Het is vroeg in den morgen; men kijkt het venster uit en ziet boven
't ver liggend woud een witten nevel opstijgen. De schapen dringen
zich onder de boomen op elkaar; de koeien staan tot de knieën in het
troebele water, dat van de rotsen neersijpelt. Wie deze voorteekens
al eens meer gezien heeft, weet, wat ze te beduiden hebben; hij weet,
dat vóor het invallen van den lentetijd een heete wind in aantocht
is. Deze komt; hij strijkt over de witte aarde heen, die barst en
klinkt, alsof een glazen kogel er door krachtige hand over heen gerold
werd. De lucht is heet en verzengend, als die van een vurigen oven;
aan de boomen en wijnstokken verdorren de vruchten en vallen af. Een
gelijk lot hebben de vogels, die, als door eene beroerte getroffen,
uit de takken naar beneden tuimelen. Op den weg liggen de honden dood;
de verdroogde tong hangt hun ver uit den bek.
De thermometer klimt hooger en hooger, tot hij op 147 graden Fahrenheit
staat. Men stopt elke reet, elk sleutelgat toe, om den gloeienden
sirocco buiten te houden; men neemt een boek en wil lezen, maar na
weinig minuten al dansen sterretjes voor de oogen en slaan de polsen
als smidshamers. Men laat zijn boek vallen en ziet, of men slapen kan;
doch deze slaap brengt geene verkwikking aan, daar hij vergezeld gaat
van droomen, die al de verschrikkingen van de pijnbank doen voelen. Er
is maar éen middel, om zich eenige verlichting te verschaffen: men
steke eene pijp aan, menge een glas wijn met ijswater, en rooke en
drinke, tot verandering komt.
Die vurig gewenschte verandering komt altijd met den avond. Eene
dichte stofwolk, die zich als een muur over het land voortbeweegt,
is haar voorbode. In eene enkele minuut daalt de temperatuur om de
50 tot 60 graden, en deze plotselinge afkoeling tast het menschelijk
gestel zoo hevig aan, dat heete rumgrog de plaats van ijswater met wijn
moet vervangen, dat men zich in dekens en mantels pakt en zich haast,
een goed haardvuur aan te leggen. Kijkt men nu weer den kant uit,
van waar men dien morgen den witten nevel zag opstijgen, dan biedt
zich daar een schrikwekkend, verheven schouwspel het oog aan. Mijlen
ver staan de bosschen in vlammen. De vuurstaart verliest zich verder
en verder naar het binnenland, tot hij langs de heuvelvlakten al
flauwer en dunner wordt en eindelijk geheel verdwijnt.
In de nabijheid echter is dat schouwspel ontzettend grootsch.