20. De Kaaba te Mekka.

In een smal, door kale bergen ingesloten dal ligt Mekka, de heilige

stad, de geboortestad van den Profeet, de algemeene bedevaartplaats

van alle Moslemin, welke ieder geloovige althans eenmaal in zijn

leven bezocht moet hebben, zal hij het hoofd rustig tot sterven

neerleggen. In de zuidelijke helft der stad, waar het dal het breedst

is, verheft zich de groote moskee van Mekka met de wereldberoemde

kaaba, die aan den tempel eerst zijn hoog gewicht bijzet. Van de buiten

omloopende zuilengangen der moskee leiden zeven bevloerde wegen naar de

in 't midden van het geheel staande kaaba--naar het heilig huis. Dit

is een klein massief gebouw van achttien passen lengte, veertien

breedte en bij de veertig voet hoogte. De Mohammedanen gelooven,

dat Abraham de eerste bouwer der kaaba geweest is, en dat zijn zoon

Ismaïl hem daarbij de steenen heeft toegereikt, die door een wonder

der goddelijke almacht dadelijk vierkant gehouwen uit het aardrijk te

voorschijn kwamen. Daar het dak der kaaba geheel plat is, vertoont zij

zich van verre als een teerling (cubus). In den noordoostelijken hoek

van het gebouw ligt, vier of vijf voet boven den grond, de beroemde

zwarte steen. De Mohammedanen beweren, dat deze steen uit den hemel

neergedaald en aan Abraham als een bijzonder teeken van goddelijke

genade door den engel Gabriël geschonken is. Zij zeggen, dat hij,

oorspronkelijk zuiver en doorschijnend, door de aanraking eener booze

vrouw zwart en ondoorzichtig is geworden. Door de millioenen van

kussen en aanrakingen, die hij te lijden had, is hij geheel afgesleten.

Alle vier buitenzijden van de kaaba zijn met eene zwartzijden stof

bekleed. Daar zijn verschillende gebeden in geweven, die men echter,

omdat zij van dezelfde kleur als de stof zelve zijn, slechts met

moeite kan lezen. Een weinig boven het midden loopt rondom het gansche

gebouw een ander opschrift uit gouddraad. Voor den zwarten steen

zijn openingen gelaten, zoodat hij bij den omgang gemakkelijk kan

worden aangeraakt. Daar de bekleeding nergens vast aansluit, wordt zij

door het minste koeltje in eene golvende beweging gebracht. De vrome

pelgrims houden dit voor een teeken van de tegenwoordigheid der de

kaaba bewakende zeventigduizend engelen, wier vleugels, zeggen zij,

deze trillingen voortbrengen. Wanneer de bazuin des laatsten oordeels

klinkt, zullen zij de kaaba in het paradijs dragen.

Onder de verdere kleinere gebouwen, die de kaaba binnen het groote

vierkant omgeven, verdient nog dat opmerking, waarin zich de beroemde

heilige bron Zemzem bevindt. Deze voorziet de geheele stad van water,

en er is nauwelijks eene familie, die er niet dagelijks eene kruik vol

van haalt. 't Wordt echter alleen tot drinken en tot godsdienstige

afwasschingen gebruikt: er zich tot koken van te bedienen zou voor

goddeloos gelden. Het wordt ook als een onfeilbaar middel tegen

alle krankheden beschouwd, en de vrome Mohammedanen gelooven, dat

zij door er veel van te drinken hun gebed Gode dubbel behagelijk

zullen maken. Naar men weten zal, zijn de Mohammedanen overtuigd,

dat de bron dezelfde is, welke Jehovah op het gebed van Hagar in

de woestijn deed ontspringen, om haar versmachtenden zoon Ismaïl te

drenken. Bij den kansel, waarop de Vrijdags-predikatie gehouden wordt,

moeten de pelgrims, voordat zij den omgang van de kaaba volbrengen,

hun schoeisel uittrekken en laten staan. Zoodra men, na de intrede door

den zuilengang, het heilig gebouw voor het eerst in het oog krijgt,

zegt men zekere gebeden op, werpt zich viermaal op den grond neer en

betuigt Gode daardoor zijn' dank, dat men de gewijde plaats gelukkig

bereikt heeft. Hierop treedt men langs een der bevloerde wegen op de

kaaba toe, plaatst zich tegenover den zwarten steen en werpt zich

andermaal viermaal neer, waarop de steen met de rechterhand wordt

aangeraakt. Nu begint de pelgrim den plechtigen omgang om de kaaba,

doch zoo, dat deze bestendig links van hem blijft. Deze gang moet

zeven maal herhaald worden, de eerste drie malen met snelle treden,

in navolging van den Profeet, die, om het door zijne vijanden

uitgestrooide gerucht, dat hij gevaarlijk ziek lag, te weerleggen,

ook driemaal snel om de kaaba liep. Bij iederen omloop moeten bepaalde

gebeden opgezegd en aan 't eind daarvan de heilige en nog een andere

steen gekust worden. Ten laatste treedt de pelgrim dicht aan den muur

van het gebouw, tusschen den zwarten steen en de hoofddeur, drukt

zijne borst daar vast tegen aan en smeekt zoo God met wijduitgestrekte

armen om vergiffenis voor zijne zonden.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 22 / 38 题