Tunis bestond reeds vóor Carthago, maar kan toch geen spoor van
oudheden meer aanwijzen. De stijl der huizen is algemeen de Moorsche
en de straten zijn vrij breed. Bij al hare uitgestrektheid is de stad
slechts klein in verhouding tot de bevolking, die op 125,000 zielen
wordt geschat. De betrekkelijk geringe ruimte is echter voldoende,
omdat een derde der inwoners dag en nacht op de straten huist, zonder
een dak te bezitten. Twee muren, de buitenste met negen, de binnenste
met zeven poorten, omringen de stad; doch daar die poorten niet tegen
elkaar over staan, moet men tusschen de beide muren altijd een goed
eind loopen, om naar buiten te komen. Dat gedeelte tusschen de muren
biedt den vreemdeling echter menig belangwekkend tooneel aan; want
hier zijn de karavansera's, hier komen de beladen kameelen in lange
karavanen uit alle gedeelten van Afrika aan en van hier vertrekken
zij ook weer derwaarts. Het ontbreekt er niet aan druk bezochte
koffiehuizen, voor wier deuren men dikwijls de schilderachtigste
groepen waarneemt, die naar de klagende tonen der guitarre met drie
snaren luisteren. Hier ziet men ook nu en dan een inlandschen groote
in eene afgedankte Europeesche koets met vier muildieren rondrijden,
of ontmoet men den bey van Tunis in zijn rijtuig met acht paarden,
door soldaten bewaakt.
In de stad zelve kan men zich om de drukte van geen rijtuig bedienen,
maar moet te voet gaan, een paard of muildier berijden of zich in een'
palankijn laten dragen. Van vroeg tot laat heerscht op de straten een
onbeschrijfelijk gedrang. Bedoeïnen, Maltezers, Joden, Negers, Turken
golven voorbij. Daartusschen dringen kudden geiten, beladen kameelen,
muildieren en ezels heen. Later op den dag heerscht de grootste drukte
in de gewelfde bazars. Elke koopwaar heeft haar afzonderlijken bazar en
in de kleinste winkeltjes treft men dikwijls de kostbaarste artikels
aan. Laarzen en pantoffels, zadelmakerswerk, zijden stoffen, wapens,
reukwerken, de roode mutsen, wier vervaardiging hier wel 20,000
menschen bezig houdt, pijpen, snoeren, enz., alles heeft zijn eigen
gebouw. Ik zag hier costumes van donkerkleurig fluweel, kunstig met
fijn goud geborduurd, die tot duizend gulden kostten. Ook aan eetwaren
ontbreekt het niet. Net gekleede, ongesluierde Moorinnen houden
met uitgestrekten arm op de vlakke hand eene piramide van brooden,
die men elk oogenblik denkt te zullen zien ineenzakken; jongens
met waterzakken bieden den dorstige een verfrisschenden dronk aan;
anderen venten oranjeappelen, kleine witte kazen, oliekoeken, allerlei
vruchten en andere versnaperingen uit. Tegen den avond vermindert
het gewoel en kan men zonder gevaar van kwetsuren rondwandelen, om
de hoefijzervormige poorten, de gedraaide kolommen, de kleurenpracht
aan verscheiden Moorsche huizen, het paleis van den bey en de vele
moskeeën met hare slanke minarets te bewonderen.
Dat paleis van den bey is een sierlijk gebouw met marmeren
binnenpleinen, fonteinen, kolommen en kleurige tegels. De wanden
zijn met versiersels van pleister bekleed, die door hunne fijnheid
aan kantwerk doen denken; de zolderingen vertoonen arabesken in goud,
blauw en rood. De schoonste moskeeën zijn uit kolommen en andere deelen
der ruïnen van Carthago en Utica saamgesteld, en men vindt er menig
bezienswaardig gebouw onder; doch de Mohammedanen dulden ongaarne,
dat het oog van een' ongeloovige het inwendige van die heiligdommen
ziet. Behalve eenige fraaie en ruime kazernes bevat Tunis verder
weinig aanzienlijke gebouwen, en slechts de huizen der Europeesche
consuls in de wijk der Maltezers, alwaar ook de minister-resident van
Frankrijk (thans de wezenlijke beheerscher van Tunis) verblijf houdt,
steken boven de massa der kleine Moorsche woningen uit.