De ruimte, welke wij hier op het oog hebben, strekt zich van de
kust ongeveer vijftig Duitsche mijlen in het binnenland uit en ligt
tusschen den eersten en tweeden graad Z. B. Het grootste gedeelte
is met woud of met rietvelden bedekt, waartusschen zich grootere of
kleinere grassteppen als oasen uitstrekken. Dit boschland breidt
zich om de twee of drie graden ten zuiden en ten noorden van den
evenaar uit. Opmerkelijk is het gering dierlijk leven, dat in deze
wildernis heerscht. Tevergeefs zoekt men er paard, kameel, ezel of
rund. De mensch is er veeleer zijn eigen en zijn eenig lastdier;
geiten en hoenders alleen vertegenwoordigen er de huisdieren. Maar
ook van de wilde dieren van Afrika mist men leeuwen, neushorens,
giraffen, struisen, gazellen en antilopen. Van verscheurend gedierte
zijn alleen luipaarden, hyena's en sjakals aan te treffen. Des
te talrijker zijn de slangen, onder welke de meesten giftig zijn;
ook hagedissen vertoonen eene groote verscheidenheid. Zij en de vele
soorten van spinnen dienen tot beteugeling van het insectenleven, dat
door de vochtige boschlucht buitengewoon wordt begunstigd. De acht hier
voorhanden soorten van apen hebben na den mensch, die hen met pijlen,
kogels en vallen vervolgt, geen gevaarlijker vijand dan een grooten
arend, dien de inboorlingen niet ongepast den «luipaard der lucht»
noemen. Gedurig wordt de doodelijke stilte in het woud afgebroken door
den angstkreet van een' aap, op wien een arend neerschoot, om hem
in zijne klauwen weg te dragen. De aap is een gezocht wildbraad en
ook Europeeërs stellen, na den eersten afkeer overwonnen te hebben,
het vleesch van een vetten aap boven elk ander vleesch. Met vogels
is deze streek zóo dun bevolkt, dat de stilte in de bosschen drukkend
is; uren lang kan men die doortrekken, zonder den kreet eens vogels,
den tred eener gazelle of het gonzen van insecten te vernemen.
Van de weersgesteldheid moet vermeld worden, dat aan de kust de
regentijd in September invalt en in Mei eindigt, terwijl de droge
tijd slechts in de drie maanden van Juni tot Augustus invalt. De
oostenwinden brengen dus regen, de westenwinden daarentegen, die toch
uit de Atlantische Zee waaien, droogte aan.
De bewoners van dit boschland vormen een groot aantal stammen, die
verschillende talen spreken. Bij deze stammen zijn de afzonderlijke
horden dikwijls weer geheel onafhankelijk en voeren druk oorlog
met elkaar. Hunne rechtsbegrippen steunen op het beginsel: tand om
tand, oog om oog. Ieder heer kan straffeloos zijn' slaaf dooden;
maar wordt een vrij man verslagen, zij 't ook geheel onopzettelijk,
zooals b.v. bij het vellen van een' boom gebeuren kan, dan moet de
dader met zijn leven daarvoor boeten. Deze gestrengheid is hieraan toe
te schrijven, dat de Negers elk onnatuurlijk of onverwacht sterfgeval
aan de werking eener booze betoovering toeschrijven. Wie hun in dit
opzicht verdacht voorkomt, moet den giftbeker drinken en zoo een
godsgericht over zijne schuld of onschuld laten beslissen. Hoogst
zelden komt het intusschen voor, dat familiehoofden tot het drinken
van vergift gedwongen worden; zij kunnen zich aan die verplichting
onttrekken door een' plaatsvervanger te stellen, die zich voor hen
aan de gevaarlijke proef onderwerpt.
De Islam is natuurlijk nog niet tot deze volken doorgedrongen; zij
gelooven dus aan de macht van afgoden, fetischen en vooral aan de
mogelijkheid van betoovering door hunne medemenschen. Een eigenaardig
gebruik is de oprichting van zoogenaamde alumbihutten. In deze huisjes,
die tusschen of achter de woonhuizen staan, worden een paar kisten
met kalk of oker bewaard, waarmee de bezitter zich de huid inwrijft
zoo vaak hij op de jacht, uit visschen of op reis gaat. Zij gelooven
namelijk, hierdoor beter tegen gevaar te zijn beschut. Gewoonlijk
bevatten die kalkkisten ook nog de schedels der voorvaders of
aanverwanten van den eigenaar. Hoe meer de beensplinters daarvan zich
allengs met de kalk vermengen, voor des te heiliger en krachtiger wordt
deze gehouden. Komt nu een gast in huis, van wiens welwillendheid
men zich wil verzekeren, dan schaaft de eigenaar een weinig kalk
van de schedels en mengt dat onder de spijs, die hij hem voorzet, in
't geloof, dat de bezoeker hem meer genegen zal worden, als iets van
't stoffelijk overschot zijner voorvaderen in hem is overgegaan.