De Europeanen zijn gewoon, een dorp op Java eene dessa te noemen. Wij
zullen dit ook maar doen, doch moeten hierbij opmerken, dat in de
verschillende deelen van het groote eiland drie afzonderlijke talen
door de inlandsche bevolking worden gesproken, namelijk Javaansch,
Soenda'sch en Madoereesch, zoodat het Javaansche woord, dat eenigszins
verbasterd als «dessa» klinkt, zeker wel niet overal zal worden
verstaan.
Meestal bezit elk dorp een eigen hoofd, die de gemeenschappelijke
belangen der bevolking bestuurt: hij wordt gekozen door de volwassen
mannelijke ingezetenen. In het westelijk deel van Java zijn vaak
verscheidene kleine dorpen tot ééne gemeente onder hetzelfde hoofd
vereenigd,--eene regeling die wel eenigszins gelijkt op hetgeen men
in onze provincie Friesland aantreft.
Bij het naderen der dessa bespeurt men van de gebouwen zoo goed als
niets. De weg voert geruimen tijd langs onafzienbare rijstvelden, zich
uitstrekkende tot op de helling van het gebergte in het verschiet,
en afgewisseld nu en dan door bloeiende koffietuinen. In de verte
stuit het oog op een dicht bosch, gelijkende op een eiland te midden
van een meer van groene halmen,--welke overeenkomst nog grooter wordt,
als het rijstveld onder water staat.
Naar ééne dier donkere plekken richten we onze schreden. De smalle
voetpaden, die het rijstveld doorsnijden, wijzen ons den weg: na den
oogsttijd kunnen we ook over den stoppeligen bodem gaan, en alzoo
de wandeling verkorten. Verderop worden de akkers kleiner, en zijn
met meer verscheidenheid van gewassen beplant, soms doorsneden van
fraaie lanen met hoogopgaand geboomte. Vervolgens komen we aan eene
dichte heg van bamboe, die het geheele terrein der dessa omringt,
als een levende muur, waarin hier en daar openingen zijn gelaten voor
den toegang. Eerst nu kunnen we een' blik slaan in het dorp zelf:
het bestaat uit een zeker aantal sterk begroeide erven. Te midden
dier stukken grond zijn de hutten der inlanders gebouwd.
Ook het erf van den dessa-bewoner is van dat van zijn' buurman
gescheiden door eene haag van bamboe, waarin eene opening, groot genoeg
om eene kar met een paar buffels bespannen, door te laten. Zoodra
we door deze omsluiting heen zijn, treft ons de prachtige aanblik
van de talrijke en in ons oog vreemdsoortige vruchtboomen, die de
woning omringen.
We bereiken deze langs het smalle voetpad, dat het erf doorsnijdt. We
treffen het gezin aan het middagmaal, dat zeer weinig verschilt van
den tweeden maaltijd, waarmede na zonsondergang de dag wordt besloten,
en die hoofdzakelijk bestaat uit rijst, eenige vruchten, en reepjes
gedroogd vleesch.
Eerst moeten we ons een weinig aan de duisternis trachten te
gewennen: de deuropening is de eenige plaats, langs welke het licht
kan binnendringen. Doch dat hindert dezen lieden volstrekt niet;
binnenshuis hebben zij bijna geene bezigheden te verrichten,--al wat
zij te doen hebben geschiedt op het erf. Zelfs voor het gereedmaken
der spijzen is aan de buitenzijde eene stookplaats onder een afdak
gemaakt. Het met bladeren belegde dak loopt verder dan de voorwand
van bamboe, en rust op palen, waardoor eene veranda wordt gevormd,
onder welker beschutting de vrouwen haar huiselijke werkzaamheden
verrichten. En deze zijn waarlijk niet gering. Op de dagen, dat zij
niet mede naar het veld moeten om rijst te planten of te oogsten,
hebben zij drukte genoeg met het spinnen, weven en verven der
katoenen stoffen, waaruit grootendeels de kleeding der inlanders
bestaat, het raspen van kokosnoten, om uit de fijngemaakte pit de
olie te kunnen trekken, die bij haar de plaats van boter en vet
vervult. Onder datzelfde afdak wordt dikwijls de maaltijd genuttigd;
het binnenhuis wordt voornamelijk gebruikt om te slapen of om des
middags, beschut voor de hitte, eene koele rustplaats te vinden. De
inwendige ruimte is meestal in twee vertrekken verdeeld, waarvan een
voor de kinderen dient. Kijk nauwelijks hebben ze ons zien komen,
of ze springen op uit hunne zittende houding--met de beenen vóór het
lichaam gekruist--en maken zich uit de voeten, echter niet zóó gauw,
of we hebben nog wel kunnen bespeuren dat hun donkergeel lichaam door
bijzonder weinig kleeding is bedekt.
De huisvader maakt, zittende op zijn' stoel van hout, gespleten bamboe
en rotting, eene beleefde buiging voor de Europeesche bezoekers; op
onze vraag, of we even mogen rondzien, staat hij dadelijk op, om ons
van dienst te zijn. Daar ginds in den hoek is de slaapplaats, alleen
bestaande uit eene kleine verhevenheid, waarop eene mat ligt en eenige
kussens met kapok gevuld, alles half weggeborgen achter een katoenen
gordijn als onmisbaar scherm voor de muskieten. Niet ver van daar
staat eene groote rustbank. Maar wat het meest onze aandacht trekt,
is eene vrij groote doos of bak met een aantal kleine voorwerpen er in,
die de verschillende bestanddeelen bevatten, welke de Javaan zoowel als
zijne vrouw noodig hebben, om hun sirih of betelpruim gereed te maken.
Wat dat is?
Als we straks het erf opwandelen, zullen we een paar rechte en slanke
palmboomen zien, met kleine, roodachtige vruchten beladen. Dat zijn
pinang- of betelnootpalmen. Ook treffen we daar een stengelgewas aan,
dat tegen een anderen boom wordt opgeleid, en welks bladeren sirih
of betel genoemd worden. Welnu, aanstonds als onze Javaansche vriend
een beetje op zijn gemak gaat zitten, neemt hij uit een hoog vierkant
bakje, dat in de doos staat, een betelblad; uit een ander bakje een
stukje van eene pinangnoot, dat nu erg hard is geworden,--de noot
werd aan stukken geknipt, toen zij versch was geplukt,--dan, uit een
rond doosje, een stukje gambir, welke stof wordt getrokken uit het
sap van een op Java weinig, maar op Sumatra des te meer voorkomend
struikgewas,--eindelijk, uit een kleiner potje, een veegje fijne
natte kalk. Deze laatste strijkt hij op het blad, rolt er pinang en
gambir in, en steekt dat alles in den mond: dikwijls voegt hij er nog
wat tabak aan toe. Nu gaat hij lustig aan het kauwen: het sap kleurt
zijn speeksel rood en zijne tanden zwart; daarbij moet hij telkens
zijne toevlucht nemen tot het spuwbakje of kwispedoor dat naast zijne
doos staat. Het betelkauwen is over geheel Indië verspreid, en als
twee inlanders elkander bezoeken, begint men met de aanbieding van de
sirih-doos. Gelooft ook niet, dat zij zwarte tanden als iets leelijks
beschouwen; integendeel. Bovendien worden de tanden der meisjes tot
kleine puntjes afgevijld, hetgeen in ons oog een afschuwelijk gebruik
is. Doch de smaken verschillen: de Javanen vinden dat het bezit van
groote blanke tanden onzen Europeeschen mond doet gelijken op den
muil van een' tijger of van een' hond.
Laat ons nu de kleeding van onze luidjes eens bekijken. Veel
onderscheid tusschen die der mannen en vrouwen bestaat er niet: beiden
dragen om het middel een lang stuk katoen, dat eenige malen het lichaam
omgeeft en van achteren met het uiteinde is ingestoken, en zoo eene
soort van rok gelijkt, die bij de mannen even over de knieën, bij de
vrouwen op de voeten afhangt. Dit voornaamste kleedingstuk heeft niet
overal dezelfde afmetingen en draagt onderscheiden namen: gemakshalve
wordt het door de Europeanen sarong genoemd. Dikwijls wordt de stof
door de Javanen, meestal door de vrouwen, op hun eigen weefgetouwen
vervaardigd en vervolgens gekleurd: ook worden veel katoenen stoffen
uit ons werelddeel aangevoerd.
In West-Java is de sarong gewoonlijk het eenig kleedingstuk der
vrouwen: de mannen hebben daaronder nog eene korte wijde broek. Meer
oostwaarts vinden wij bij de eersten eene strook linnen of wit katoen
om het bovenlijf gewonden, bij de laatsten een katoenen borstrok
met zeer korte mouwen en daarover een baadje (badjoe) van gestreept
katoen, van boven aan den hals met een' knoop nauwsluitend vastgemaakt
en verder loshangend: de mouwen zijn wijd en reiken maar even over
den elleboog.
Omtrent den hoofdtooi merken wij op, dat een haarsnijder bij de
inlandsche bevolking weinig bezigheid zou vinden. Het haar der kleine
tweejarige jongens wordt afgeschoren, op twee lokjes na: verder laat
men het ongehinderd groeien. De Javaan steekt zijne lange zwarte
haren door middel van een halfronden schildpadden kam in eene wrong
samen en bedekt het door een' doek, die, om het hoofd gewonden,
door het insteken van het uiteinde wordt vastgehouden. Over dien
hoofddoek wordt bij den veldarbeid een verbazend groote stroohoed
gedragen, die hoofd en schouders beschermt en zoowel door vrouwen als
door mannen wordt gebezigd. De eersten zijn anders blootshoofds: het
lange haar wordt in een kunstigen knoop op het achterhoofd bevestigd,
en met fraaie haarnaalden en welriekende bloemen versierd.
De voeten zijn doorgaans onbedekt: soms ziet men geringe lieden
gebruik maken van houten zolen, waaraan van boven een pennetje, dat
tusschen de teenen wordt vastgehouden. Wij zouden ons zeker wel eene
poos mogen oefenen eer we met die dingen terecht konden. Aanzienlijke
lieden bezigen binnenshuis nette pantoffels, en de voornaamste hoofden
dragen, als zij in dienst zijn, laarzen. Beide laatste soorten van
schoeisel zijn door de Europeanen in zwang gekomen.
Als de Javaan uitgaat, is hij steeds gewapend, en wel met eene kris,
eene soort van platten dolk, meestal eenigszins gegolfd. Hij wordt aan
de linkerzijde gedragen in eene scheede, of in den gordel gestoken,
of aan een' ring hangend. De krissen van aanzienlijke personen hebben
dikwijls prachtige gevesten, kunstig bewerkt en met goud en diamanten
versierd. Als kostbare erfstukken worden zij hoog in eere gehouden.
Laat ons thans, na rustig de heetste uren van den dag te hebben
afgewacht, het erf opwandelen. De verschillende soorten van boomen en
gewassen, die we hier opmerken, moeten tot eene latere kennismaking
bewaard blijven: het is ons heden voornamelijk om de huishoudelijke
inrichting te doen.
Daar ginds, niet ver van het huis verwijderd, staat het rijstblok:
de stamper ligt er boven op. Deze onmisbare voorwerpen doen nagenoeg
dagelijks dienst voor het pellen van de rijst; somtijds ook 's nachts,
als er onraad is, en men door slaan op het rijstblok zijne buren
tracht te wekken. Onder een afdak, ter zijde van de woning, staan
twee paarden, klein van stuk maar vrij gespierd en lenig. Onze man
behoort tot de meest welvarende onder zijne dorpsgenooten, want het
bezit van paarden is lang niet algemeen. De hond van het erf houdt hun
gezelschap: 't is een mager, onvriendelijk dier, met steile ooren,
vaalgrijs haar en een langen, kalen staart. De hond is dan ook bij
de Javanen weinig in tel, slechts iets meer dan het varken, dat door
de Mohammedanen als onrein wordt veracht en men dus hier te vergeefs
zou zoeken.
Nog andere gebouwen trekken onze aandacht. Vooreerst de rijstschuur,
die, van boven langer en breeder dan van onder, eene vreemde vertooning
maakt. De deur is in het schuine dak, en om de afgesneden aren er in
te brengen moet men langs eene bamboeladder naar boven klimmen. Verder
zien we een dak op palen, door dwarshouten verbonden en met eene deur
van bamboe gesloten. Daar binnen is de grond met eene dikke laag modder
bedekt. Dat is het verblijf van de buffels of karbouwen, de trouwe
helpers bij den veldarbeid. Ook zien we, onder een afdak, een groot
rijtuig staan: 't lijkt wel eene soort van huisje op een paar lompe
schijfvormige wielen. Het heet pedati en wordt door buffels getrokken
om landbouwvoortbrengselen naar elders te vervoeren. Nog vinden wij
daar de landbouwgereedschappen: den ploeg en de egge. Beide zijn
zeer eenvoudig en zoo licht, dat de gebruiker ze op zijne schouders
naar het veld kan dragen. De ploeg bestaat uit drie stukken hout:
een langen boom, waaraan de karbouwen met een' strik rechts en links
worden gespannen,--achteraan een gebogen roer om hem te sturen,
en van onderen den schoen met ijzeren punt. De egge is niets anders
dan eene groote hark, waarboven een zitbankje: door de zwaarte van
zijn lichaam doet de landman de tanden van het door buffels getrokken
werktuig diep genoeg in den lossen grond dringen.
Nu we dit alles hebben bezichtigd wordt het tijd om aan de terugreis
te denken, willen we niet door de duisternis overvallen worden. Zoodra
toch de zon onder is, wordt het plotseling donker; schemering kent men
in de nabijheid van den evenaar schier niet. We nemen dan afscheid van
onzen geleider en wandelen langs het pad door de sawah (het rijstveld)
terug naar de plaats, waar we ons rijtuig hebben achtergelaten.