25. Droogte en mieren.

In 1840 had de held van Afrika, Livingstone, zich aan de rivier

Kolobeng in het land der Beetsjoeanen of Boschjesmannen eene woning

gebouwd. Zijne vrouw maakte kleeren, zeep en kaarsen, hij zelf was

prediker, dokter, tuinman, timmerman, smid en nog honderd dingen

meer. De eerste jaren waren zeer zwaar, vertelt hij, omdat lange

droogten invielen. In het tweede jaar viel geen enkele droppel regen,

in het derde geen tien cM. en de Kolobeng droogde uit. Er stierven

zooveel visschen, dat de hyena's van 't gansche land, die op het

maal afkwamen, de menigte niet overweldigen konden. Het vierde jaar

was even ongunstig, daar er niet regen genoeg viel om het graan

tot rijpheid te brengen. Wij groeven in de rivierbedding al dieper

kuilen, om althans water te krijgen, om onze vruchtboomen tot beter

tijd in het leven te houden. Naalden, die maanden lang in de open

lucht lagen, roestten niet. Alle bladeren der inlandsche boomen

hingen verwelkt en ingekrompen neer. Midden in deze akelige dorheid

maakte de levendigheid, waarmee de mieren rondliepen, eene vreemde

vertooning. Als men enkele kevers op de oppervlakte van den bodem

zette, kropen zij een paar seconden rond en waren dan dood. Deze

gloeiende hitte had bij de mieren alleen de uitwerking, dat zij

de bewegelijkheid harer lange pooten verhoogde. Vanwaar kregen die

diertjes de vochtigheid, waaraan zij behoefte hadden?

Wij hadden onze woning op een harden grond gebouwd, wijl wij daar

geen' last van de mieren dachten te zullen hebben; maar deze kwamen

toch en waren in dit droge weer in staat, den bodem de vastheid van

cement te geven, zoodat zij er hare lange gangen in konden bouwen.

Tot hare cementbereiding hadden zij vocht noodig, en als men hare

binnenkamers open legde, waren die ook bevreemdend vochtig. Toch

viel geen dauw, en dus blijft wel geene andere verklaring over, dan

dat de mieren de begaafdheid hebben, om de zuurstof en de waterstof

van haar plantenvoedsel in dier voege in zich te vereenigen, dat er

vocht uit ontstaat.

Er trokken wolken over zijn' omtrek heen, zonder een' droppel water

te laten vallen; maar twee mijlen verder viel regen in toereikende

mate. Livingstone kwam hierdoor in verdenking van den omtrek betooverd

te hebben en vooral zijn kerkklokje kreeg een kwaden naam. «Gij zijt

de eenige blanke,» zei het opperhoofd der Beetsjoeanen, «met wien

wij vrede kunnen houden; maar laat dat eeuwige preeken en bidden,

waarmee wij geen vrede hebben. Gij ziet immers zelf, dat het bij ons

nooit regent, terwijl de stammen, die nooit bidden, regen krijgen in

overvloed.» Men kwam evenwel dien tijd van droogte te boven, zonder

dat Livingstone om zijne voorgewende tooverij werd lastig gevallen.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 27 / 38 题