De eerste kennismaking met de hoofdstad van Nederlandsch-Indië is ons
wel wat tegengevallen. Weinig levendigheid op de reede, en binnen
de stad zelve gemis van dat gewoel in de straten en op de pleinen,
waardoor de Europeesche handelsplaatsen zich onderscheiden.
Dat komt, omdat Batavia niet meer is wat het vroeger was. De
tegenwoordige bevolking bestaat nagenoeg geheel uit inlanders; wel
hebben de Nederlandsche handelaars en ambtenaren er hunne kantoren,
maar tegen den avond, wanneer de bezigheden zijn afgeloopen, verlaten
zij die, en begeven zij zich naar hun woning, in eene der buitenwijken
gelegen. Batavia bestaat uit de oude stad, door onze voorouders
regelmatig aangelegd naar het model eener oud-Nederlandsche, met
straten en grachten en marktplaatsen,--en de nieuwe, zijnde een aantal
groepen prachtige villa's en doelmatige woonhuizen, omgeven door tuinen
en voorzien van al wat het leven in die luchtstreek kan veraangenamen.
Eene ouderwetsche poort verleent toegang tot de stad; na die poort
te zijn doorgereden, zien wij vóór ons het Raadhuis,--een gebouw dat
er uitziet alsof het zoo pas uit de eene of andere Hollandsche stad
door tooverslag hier heen is overgebracht. Verderop zien wij eene
breede straat, met fraaie rijen boomen beplant, en aan weerszijden
bezet met huizen van twee verdiepingen, vrij smal en met muren van
roode klinkers, precies als ware men hier in Nederland. Sommige dier
huizen worden bewoond door Europeesche en inlandsche handwerkslieden,
andere dienen den handelaars tot kantoren; zij bevinden er zich van
des morgens negen tot des avonds vier uur, en laten er alleen een
inlandschen huisbewaarder achter. Ook hebben verscheiden Chineesche
handwerkslieden hier hun werkplaatsen. Voorts aanschouwen wij nog een
aantal straten en grachten, die hier en daar eenige zeer fraaie winkels
aanbieden, en dan krijgen we weer open plaatsen, met boomen bezet,
die ons zouden doen denken, dat de stad hier ophoudt. Dat is echter zoo
niet; er volgen nog meer groepen woningen, maar de regelmatige aanleg
begint plaats te maken voor meer grilligen bouwtrant; de huizen staan
niet langer dicht opeengedrongen en zijn door tuinen afgewisseld, en
spoedig betreden wij de buitenwijken, het zoogenaamde «Nieuw Batavia».
Oudtijds was de stad door zestien grachten in regelmatige blokken
verdeeld. Die grachten liepen uit in de Tjiliwong en hadden ook met
andere riviertjes gemeenschap, zoodat zij steeds van versch water
voorzien waren. Sommige er van, zooals de Tijgergracht vooral, waren
prachtig; en de bewoners konden zich 's avonds, als zij op hunne hooge
stoepen of gemetselde banken zaten, verbeelden, dat zij te Amsterdam
waren. Batavia stond toen hoog in aanzien; op het kasteel hield de
Gouverneur-generaal zijn verblijf, en alle hooggeplaatste ambtenaren
woonden er. Het werd dan ook meermalen de «Koningin van het Oosten»
genoemd. Daarbij was de stad door stevige vestingwerken omgeven,
om haar tegen vijandelijke aanvallen te dekken.
Later veranderde dit. De riviertjes, waarvan wij zooeven spraken,
stroomen van de zuidelijker gelegen bergen af; zij hebben eene smalle,
ondiepe bedding, en voeren zeer veel slib mede. Dicht bij de kust wordt
het terrein vlak, de stroom verflauwt, en het slib bezinkt. Daarbij
werd in 1669 door eene vulkanische uitbarsting en eene aardbeving de
mond van de Tjiliwong verstopt, en sedert hoopten zich slijkmassa's
op in de grachten, hetgeen schadelijke uitwasemingen te weeg bracht,
die oorzaak waren van kwaadaardige ziekten. De sterfte werd zoo groot,
dat Batavia den naam kreeg van «het graf der Europeanen». Men heeft
dit zoeken te verhelpen door de grachten te dempen, voor een groot
deel ten minste, en in 1811 heeft de Gouverneur-generaal Daendels
de vestingwerken laten sloopen, om aan de frissche luchtstroomen uit
het Zuiden meer vrijen toegang te verschaffen, maar nog altijd bleef
oud-Batavia den naam houden dat het er ongezond is, en vestigen zij,
wier middelen het toelieten, zich wat verder van de zeekust. Dat
verklaart ons de menigte open plekken, die wij hebben aangetroffen.
Nu de buitenwijken eens bekeken. Zij zijn nog al talrijk en dragen
deels Nederlandsche, deels Indische namen. Het eerst rijden wij door
Molenvliet, daarna door Rijswijk: wij zien hier het Hôtel van den
Gouverneur-generaal, een heel eenvoudig gebouw, dat de landvoogd
evenwel niet bewoont, maar dat hij alleen bezigt voor feesten en
audiëntiën, wanneer hij zich te Batavia bevindt. Vervolgens gaan
wij naar het Koningsplein, eene uitgestrekte vlakte, rondom door de
prachtigste villa's omgeven: het prijkt bovendien met eene renbaan,
terwijl er ook, wanneer de gelegenheid zulks medebrengt, openbare
vermakelijkheden worden gehouden, als wanneer het Koningsplein wel
eenigszins aan eene Nederlandsche kermis doet denken. Belangrijk is
de dieren- en plantentuin, sedert kort hier ingericht.
Een weinig zuidwaarts van het Koningsplein ligt de wijk Tanah Abang,
met het kerkhof der Europeanen, door een fraai ijzeren hek omgeven. Het
prijkt met menig gedenkteeken, opgericht ter eere van mannen, die
zich jegens Indië verdienstelijk hebben gemaakt.
Wij moeten nu weder naar Rijswijk terug, om van daar Weltevreden te
bereiken. Eerst krijgen wij nog Noordwijk en vervolgens komen wij
alweer aan eene ruime open plaats, en Waterlooplein geheeten. Het
heeft dien naam te danken aan een gedenkteeken ter herinnering aan den
bekenden veldslag, die voorgoed over Napoleons lot besliste. Mooi
is het monument niet: wanneer we het van onderen op bekijken,
zien wij eerst een houten voetstuk, daarna een wit gekalkt zuiltje,
eindelijk een houten leeuw, die, ware hij wat kleiner, wel uit een
draaimolen afkomstig kon zijn. Den vreemdeling, die weten wil wat
dat alles beteekent, wordt door een opschrift verhaald, dat in 1815
de Hollanders de Franschen hebben verslagen. Net of de Engelschen en
de Pruisen er volstrekt geen deel aan hadden!
Nog een weinig verder, en wij staan voor het paleis van Weltevreden,
dat in 1809 begonnen, in 1827 voltooid is, en eveneens als woning
voor den Gouverneur-generaal was aangewezen. Ook dit gebouw geniet
de eer niet, door Z. Exc. betrokken te worden: het bevat nu slechts
de bureau's van algemeen bestuur, en de vergaderzaal van den Raad
van Indië.
Batavia bezit nog veel meer openbare gebouwen. Onder de voornaamste
noemen wij de Willemskerk op het Koningsplein, het gebouw van het
Bataviasche genootschap van Kunsten en Wetenschappen, met fraaie
muséums van Indische oudheden, voorwerpen, die betrekking hebben op de
kennis van het volksleven, en eene flinke boekverzameling. Vervolgens
de societeit «Harmonie», die des avonds druk bezocht wordt door
officieren, ambtenaren en gegoede particulieren. Eindelijk het
ziekenhuis, geen gebouw op zichzelf, maar eene gansche reeks van
kleine gebouwen, aan weerszijden van een' tuin omgeven, elk slechts
twee of drie kamers bevattende. Het is zoo ingericht om besmetting
te vermijden.
Batavia is door een' spoorweg verbonden aan Buitenzorg, ruim dertien
uren gaans verder landwaarts gelegen. De bewoners der buitenwijken
kunnen van dien spoorweg gebruik maken om naar de oude stad te
gaan. Voor het overige geschiedt de tocht van de nieuwe stad
naar de oude met rijtuig, terwijl zij, die zoo gelukkig niet zijn
eigen equipage te bezitten, meestal gebruik maken van den tram of
paardenspoorweg, een vervoermiddel ook hier te lande niet onbekend,
daar het reeds in verscheiden steden wordt aangetroffen.