23. Natuur en volken van West-Midden-Afrika.

De ruimte, welke wij hier op het oog hebben, strekt zich van de

kust ongeveer vijftig Duitsche mijlen in het binnenland uit en ligt

tusschen den eersten en tweeden graad Z. B. Het grootste gedeelte

is met woud of met rietvelden bedekt, waartusschen zich grootere of

kleinere grassteppen als oasen uitstrekken. Dit boschland breidt

zich om de twee of drie graden ten zuiden en ten noorden van den

evenaar uit. Opmerkelijk is het gering dierlijk leven, dat in deze

wildernis heerscht. Tevergeefs zoekt men er paard, kameel, ezel of

rund. De mensch is er veeleer zijn eigen en zijn eenig lastdier;

geiten en hoenders alleen vertegenwoordigen er de huisdieren. Maar

ook van de wilde dieren van Afrika mist men leeuwen, neushorens,

giraffen, struisen, gazellen en antilopen. Van verscheurend gedierte

zijn alleen luipaarden, hyena's en sjakals aan te treffen. Des

te talrijker zijn de slangen, onder welke de meesten giftig zijn;

ook hagedissen vertoonen eene groote verscheidenheid. Zij en de vele

soorten van spinnen dienen tot beteugeling van het insectenleven, dat

door de vochtige boschlucht buitengewoon wordt begunstigd. De acht hier

voorhanden soorten van apen hebben na den mensch, die hen met pijlen,

kogels en vallen vervolgt, geen gevaarlijker vijand dan een grooten

arend, dien de inboorlingen niet ongepast den «luipaard der lucht»

noemen. Gedurig wordt de doodelijke stilte in het woud afgebroken door

den angstkreet van een' aap, op wien een arend neerschoot, om hem

in zijne klauwen weg te dragen. De aap is een gezocht wildbraad en

ook Europeeërs stellen, na den eersten afkeer overwonnen te hebben,

het vleesch van een vetten aap boven elk ander vleesch. Met vogels

is deze streek zóo dun bevolkt, dat de stilte in de bosschen drukkend

is; uren lang kan men die doortrekken, zonder den kreet eens vogels,

den tred eener gazelle of het gonzen van insecten te vernemen.

Van de weersgesteldheid moet vermeld worden, dat aan de kust de

regentijd in September invalt en in Mei eindigt, terwijl de droge

tijd slechts in de drie maanden van Juni tot Augustus invalt. De

oostenwinden brengen dus regen, de westenwinden daarentegen, die toch

uit de Atlantische Zee waaien, droogte aan.

De bewoners van dit boschland vormen een groot aantal stammen, die

verschillende talen spreken. Bij deze stammen zijn de afzonderlijke

horden dikwijls weer geheel onafhankelijk en voeren druk oorlog

met elkaar. Hunne rechtsbegrippen steunen op het beginsel: tand om

tand, oog om oog. Ieder heer kan straffeloos zijn' slaaf dooden;

maar wordt een vrij man verslagen, zij 't ook geheel onopzettelijk,

zooals b.v. bij het vellen van een' boom gebeuren kan, dan moet de

dader met zijn leven daarvoor boeten. Deze gestrengheid is hieraan toe

te schrijven, dat de Negers elk onnatuurlijk of onverwacht sterfgeval

aan de werking eener booze betoovering toeschrijven. Wie hun in dit

opzicht verdacht voorkomt, moet den giftbeker drinken en zoo een

godsgericht over zijne schuld of onschuld laten beslissen. Hoogst

zelden komt het intusschen voor, dat familiehoofden tot het drinken

van vergift gedwongen worden; zij kunnen zich aan die verplichting

onttrekken door een' plaatsvervanger te stellen, die zich voor hen

aan de gevaarlijke proef onderwerpt.

De Islam is natuurlijk nog niet tot deze volken doorgedrongen; zij

gelooven dus aan de macht van afgoden, fetischen en vooral aan de

mogelijkheid van betoovering door hunne medemenschen. Een eigenaardig

gebruik is de oprichting van zoogenaamde alumbihutten. In deze huisjes,

die tusschen of achter de woonhuizen staan, worden een paar kisten

met kalk of oker bewaard, waarmee de bezitter zich de huid inwrijft

zoo vaak hij op de jacht, uit visschen of op reis gaat. Zij gelooven

namelijk, hierdoor beter tegen gevaar te zijn beschut. Gewoonlijk

bevatten die kalkkisten ook nog de schedels der voorvaders of

aanverwanten van den eigenaar. Hoe meer de beensplinters daarvan zich

allengs met de kalk vermengen, voor des te heiliger en krachtiger wordt

deze gehouden. Komt nu een gast in huis, van wiens welwillendheid

men zich wil verzekeren, dan schaaft de eigenaar een weinig kalk

van de schedels en mengt dat onder de spijs, die hij hem voorzet, in

't geloof, dat de bezoeker hem meer genegen zal worden, als iets van

't stoffelijk overschot zijner voorvaderen in hem is overgegaan.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 25 / 38 题