Op de eilanden der Zuidzee, vooral op de Fidzji-eilanden, hebben zich
talrijke blanken neergezet, die daar boomwol en andere tropische
gewassen verbouwen. Dat is eene winstgevende zaak en zou dit nog
meer zijn, als het niet zoo aan arbeidskrachten ontbrak. Hoe gaarne
zouden die blanke planters daar den slavenhandel weer invoeren! Evenwel
zoekt men de wetten te ontduiken en de hedendaagsche «Koelieshandel»,
de invoering van vrije kleurlingen uit Azië, is weinig beter dan
vroeger de menschonteerende handel in Negerslaven. «Arbeiders moeten
wij hebben!» roepen de blanke planters in de Zuidzee, en zij gaan op
menschenroof uit.
Een schip wordt uitgerust, vaart naar een Zuidzee-eiland en zoekt daar
tegen loon arbeiders aan te werven. Volgen de ongelukkige inboorlingen
niet vrijwillig, dan worden zij eenvoudig geroofd. Een bijzonder
treffend geval van dien aard kwam in den zomer van 1872 aan het licht,
toen de rechtbank te Sydney in Australië zekeren John Armstrong,
kapitein van de Engelsche brik «Charles», wegens menschenroof en moord
veroordeelde. Dit schip was van de Fidzji-eilanden uitgezeild, om met
vergunning van den Britschen consul «arbeidskrachten» aan te werven. 't
Ging naar het eiland Malikolo, waar de zwarte inboorlingen, om handel
te drijven, in hunne kanoes toekwamen. Men ontving hen dadelijk met
geweervuur, waarop zij in het water sprongen en twaalf hunner door eene
sloep van de «Charles» opgevischt en aan boord gesleept werden. Zoo
was dan de eerste menschenvangst gelukt. De brik zeilde nu naar de
Salomonseilanden, waar men weer tien of twaalf slachtoffers opdeed, en
zoo ging het van eiland tot eiland, tot men eindelijk bij Bougainville
met éen' slag tachtig in handen kreeg. Alle vroegeren hadden zich
klagend maar stil in hun hard lot geschikt;--zij waren weggesleept
van hunne fraaie eilanden, uit de armen van vrouwen en kinderen,
die zij jammerend en weeklagend aan het strand achterlieten. Deze
mannen van Bougainville waren nochtans niet zoo gedwee. Toen de
avond kwam, trachtten zij door de wanden van hun' kerker heen te
breken; zij beproefden hunne vereenigde kracht tegen de luiken, en
toen deze niet toegaven, begonnen zij vuur te maken, om zichzelven
en het schip te verbranden. 't Was een vreeselijk tooneel. Onder in
het tusschendek de woedende zwarten, in hunne onverstaanbare taal
de gruwelijkste verwenschingen uitbrullend tegen hunne vervolgers en
beulen, die, met geweren, revolvers en sabels tot de tanden gewapend,
boven op het dek stonden. Toen de zwarten brand wilden stichten,
begon de slachting. Den ganschen nacht door vuurden de monsters
door de luiken heen op den wilden warhoop der ongewapende zwarten in
het ruim. «De blanken dorstten als wilde beesten naar bloed», werd
door den scheepsdokter Murray, die in deze zaak als getuige optrad,
voor de rechtbank verklaard.--Toen de morgen aanbrak, was het stil
geworden in het ruim. Men ging er monstering houden. Daar lagen in
hun bloed niet minder dan zeventig doode en gekwetste inboorlingen,
die nu op het dek werden gesleept. En het gruwelijkste volgde nog;
want niet de dooden alleen, maar ook de nog levenden werden over
boord geworpen en aan de haaien ten prooi gegeven.
Zoo rooft en moordt heden de blanke mensch zijne medemenschen in de
Zuidzee; zoo gaat het nu al jaren lang, en de Engelsche machthebbers
hielden zich altijd maar liefst ziende blind, «daar men toch volstrekt
arbeiders moet hebben.» Nu eindelijk schijnt de hooge regeering met
nadruk tegen dien menschenroof te willen optreden en met voldoening
hooren wij, dat die kapitein van de «Charles» den 20 November 1872
te Sydney door de rechtbank ter dood werd veroordeeld.