,
dan kan men zich voorstellen, dat hier bijna alle talen der aarde
gehoord worden. Jaarlijks doen 500 tot 600 groote schepen Kaapstad
aan, om zich van het benoodigde te voorzien; doch in Juni, Juli en
Augustus moeten zij wegens de gevaarlijke winden de Tafelbaai mijden.
Wat den vreemdeling hier bovenal aantrekt is de kolossale Tafelberg
van 3582 voet hoogte, wiens kruin altijd door nevelen en wolken omhuld
is. Als men het geluk heeft, eene heldere lucht te treffen, is het
uitzicht daar boven verrassend schoon. Ginds ligt de stad, verderop de
Tafelbaai met hare schepen, die zich als notedoppen voordoen en daar
achter de onbegrensde zee. Rondom zich heeft men aan alle zijden het
uitgestrekte landschap met zijne bergen, links den platten Leeuwenberg
en rechts den spitsen Duivelsberg; ver in het zuiden ligt de Valsche
Baai, aan wier westzijde het oog zich verliest in het zand van de
Simonsbaai. In die richting liggen ook de beroemde wijnbergen van
Constantia, die zich niet ver van den voet des bergs uitstrekken.