In 1840 had de held van Afrika, Livingstone, zich aan de rivier
Kolobeng in het land der Beetsjoeanen of Boschjesmannen eene woning
gebouwd. Zijne vrouw maakte kleeren, zeep en kaarsen, hij zelf was
prediker, dokter, tuinman, timmerman, smid en nog honderd dingen
meer. De eerste jaren waren zeer zwaar, vertelt hij, omdat lange
droogten invielen. In het tweede jaar viel geen enkele droppel regen,
in het derde geen tien cM. en de Kolobeng droogde uit. Er stierven
zooveel visschen, dat de hyena's van 't gansche land, die op het
maal afkwamen, de menigte niet overweldigen konden. Het vierde jaar
was even ongunstig, daar er niet regen genoeg viel om het graan
tot rijpheid te brengen. Wij groeven in de rivierbedding al dieper
kuilen, om althans water te krijgen, om onze vruchtboomen tot beter
tijd in het leven te houden. Naalden, die maanden lang in de open
lucht lagen, roestten niet. Alle bladeren der inlandsche boomen
hingen verwelkt en ingekrompen neer. Midden in deze akelige dorheid
maakte de levendigheid, waarmee de mieren rondliepen, eene vreemde
vertooning. Als men enkele kevers op de oppervlakte van den bodem
zette, kropen zij een paar seconden rond en waren dan dood. Deze
gloeiende hitte had bij de mieren alleen de uitwerking, dat zij
de bewegelijkheid harer lange pooten verhoogde. Vanwaar kregen die
diertjes de vochtigheid, waaraan zij behoefte hadden?
Wij hadden onze woning op een harden grond gebouwd, wijl wij daar
geen' last van de mieren dachten te zullen hebben; maar deze kwamen
toch en waren in dit droge weer in staat, den bodem de vastheid van
cement te geven, zoodat zij er hare lange gangen in konden bouwen.
Tot hare cementbereiding hadden zij vocht noodig, en als men hare
binnenkamers open legde, waren die ook bevreemdend vochtig. Toch
viel geen dauw, en dus blijft wel geene andere verklaring over, dan
dat de mieren de begaafdheid hebben, om de zuurstof en de waterstof
van haar plantenvoedsel in dier voege in zich te vereenigen, dat er
vocht uit ontstaat.
Er trokken wolken over zijn' omtrek heen, zonder een' droppel water
te laten vallen; maar twee mijlen verder viel regen in toereikende
mate. Livingstone kwam hierdoor in verdenking van den omtrek betooverd
te hebben en vooral zijn kerkklokje kreeg een kwaden naam. «Gij zijt
de eenige blanke,» zei het opperhoofd der Beetsjoeanen, «met wien
wij vrede kunnen houden; maar laat dat eeuwige preeken en bidden,
waarmee wij geen vrede hebben. Gij ziet immers zelf, dat het bij ons
nooit regent, terwijl de stammen, die nooit bidden, regen krijgen in
overvloed.» Men kwam evenwel dien tijd van droogte te boven, zonder
dat Livingstone om zijne voorgewende tooverij werd lastig gevallen.