Behalve de oude tempels zijn de paleizen der inlandsche vorsten
de eenige gemetselde werken van eenig belang, welke men op Java en
Sumátra aantreft.
Die paleizen, onder welke dat van den sultan van Atjeh in den laatsten
tijd zulk eene voor ons treurige vermaardheid heeft verkregen, heeten
k'raton of k'daton, welk woord letterlijk beteekent «woonplaats
van den vorst». 't Zijn inderdaad bemuurde steden, in wier midden
het paleis staat, naar alle zijden door de woningen der leden van
het vorstelijk huis en van de voornaamste hofbeambten omgeven. De
open ruimten bevatten de tuinen, waterkommen en badplaatsen van den
vorst. Het geheel is doorsneden met een aantal muren, die het als
't ware tot een' doolhof maken, en wordt door dichte bosschages van
allerlei geboomte aan het oog onttrokken.
De hoofdpoort van den k'raton ligt altijd op het noorden. Daarachter
is de aloen-aloen of 't groote plein, waarop de vorst zich eenmaal
in de week aan zijn volk vertoont. Hier worden ook de tornooien,
optochten en tijgergevechten gehouden, en terwijl de edelen bij
den vorst ten gehoore worden toegelaten, wacht hier hun talrijk
gevolg. Aan weerszijden is altijd eene rij Indische vijgeboomen
(waringins), en zoo ook staan altijd twee dezer boomen midden op het
plein, iedere boom door een' muur omgeven. Tusschen die boomen is de
plek, waar de openbare strafoefeningen worden gehouden. Deze boomen
gelden als heilig en zijn sporen van het Boeddhismus. Men kan bijna
met zekerheid aannemen, dat, waar deze boomen groeien, vroeger een
vorstelijk verblijf was. Aan de zuidzijde van den k'raton is een
dergelijk plein, doch kleiner.
Als men het voorplein over gaat, komt men aan den passeban: een op
pilaren rustend afdak, dat bestemd is voor den adel, die daar het
oogenblik afwacht, waarop hij voor den vorst zal worden geroepen. Van
den passeban leidt eene zeer breede trap naar den sitingil (letterlijk:
hooge grond), een fraai terras, te midden waarvan zich eene gewone
pendòpo verheft. De pendòpo is grooter dan de passeban, maar
ongeveer op dezelfde wijze ingericht: een dak op pilaren, waaronder
bij plechtige gelegenheden de vorst zelf audiëntie houdt. Van den
sitingil daalt men langs eene trap naar de verschillende paleizen af,
die allen klinkende namen hebben. Men moet daartoe langs een aantal
bochtige paden en door verschillende poorten gaan.
De bemuring der meeste oude k'ratons was van onbehouwen steen. Zoo
vindt men er te Prambanan. Later werden ze van zeer goede mortel en
nog later van behouwen zandsteen opgetrokken. Die uit den jongeren
tijd zijn van gewonen baksteen. De muren der oudste k'ratons waren
alleen door torens verdedigd. Tegenwoordig zijn ze, in navolging der
Europeesche versterkingen, van glacis, grachten, bastions, wallen,
borstweringen en schietgaten voorzien. Van de uitgestrektheid van
sommige k'ratons kan men zich eenig denkbeeld vormen, als men weet,
dat die te Soerakarta vroeger een' omtrek van drie mijlen had en
10,000 inwoners binnen zijne muren bevatte. De grootste van allen
(op Java) was die van Madjapahit. De afstand tusschen beide poorten,
waarvan men nog de bouwvallen ziet, was drie mijlen. Was deze k'raton
een vierkant, dan zou de omtrek 12 mijlen zijn geweest en had hij
160,000 inwoners kunnen bevatten.