18. Het brood der Zuidzee-eilanders.

De broodboom is eene der uitstekendste voedingsplanten voor de volken

der heete luchtstreek, vooral van de in de nabijheid van den evenaar

liggende eilanden van den Grooten Oceaan, waar zijn eigenlijk

vaderland is. Onder zijne lommerrijke takken slaan de inwoners

nog tegenwoordig bij voorkeur hunne luchtige hutten op. De geheele

vorm van den broodboom is fraai en geen onzer woudboomen kan zich

daarin met hem meten. Hij wordt wel niet hooger dan veertig voet;

maar zijne wijde en dichte kroon is met het fraaiste groene loof

versierd. De afzonderlijke bladeren zijn bij de anderhalf voet lang en

tien tot elf cM. breed. Het kostelijkst sieraad en geschenk van den

broodboom is echter zijne groote, melige, ronde schijnvrucht, die,

geschild en vervolgens geroosterd of gebakken, bijna als tarwebrood

smaakt. Rauw is zij onsmakelijk en wordt zij alleen in geval van

hoogen nood gegeten. De gewone wijze, waarop de broodvrucht eetbaar

gemaakt wordt, beschrijft de reiziger Forster in de volgende woorden:

Men legt de vruchten, voordat zij tot volle rijpheid zijn gekomen,

na verwijdering van hare schil in een met steenen bevloerden kuil

en bedekt ze met bladeren en aarde, tot zij tot eene zure gisting

zijn overgegaan. Van dezen voorraad neemt men dagelijks zoo veel,

als men noodig heeft, maakt er klompen van, zoo dik als eene vuist,

wikkelt die in bladeren en bakt ze tusschen verhitte steenen. Deze

broodklompen blijven weken lang goed en zijn, ook op reis, een

kostelijk voedsel. Ook gedurende de drie of vier maanden, dat de

boom niet draagt, leeft de Zuidzee-eilander van dezen voorraad. En

daarbij levert deze voedingsplant zoo rijkelijk vrucht, dat drie

boomen toereikend zijn, om een' mensch acht maanden lang behoorlijk te

voeden. De groote reiziger Cook weet dezen boom dan ook niet genoeg te

roemen. Heeft daar iemand in zijn leven maar tien broodboomen geplant,

zegt hij, dan heeft hij voor zichzelf, de zijnen en voor een volgend

geslacht even veel gedaan, als een bewoner onzer ruwe luchtstreek,

die zijn leven lang in het koude wintertij geploegd, in den heeten

zomer geoogst en niet alleen zijne tegenwoordige huishouding van brood

voorzien, maar ook nog een kleinen spaarpenning voor zijne kinderen

op zij gelegd heeft.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 20 / 38 题