Nergens in Afrika--verzekert Livingstone--heb ik eene zoo dichte
bevolking aangetroffen als langs de oevers van het Njassa-meer. In
't zuiden zagen wij eene bijna onafgebroken reeks van dorpen. Aan den
oever stonden telkens dichte zwarte drommen, om de groote nieuwigheid,
onze zeilende boot, aan te gapen; en bij ons landen waren wij in
een ommezien door honderden mannen, vrouwen en kinderen omringd,
die de «chironbo» (wilde dieren) kwamen zien. Over 't geheel waren
zij zeer beleefd en eischten van ons geene geschenken. Zij oefenen
ook den landbouw op eene vrij groote schaal uit en telen rijst,
mais, enz. Meer noordwaarts is mais ook het hoofdproduct. Gedurende
een gedeelte des jaars komt daar nog eene vrij zonderlinge toespijs
bij. Toen wij die streken naderden, zagen wij in het verschiet wolken
als de rook van brandend gras. Den volgenden morgen stuurden wij door
die wolken, die toen bleken, niet uit rook of nevel te bestaan, maar
uit millioenen kleine muggen, die hier «koengo» genoemd worden. Zij
vervulden de lucht tot eene onmetelijke hoogte en krioelden op het
water, daar zij te licht zijn om er in te zinken. Terwijl wij door
deze levende wolk voeren, moesten wij mond en oogen dicht houden,
om ze niet vol van die insecten te krijgen. De inlanders verzamelen
groote hoeveelheden van die muggen en bakken er een' koek van, die
eene lekkernij voor hen is en natuurlijk millioenen diertjes bevat. Men
bood er ons een aan; hij was donker van kleur en smaakte--zoo zoo.
De oeverbewoners zijn geen schoon menschenras. De vrouwen zijn van
natuur reeds leelijk en maken zich ten volle afzichtelijk door de
vreemde schoonheidsmiddelen, die zij aanwenden. Algemeen dragen
zij den «pelele» of lipring. De kostbaarste zijn van zuiver tin,
in den vorm van een schoteltje gehamerd; andere zijn van wit kwarts,
zoodat het er uitziet, of de draagster een stuk van eene waskaars door
hare lip had gestoken. Met dien ring in de bovenlip nog niet voldaan,
steken sommige vrouwen er ook nog een' in de onderlip. De voor verreweg
't mooist gehouden pelele's zijn van roode pijpaarde vervaardigd en
maken het gezicht zoo verfoeielijk leelijk, dat wij er ons telkens
met zeker afgrijzen van afkeerden.
Al de inboorlingen zijn van het hoofd tot de voeten getatoeëerd, en wel
met figuren, waardoor de verschillende stammen zich onderscheiden. Over
het geheel zijn zij mild; als een van ons eens naar het ophalen der
netten ging zien, boden zij hem altijd een' visch aan. Ook in andere
opzichten gedroegen zij zich zeer voorkomend jegens ons. In andere
streken, waar de slavenhandel in zwang is zijn de inwoners daarentegen
onvriendelijk, valsch en oneerlijk.
't Verwonderde ons, goed aangelegde en zorgvuldig onderhouden
begraafplaatsen bij hen te vinden. Dit viel ons vooral in een dorpje op
de zuidkust van het meer in het oog. Men had er breede en zindelijke
paden aangelegd en hier en daar stond een zware vijgeboom, wiens
wijd uitgestrekte takken hunne schaduw op de rustplaatsen der dooden
wierpen. Men zag er grafheuvels gelijk in Europa, doch alle van het
noorden naar het zuiden gericht. De grafsteden der beide geslachten
waren kenbaar aan de verschillende daarop geplaatste voorwerpen,
waarvan de overledenen zich bij hun leven bediend hadden, doch die
alle verbroken waren, als ten teeken, dat zij niet meer zouden worden
gebruikt. Een stuk van een vischnet en een gebroken roeiriem duidden
aan, waar een visscher rustte. Op de graven van vrouwen stond de houten
vijzel met den zwaren stamper tot het fijnstooten van graan. Dat het
toekomstige leven op het tegenwoordige zou gelijken, schijnt men hier
niet aan te nemen; doch bij verscheiden graven was een banaanboom
geplant, alsof diens vrucht nog te pas zou kunnen komen.