De broodboom is eene der uitstekendste voedingsplanten voor de volken
der heete luchtstreek, vooral van de in de nabijheid van den evenaar
liggende eilanden van den Grooten Oceaan, waar zijn eigenlijk
vaderland is. Onder zijne lommerrijke takken slaan de inwoners
nog tegenwoordig bij voorkeur hunne luchtige hutten op. De geheele
vorm van den broodboom is fraai en geen onzer woudboomen kan zich
daarin met hem meten. Hij wordt wel niet hooger dan veertig voet;
maar zijne wijde en dichte kroon is met het fraaiste groene loof
versierd. De afzonderlijke bladeren zijn bij de anderhalf voet lang en
tien tot elf cM. breed. Het kostelijkst sieraad en geschenk van den
broodboom is echter zijne groote, melige, ronde schijnvrucht, die,
geschild en vervolgens geroosterd of gebakken, bijna als tarwebrood
smaakt. Rauw is zij onsmakelijk en wordt zij alleen in geval van
hoogen nood gegeten. De gewone wijze, waarop de broodvrucht eetbaar
gemaakt wordt, beschrijft de reiziger Forster in de volgende woorden:
Men legt de vruchten, voordat zij tot volle rijpheid zijn gekomen,
na verwijdering van hare schil in een met steenen bevloerden kuil
en bedekt ze met bladeren en aarde, tot zij tot eene zure gisting
zijn overgegaan. Van dezen voorraad neemt men dagelijks zoo veel,
als men noodig heeft, maakt er klompen van, zoo dik als eene vuist,
wikkelt die in bladeren en bakt ze tusschen verhitte steenen. Deze
broodklompen blijven weken lang goed en zijn, ook op reis, een
kostelijk voedsel. Ook gedurende de drie of vier maanden, dat de
boom niet draagt, leeft de Zuidzee-eilander van dezen voorraad. En
daarbij levert deze voedingsplant zoo rijkelijk vrucht, dat drie
boomen toereikend zijn, om een' mensch acht maanden lang behoorlijk te
voeden. De groote reiziger Cook weet dezen boom dan ook niet genoeg te
roemen. Heeft daar iemand in zijn leven maar tien broodboomen geplant,
zegt hij, dan heeft hij voor zichzelf, de zijnen en voor een volgend
geslacht even veel gedaan, als een bewoner onzer ruwe luchtstreek,
die zijn leven lang in het koude wintertij geploegd, in den heeten
zomer geoogst en niet alleen zijne tegenwoordige huishouding van brood
voorzien, maar ook nog een kleinen spaarpenning voor zijne kinderen
op zij gelegd heeft.