27. Kaapstad.

Eenige wagens met twaalf tot zestien ossen bespannen, die zich op het

strand vertoonden, brachten het eerste leven in het landschap, dat

alom nog scheen te sluimeren, en voordat de zon hooger aan den hemel

steeg, bracht de sloep ons naar den wal. Daar lag een hoop kleurlingen,

vuil, morsig en in havelooze lompen, zich in de nog niet al te heete

zonnestralen te koesteren. Dit waren de eerste vrije burgers der stad,

op welke mijn oog rustte. Verder herinnerde alles mij dadelijk aan de

eerste bouwheeren van Kaapstad, wier nakomelingen nog tegenwoordig het

grootste gedeelte der blanke bevolking uitmaken. Overal valt de nette

regelmatigheid in het oog, en zelfs aan grachten ontbreekt het niet in

deze breede rechte straten, ofschoon zij hier niet noodig zijn. Van de

landingsplaats loopt eene dezer straten recht zuidwaarts de stad in en

verbreedt zich op de helft harer lengte tot den zoogenaamden Stadstuin,

die de geliefde wandelplaats der vroegere Hollandsche kooplieden was

en vier groote lanen van eiken, populieren, enz. heeft. Hier hebben

zij rechts en links in de nabijheid hunne kerken gebouwd; hier staat

het paleis van den gouverneur, en ook een botanische tuin mocht niet

ontbreken. De citadel met het paradeplein ligt natuurlijk dicht aan de

zee, waar ook aan de rechterzijde dadelijk de oude koopstad begint. Op

vele plaatsen ziet men nog de ouderwetsche puntgevels en lage deuren,

ja tot zelfs de uithangborden en windwijzers van het voorgeslacht. De

oude stad bevat twee pleinen: het Marktplein en het Hottentottenplein;

doch tegenwoordig is een viermaal grooter plein buiten de stad tot

markt bestemd en hier ontbreekt het het geheele jaar door niet aan

vruchten. Neemt men in aanmerking, dat de stad om hare gezonde lucht

en haar zuiver drinkwater zeer veel als badplaats door rijke Engelschen

uit Britsch-Indië bezocht wordt; dat de Amerikaansche walvischvaarders

hier proviand kunnen innemen; dat honderden Oost-Indiëvaarders hier het

anker werpen; dat de weg naar China en Australië hier voorbij loopt,

dan kan men zich voorstellen, dat hier bijna alle talen der aarde

gehoord worden. Jaarlijks doen 500 tot 600 groote schepen Kaapstad

aan, om zich van het benoodigde te voorzien; doch in Juni, Juli en

Augustus moeten zij wegens de gevaarlijke winden de Tafelbaai mijden.

Wat den vreemdeling hier bovenal aantrekt is de kolossale Tafelberg

van 3582 voet hoogte, wiens kruin altijd door nevelen en wolken omhuld

is. Als men het geluk heeft, eene heldere lucht te treffen, is het

uitzicht daar boven verrassend schoon. Ginds ligt de stad, verderop de

Tafelbaai met hare schepen, die zich als notedoppen voordoen en daar

achter de onbegrensde zee. Rondom zich heeft men aan alle zijden het

uitgestrekte landschap met zijne bergen, links den platten Leeuwenberg

en rechts den spitsen Duivelsberg; ver in het zuiden ligt de Valsche

Baai, aan wier westzijde het oog zich verliest in het zand van de

Simonsbaai. In die richting liggen ook de beroemde wijnbergen van

Constantia, die zich niet ver van den voet des bergs uitstrekken.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 29 / 38 题