16. De menschenroof in de Zuidzee.

Op de eilanden der Zuidzee, vooral op de Fidzji-eilanden, hebben zich

talrijke blanken neergezet, die daar boomwol en andere tropische

gewassen verbouwen. Dat is eene winstgevende zaak en zou dit nog

meer zijn, als het niet zoo aan arbeidskrachten ontbrak. Hoe gaarne

zouden die blanke planters daar den slavenhandel weer invoeren! Evenwel

zoekt men de wetten te ontduiken en de hedendaagsche «Koelieshandel»,

de invoering van vrije kleurlingen uit Azië, is weinig beter dan

vroeger de menschonteerende handel in Negerslaven. «Arbeiders moeten

wij hebben!» roepen de blanke planters in de Zuidzee, en zij gaan op

menschenroof uit.

Een schip wordt uitgerust, vaart naar een Zuidzee-eiland en zoekt daar

tegen loon arbeiders aan te werven. Volgen de ongelukkige inboorlingen

niet vrijwillig, dan worden zij eenvoudig geroofd. Een bijzonder

treffend geval van dien aard kwam in den zomer van 1872 aan het licht,

toen de rechtbank te Sydney in Australië zekeren John Armstrong,

kapitein van de Engelsche brik «Charles», wegens menschenroof en moord

veroordeelde. Dit schip was van de Fidzji-eilanden uitgezeild, om met

vergunning van den Britschen consul «arbeidskrachten» aan te werven. 't

Ging naar het eiland Malikolo, waar de zwarte inboorlingen, om handel

te drijven, in hunne kanoes toekwamen. Men ontving hen dadelijk met

geweervuur, waarop zij in het water sprongen en twaalf hunner door eene

sloep van de «Charles» opgevischt en aan boord gesleept werden. Zoo

was dan de eerste menschenvangst gelukt. De brik zeilde nu naar de

Salomonseilanden, waar men weer tien of twaalf slachtoffers opdeed, en

zoo ging het van eiland tot eiland, tot men eindelijk bij Bougainville

met éen' slag tachtig in handen kreeg. Alle vroegeren hadden zich

klagend maar stil in hun hard lot geschikt;--zij waren weggesleept

van hunne fraaie eilanden, uit de armen van vrouwen en kinderen,

die zij jammerend en weeklagend aan het strand achterlieten. Deze

mannen van Bougainville waren nochtans niet zoo gedwee. Toen de

avond kwam, trachtten zij door de wanden van hun' kerker heen te

breken; zij beproefden hunne vereenigde kracht tegen de luiken, en

toen deze niet toegaven, begonnen zij vuur te maken, om zichzelven

en het schip te verbranden. 't Was een vreeselijk tooneel. Onder in

het tusschendek de woedende zwarten, in hunne onverstaanbare taal

de gruwelijkste verwenschingen uitbrullend tegen hunne vervolgers en

beulen, die, met geweren, revolvers en sabels tot de tanden gewapend,

boven op het dek stonden. Toen de zwarten brand wilden stichten,

begon de slachting. Den ganschen nacht door vuurden de monsters

door de luiken heen op den wilden warhoop der ongewapende zwarten in

het ruim. «De blanken dorstten als wilde beesten naar bloed», werd

door den scheepsdokter Murray, die in deze zaak als getuige optrad,

voor de rechtbank verklaard.--Toen de morgen aanbrak, was het stil

geworden in het ruim. Men ging er monstering houden. Daar lagen in

hun bloed niet minder dan zeventig doode en gekwetste inboorlingen,

die nu op het dek werden gesleept. En het gruwelijkste volgde nog;

want niet de dooden alleen, maar ook de nog levenden werden over

boord geworpen en aan de haaien ten prooi gegeven.

Zoo rooft en moordt heden de blanke mensch zijne medemenschen in de

Zuidzee; zoo gaat het nu al jaren lang, en de Engelsche machthebbers

hielden zich altijd maar liefst ziende blind, «daar men toch volstrekt

arbeiders moet hebben.» Nu eindelijk schijnt de hooge regeering met

nadruk tegen dien menschenroof te willen optreden en met voldoening

hooren wij, dat die kapitein van de «Charles» den 20 November 1872

te Sydney door de rechtbank ter dood werd veroordeeld.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 18 / 38 题