In een smal, door kale bergen ingesloten dal ligt Mekka, de heilige
stad, de geboortestad van den Profeet, de algemeene bedevaartplaats
van alle Moslemin, welke ieder geloovige althans eenmaal in zijn
leven bezocht moet hebben, zal hij het hoofd rustig tot sterven
neerleggen. In de zuidelijke helft der stad, waar het dal het breedst
is, verheft zich de groote moskee van Mekka met de wereldberoemde
kaaba, die aan den tempel eerst zijn hoog gewicht bijzet. Van de buiten
omloopende zuilengangen der moskee leiden zeven bevloerde wegen naar de
in 't midden van het geheel staande kaaba--naar het heilig huis. Dit
is een klein massief gebouw van achttien passen lengte, veertien
breedte en bij de veertig voet hoogte. De Mohammedanen gelooven,
dat Abraham de eerste bouwer der kaaba geweest is, en dat zijn zoon
Ismaïl hem daarbij de steenen heeft toegereikt, die door een wonder
der goddelijke almacht dadelijk vierkant gehouwen uit het aardrijk te
voorschijn kwamen. Daar het dak der kaaba geheel plat is, vertoont zij
zich van verre als een teerling (cubus). In den noordoostelijken hoek
van het gebouw ligt, vier of vijf voet boven den grond, de beroemde
zwarte steen. De Mohammedanen beweren, dat deze steen uit den hemel
neergedaald en aan Abraham als een bijzonder teeken van goddelijke
genade door den engel Gabriël geschonken is. Zij zeggen, dat hij,
oorspronkelijk zuiver en doorschijnend, door de aanraking eener booze
vrouw zwart en ondoorzichtig is geworden. Door de millioenen van
kussen en aanrakingen, die hij te lijden had, is hij geheel afgesleten.
Alle vier buitenzijden van de kaaba zijn met eene zwartzijden stof
bekleed. Daar zijn verschillende gebeden in geweven, die men echter,
omdat zij van dezelfde kleur als de stof zelve zijn, slechts met
moeite kan lezen. Een weinig boven het midden loopt rondom het gansche
gebouw een ander opschrift uit gouddraad. Voor den zwarten steen
zijn openingen gelaten, zoodat hij bij den omgang gemakkelijk kan
worden aangeraakt. Daar de bekleeding nergens vast aansluit, wordt zij
door het minste koeltje in eene golvende beweging gebracht. De vrome
pelgrims houden dit voor een teeken van de tegenwoordigheid der de
kaaba bewakende zeventigduizend engelen, wier vleugels, zeggen zij,
deze trillingen voortbrengen. Wanneer de bazuin des laatsten oordeels
klinkt, zullen zij de kaaba in het paradijs dragen.
Onder de verdere kleinere gebouwen, die de kaaba binnen het groote
vierkant omgeven, verdient nog dat opmerking, waarin zich de beroemde
heilige bron Zemzem bevindt. Deze voorziet de geheele stad van water,
en er is nauwelijks eene familie, die er niet dagelijks eene kruik vol
van haalt. 't Wordt echter alleen tot drinken en tot godsdienstige
afwasschingen gebruikt: er zich tot koken van te bedienen zou voor
goddeloos gelden. Het wordt ook als een onfeilbaar middel tegen
alle krankheden beschouwd, en de vrome Mohammedanen gelooven, dat
zij door er veel van te drinken hun gebed Gode dubbel behagelijk
zullen maken. Naar men weten zal, zijn de Mohammedanen overtuigd,
dat de bron dezelfde is, welke Jehovah op het gebed van Hagar in
de woestijn deed ontspringen, om haar versmachtenden zoon Ismaïl te
drenken. Bij den kansel, waarop de Vrijdags-predikatie gehouden wordt,
moeten de pelgrims, voordat zij den omgang van de kaaba volbrengen,
hun schoeisel uittrekken en laten staan. Zoodra men, na de intrede door
den zuilengang, het heilig gebouw voor het eerst in het oog krijgt,
zegt men zekere gebeden op, werpt zich viermaal op den grond neer en
betuigt Gode daardoor zijn' dank, dat men de gewijde plaats gelukkig
bereikt heeft. Hierop treedt men langs een der bevloerde wegen op de
kaaba toe, plaatst zich tegenover den zwarten steen en werpt zich
andermaal viermaal neer, waarop de steen met de rechterhand wordt
aangeraakt. Nu begint de pelgrim den plechtigen omgang om de kaaba,
doch zoo, dat deze bestendig links van hem blijft. Deze gang moet
zeven maal herhaald worden, de eerste drie malen met snelle treden,
in navolging van den Profeet, die, om het door zijne vijanden
uitgestrooide gerucht, dat hij gevaarlijk ziek lag, te weerleggen,
ook driemaal snel om de kaaba liep. Bij iederen omloop moeten bepaalde
gebeden opgezegd en aan 't eind daarvan de heilige en nog een andere
steen gekust worden. Ten laatste treedt de pelgrim dicht aan den muur
van het gebouw, tusschen den zwarten steen en de hoofddeur, drukt
zijne borst daar vast tegen aan en smeekt zoo God met wijduitgestrekte
armen om vergiffenis voor zijne zonden.