24. Aan het Njassa-meer.

Nergens in Afrika--verzekert Livingstone--heb ik eene zoo dichte

bevolking aangetroffen als langs de oevers van het Njassa-meer. In

't zuiden zagen wij eene bijna onafgebroken reeks van dorpen. Aan den

oever stonden telkens dichte zwarte drommen, om de groote nieuwigheid,

onze zeilende boot, aan te gapen; en bij ons landen waren wij in

een ommezien door honderden mannen, vrouwen en kinderen omringd,

die de «chironbo» (wilde dieren) kwamen zien. Over 't geheel waren

zij zeer beleefd en eischten van ons geene geschenken. Zij oefenen

ook den landbouw op eene vrij groote schaal uit en telen rijst,

mais, enz. Meer noordwaarts is mais ook het hoofdproduct. Gedurende

een gedeelte des jaars komt daar nog eene vrij zonderlinge toespijs

bij. Toen wij die streken naderden, zagen wij in het verschiet wolken

als de rook van brandend gras. Den volgenden morgen stuurden wij door

die wolken, die toen bleken, niet uit rook of nevel te bestaan, maar

uit millioenen kleine muggen, die hier «koengo» genoemd worden. Zij

vervulden de lucht tot eene onmetelijke hoogte en krioelden op het

water, daar zij te licht zijn om er in te zinken. Terwijl wij door

deze levende wolk voeren, moesten wij mond en oogen dicht houden,

om ze niet vol van die insecten te krijgen. De inlanders verzamelen

groote hoeveelheden van die muggen en bakken er een' koek van, die

eene lekkernij voor hen is en natuurlijk millioenen diertjes bevat. Men

bood er ons een aan; hij was donker van kleur en smaakte--zoo zoo.

De oeverbewoners zijn geen schoon menschenras. De vrouwen zijn van

natuur reeds leelijk en maken zich ten volle afzichtelijk door de

vreemde schoonheidsmiddelen, die zij aanwenden. Algemeen dragen

zij den «pelele» of lipring. De kostbaarste zijn van zuiver tin,

in den vorm van een schoteltje gehamerd; andere zijn van wit kwarts,

zoodat het er uitziet, of de draagster een stuk van eene waskaars door

hare lip had gestoken. Met dien ring in de bovenlip nog niet voldaan,

steken sommige vrouwen er ook nog een' in de onderlip. De voor verreweg

't mooist gehouden pelele's zijn van roode pijpaarde vervaardigd en

maken het gezicht zoo verfoeielijk leelijk, dat wij er ons telkens

met zeker afgrijzen van afkeerden.

Al de inboorlingen zijn van het hoofd tot de voeten getatoeëerd, en wel

met figuren, waardoor de verschillende stammen zich onderscheiden. Over

het geheel zijn zij mild; als een van ons eens naar het ophalen der

netten ging zien, boden zij hem altijd een' visch aan. Ook in andere

opzichten gedroegen zij zich zeer voorkomend jegens ons. In andere

streken, waar de slavenhandel in zwang is zijn de inwoners daarentegen

onvriendelijk, valsch en oneerlijk.

't Verwonderde ons, goed aangelegde en zorgvuldig onderhouden

begraafplaatsen bij hen te vinden. Dit viel ons vooral in een dorpje op

de zuidkust van het meer in het oog. Men had er breede en zindelijke

paden aangelegd en hier en daar stond een zware vijgeboom, wiens

wijd uitgestrekte takken hunne schaduw op de rustplaatsen der dooden

wierpen. Men zag er grafheuvels gelijk in Europa, doch alle van het

noorden naar het zuiden gericht. De grafsteden der beide geslachten

waren kenbaar aan de verschillende daarop geplaatste voorwerpen,

waarvan de overledenen zich bij hun leven bediend hadden, doch die

alle verbroken waren, als ten teeken, dat zij niet meer zouden worden

gebruikt. Een stuk van een vischnet en een gebroken roeiriem duidden

aan, waar een visscher rustte. Op de graven van vrouwen stond de houten

vijzel met den zwaren stamper tot het fijnstooten van graan. Dat het

toekomstige leven op het tegenwoordige zou gelijken, schijnt men hier

niet aan te nemen; doch bij verscheiden graven was een banaanboom

geplant, alsof diens vrucht nog te pas zou kunnen komen.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 26 / 38 题