Overal in de Zuidzee en in de Indische wateren, waar de kokospalm
voorkomt, begroet hij in kleiner of grooter groepen reeds uit de
wijde verte den naderenden zeevaarder, en in zijne schaduw ziet men
de eerste, verstrooid liggende hutten der eilanders wegschuilen. In
Oost-Indië echter liggen geheele steden in het midden van uitgestrekte
kokosbosschen, ja, op Ceilon kent men een woud van zulke palmen,
dat, zich langs de zeekust uitstrekkend, zes en twintig Eng. mijlen
lang en verscheiden uren breed is. Nog onder het Hollandsch bestuur
werden uit dit woud jaarlijks zes duizend vaten arak, drie millioen
pond touwwerk en eene ontzettende menigte olie gewonnen. Onberekenbaar
is de zegen, die in dezen éenen boom besloten ligt, wiens wasdom met
den bouw eener statige hooge zuil is te vergelijken.
In de natuur is deze slanke, veertig tot vijftig voet hooge zuil
met hare wiegelende groene bladerkroon, alleen staand zoowel als
in groepen, het grootste sieraad van het landschap. Naar het zeggen
des volks dient de kokosboom tot negen en negentig dingen. De stam,
die soms honderd voet hoog wordt, is wel sponsachtig en dun, maar
toch vast en bruikbaar tot balken, latten en masten voor huizen en
schepen. De holle palmstammen dienen tot goten en waterleidingen;
uit de wortels vlecht men korven en wannen het netweefsel aan iederen
bladwortel wordt tot kinderwiegen en paklinnen verbruikt. De vezels
van de schors alsmede het buitenste omkleedsel van de noot leveren
strikken en touwwerk. Het loof is het hoofdvoedsel der tamme olifanten
van Ceilon en Ava. Het malsche hart van de bladkroon, de zoogenaamde
palmkool, weegt van twintig tot dertig pond en is eene lekkernij voor
iedere tafel, door het uitsnijden waarvan men echter den boom voor
altijd te gronde richt. De kroon zelve bestaat uit een dozijn groote
bladeren; elk blad is twee tot drie voet breed, twaalf tot veertien
voet lang, en dient tot het dekken der daken, tot zonne-schermen, tot
vlecht- en mandewerk, tot papier, waarop men met griffels schrijft,
gedraaid tot fakkels, verbrand tot loog en uitmuntende zeep. Jong zijn
de bladeren doorschijnend en dienen den Cingaleezen tot lantaarns;
van de sterke bladribben worden vischfuiken, stokken en bezems
gemaakt. De gelijktijdige bloesems en vruchten zijn als voedsel en
drank onschatbaar. De noten, zoo groot als een menschenhoofd, eirond
en driekantig, worden ook groen en onrijp in de Indische keuken op de
meest verschillende wijze toebereid, en eene knappe huisvrouw zegt het
spreekwoord, moet daar eene maand lang iederen dag een nieuw gerecht
van weten op tafel te brengen. Het vocht in de noten, de kokosmelk,
is een verfrisschende en gezonde drank.
De op velerlei wijze gebruikte olie wordt licht ranzig en neemt een
voor den Europeeër walgenden reuk aan; maar in den jongsten tijd
heeft men toch geleerd, haar beter te behandelen en voor kunst en
nijverheid dienstbaar te maken. De uitgeperste kern geeft dan nog
het beste veevoeder en mest den akker. De harde kokosschil is bij
de ruwere stammen de gewone drinknap. De zeer taaie, bruinachtig
roode vezels der buitenste schil wordt tot de fijnste en kostbaarste
tapijten en weefsels verwerkt; maar hoofdzakelijk dient deze harde,
veerkrachtige vezel tot het maken van koorden en touwen, die vooral
voor de ankers in de stormachtige Indische zeeën van onschatbare waarde
en in vele opzichten boven die van hennep te verkiezen zijn. Uit
den nog niet geheel ontwikkelden bloesem wordt door insnijding het
sap getapt, dat men palmwijn (toddy) noemt. Versch gebruikt, is het
frisch en verkoelend; na korten tijd gist het en wordt bedwelmend;
later wordt het zuur en geeft den besten wijnazijn, gedistilleerd den
besten Indischen arak en ingekookt suiker (dzjaggeri). Om zoo vele
en groote zegeningen staat de boom overal bij de Indische volken in
het hoogste aanzien: bij de geboorte van een kind op Ceilon wordt een
kokos geplant, en de ringen, die zich bij het groeien rondom den stam
vormen, dienen tot aanduiding van den terugkeerenden geboortedag en
zijn zoo eene soort van tijdwijzer voor de inboorlingen. De vrome
Hindoe verkeert in het geloof, dat op zijn roepen de kokosnoot van
zelf voor zijne voeten neervallen moet, en eene vergulde kokosnoot
wordt, volgens overoud gebruik, telken jare in de haven van Bombay,
als de gunstige wind (moeson) invalt, aan de zee ten offer gebracht,
en dan eerst worden de schepen ná den stormtijd weder zeilree gemaakt.
Zoo is deze boom in de plantenwereld voor de kusten en talrijke
eilanden der groote Indische wereldzee een even sprekend getuige van
de goddelijke macht en goedertierenheid, als in de dierenwereld de
kameel dat voor Afrika's en Azië's woestijnen is, en kan 't ons niet
meer bevreemden, als de reizigers ons verzekeren, dat kokospalmen
alle hutten van Indië en de Zuidzee-eilanden overschaduwen, en dat
meer bewoners dier streken van de palmvrucht dan van graan leven.