19. Een heete wind in Australië.

Het is vroeg in den morgen; men kijkt het venster uit en ziet boven

't ver liggend woud een witten nevel opstijgen. De schapen dringen

zich onder de boomen op elkaar; de koeien staan tot de knieën in het

troebele water, dat van de rotsen neersijpelt. Wie deze voorteekens

al eens meer gezien heeft, weet, wat ze te beduiden hebben; hij weet,

dat vóor het invallen van den lentetijd een heete wind in aantocht

is. Deze komt; hij strijkt over de witte aarde heen, die barst en

klinkt, alsof een glazen kogel er door krachtige hand over heen gerold

werd. De lucht is heet en verzengend, als die van een vurigen oven;

aan de boomen en wijnstokken verdorren de vruchten en vallen af. Een

gelijk lot hebben de vogels, die, als door eene beroerte getroffen,

uit de takken naar beneden tuimelen. Op den weg liggen de honden dood;

de verdroogde tong hangt hun ver uit den bek.

De thermometer klimt hooger en hooger, tot hij op 147 graden Fahrenheit

staat. Men stopt elke reet, elk sleutelgat toe, om den gloeienden

sirocco buiten te houden; men neemt een boek en wil lezen, maar na

weinig minuten al dansen sterretjes voor de oogen en slaan de polsen

als smidshamers. Men laat zijn boek vallen en ziet, of men slapen kan;

doch deze slaap brengt geene verkwikking aan, daar hij vergezeld gaat

van droomen, die al de verschrikkingen van de pijnbank doen voelen. Er

is maar éen middel, om zich eenige verlichting te verschaffen: men

steke eene pijp aan, menge een glas wijn met ijswater, en rooke en

drinke, tot verandering komt.

Die vurig gewenschte verandering komt altijd met den avond. Eene

dichte stofwolk, die zich als een muur over het land voortbeweegt,

is haar voorbode. In eene enkele minuut daalt de temperatuur om de

50 tot 60 graden, en deze plotselinge afkoeling tast het menschelijk

gestel zoo hevig aan, dat heete rumgrog de plaats van ijswater met wijn

moet vervangen, dat men zich in dekens en mantels pakt en zich haast,

een goed haardvuur aan te leggen. Kijkt men nu weer den kant uit,

van waar men dien morgen den witten nevel zag opstijgen, dan biedt

zich daar een schrikwekkend, verheven schouwspel het oog aan. Mijlen

ver staan de bosschen in vlammen. De vuurstaart verliest zich verder

en verder naar het binnenland, tot hij langs de heuvelvlakten al

flauwer en dunner wordt en eindelijk geheel verdwijnt.

In de nabijheid echter is dat schouwspel ontzettend grootsch.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 21 / 38 题