Een deel der bevolking van Egypte zijn de Fellahs, d. i. van buiten
ingekomen Arabieren, die zich in vroeger tijd als akkerbouwers
langs den Nijlstroom hebben neergezet. Evenwel is 't land, dat zij
bebouwen, grootendeels niet meer hun eigendom, maar in 't bezit van
den onderkoning overgegaan, wiens arbeiders en huurlingen zij thans
zijn. Alles, wat zij op het veld verbouwen, moeten zij tegen bepaalde
prijzen aan den regent overdoen; wat zij tot hun levensonderhoud noodig
hebben, kunnen zij hem dan weder afkoopen. Die niet arbeiden willen,
worden er door zweepslagen toe gedwongen. In hunne ellendige, morsige
hutten is de pest een regelmatige gast; de honger staat hun op het
gezicht geschreven, en de gansche bevolking is door de langdurige
slavernij--als vroeger de Israelieten--ontzenuwd en verstompt. De
hoogstens twee M. hooge hutten zijn uit leem en stroo opgetrokken en
boven alle beschrijving morsig. Een dadelstam strekt tot dakstoel,
en daarop geworpen en met aarde bedekte dadelboomtakken en -bladeren
dienen tot zoldering. Met gekruiste beenen zit de Fellah op zijne
palmenmat, die tevens hem en zijne gansche familie tot slaapplaats
dient.
Tusschen de ellendige hutten der Fellah-dorpen ziet men de naakte
of slechts met een hemd bekleede, donkerbruine kinderen in het zand
wroeten en dwalen hier en daar eenige magere gestalten in blauwe
boomwollen hemden om. Zorgvuldig dekken de vrouwen haar gelaat met
eene soort van smallen, zwarten sluier, en geen man vertoont zich
zonder den tulband of de roode fez, ofschoon hem dikwijls alle overige
kleedingstukken ontbreken. Alleen een mensch, die naar lichaam en
geest geheel verstompt is, kan het in zulk een door afschuwelijke
uitwasemingen verpesten omtrek op den duur uithouden.
Daar de Fellahs afkeerig van alle nieuwigheden zijn, willen zij
van de doelmatige, gemak en voordeel aanbrengende Europeesche
akkergereedschappen niets weten en tobben zich met hun trekvee, hunne
ossen en kameelen nog voortdurend af, om met den voorvaderlijken ploeg
de aarde om te woelen. Zoo worden de rijst- en maisvelden, de indigo-,
suiker- en boomwolplantsoenen bewerkt. Het voornaamste moet trouwens
de Nijl daarbij doen, die van Juli tot October door zijn overstroomen
den uitgedroogden bodem bevochtigt, en het overvloedige zout uit de
bovenste aardlagen naar den ondergrond voert. Nog voor Pinksteren
valt de oogst in; doch de arme Fellah heeft weinig voldoening en
genot van de opbrengst zijner velden, daar de ambtenaren der kroon
overal gereed staan, om zich die des noods met geweld toe te eigenen.