13. Batavia.

De eerste kennismaking met de hoofdstad van Nederlandsch-Indië is ons

wel wat tegengevallen. Weinig levendigheid op de reede, en binnen

de stad zelve gemis van dat gewoel in de straten en op de pleinen,

waardoor de Europeesche handelsplaatsen zich onderscheiden.

Dat komt, omdat Batavia niet meer is wat het vroeger was. De

tegenwoordige bevolking bestaat nagenoeg geheel uit inlanders; wel

hebben de Nederlandsche handelaars en ambtenaren er hunne kantoren,

maar tegen den avond, wanneer de bezigheden zijn afgeloopen, verlaten

zij die, en begeven zij zich naar hun woning, in eene der buitenwijken

gelegen. Batavia bestaat uit de oude stad, door onze voorouders

regelmatig aangelegd naar het model eener oud-Nederlandsche, met

straten en grachten en marktplaatsen,--en de nieuwe, zijnde een aantal

groepen prachtige villa's en doelmatige woonhuizen, omgeven door tuinen

en voorzien van al wat het leven in die luchtstreek kan veraangenamen.

Eene ouderwetsche poort verleent toegang tot de stad; na die poort

te zijn doorgereden, zien wij vóór ons het Raadhuis,--een gebouw dat

er uitziet alsof het zoo pas uit de eene of andere Hollandsche stad

door tooverslag hier heen is overgebracht. Verderop zien wij eene

breede straat, met fraaie rijen boomen beplant, en aan weerszijden

bezet met huizen van twee verdiepingen, vrij smal en met muren van

roode klinkers, precies als ware men hier in Nederland. Sommige dier

huizen worden bewoond door Europeesche en inlandsche handwerkslieden,

andere dienen den handelaars tot kantoren; zij bevinden er zich van

des morgens negen tot des avonds vier uur, en laten er alleen een

inlandschen huisbewaarder achter. Ook hebben verscheiden Chineesche

handwerkslieden hier hun werkplaatsen. Voorts aanschouwen wij nog een

aantal straten en grachten, die hier en daar eenige zeer fraaie winkels

aanbieden, en dan krijgen we weer open plaatsen, met boomen bezet,

die ons zouden doen denken, dat de stad hier ophoudt. Dat is echter zoo

niet; er volgen nog meer groepen woningen, maar de regelmatige aanleg

begint plaats te maken voor meer grilligen bouwtrant; de huizen staan

niet langer dicht opeengedrongen en zijn door tuinen afgewisseld, en

spoedig betreden wij de buitenwijken, het zoogenaamde «Nieuw Batavia».

Oudtijds was de stad door zestien grachten in regelmatige blokken

verdeeld. Die grachten liepen uit in de Tjiliwong en hadden ook met

andere riviertjes gemeenschap, zoodat zij steeds van versch water

voorzien waren. Sommige er van, zooals de Tijgergracht vooral, waren

prachtig; en de bewoners konden zich 's avonds, als zij op hunne hooge

stoepen of gemetselde banken zaten, verbeelden, dat zij te Amsterdam

waren. Batavia stond toen hoog in aanzien; op het kasteel hield de

Gouverneur-generaal zijn verblijf, en alle hooggeplaatste ambtenaren

woonden er. Het werd dan ook meermalen de «Koningin van het Oosten»

genoemd. Daarbij was de stad door stevige vestingwerken omgeven,

om haar tegen vijandelijke aanvallen te dekken.

Later veranderde dit. De riviertjes, waarvan wij zooeven spraken,

stroomen van de zuidelijker gelegen bergen af; zij hebben eene smalle,

ondiepe bedding, en voeren zeer veel slib mede. Dicht bij de kust wordt

het terrein vlak, de stroom verflauwt, en het slib bezinkt. Daarbij

werd in 1669 door eene vulkanische uitbarsting en eene aardbeving de

mond van de Tjiliwong verstopt, en sedert hoopten zich slijkmassa's

op in de grachten, hetgeen schadelijke uitwasemingen te weeg bracht,

die oorzaak waren van kwaadaardige ziekten. De sterfte werd zoo groot,

dat Batavia den naam kreeg van «het graf der Europeanen». Men heeft

dit zoeken te verhelpen door de grachten te dempen, voor een groot

deel ten minste, en in 1811 heeft de Gouverneur-generaal Daendels

de vestingwerken laten sloopen, om aan de frissche luchtstroomen uit

het Zuiden meer vrijen toegang te verschaffen, maar nog altijd bleef

oud-Batavia den naam houden dat het er ongezond is, en vestigen zij,

wier middelen het toelieten, zich wat verder van de zeekust. Dat

verklaart ons de menigte open plekken, die wij hebben aangetroffen.

Nu de buitenwijken eens bekeken. Zij zijn nog al talrijk en dragen

deels Nederlandsche, deels Indische namen. Het eerst rijden wij door

Molenvliet, daarna door Rijswijk: wij zien hier het Hôtel van den

Gouverneur-generaal, een heel eenvoudig gebouw, dat de landvoogd

evenwel niet bewoont, maar dat hij alleen bezigt voor feesten en

audiëntiën, wanneer hij zich te Batavia bevindt. Vervolgens gaan

wij naar het Koningsplein, eene uitgestrekte vlakte, rondom door de

prachtigste villa's omgeven: het prijkt bovendien met eene renbaan,

terwijl er ook, wanneer de gelegenheid zulks medebrengt, openbare

vermakelijkheden worden gehouden, als wanneer het Koningsplein wel

eenigszins aan eene Nederlandsche kermis doet denken. Belangrijk is

de dieren- en plantentuin, sedert kort hier ingericht.

Een weinig zuidwaarts van het Koningsplein ligt de wijk Tanah Abang,

met het kerkhof der Europeanen, door een fraai ijzeren hek omgeven. Het

prijkt met menig gedenkteeken, opgericht ter eere van mannen, die

zich jegens Indië verdienstelijk hebben gemaakt.

Wij moeten nu weder naar Rijswijk terug, om van daar Weltevreden te

bereiken. Eerst krijgen wij nog Noordwijk en vervolgens komen wij

alweer aan eene ruime open plaats, en Waterlooplein geheeten. Het

heeft dien naam te danken aan een gedenkteeken ter herinnering aan den

bekenden veldslag, die voorgoed over Napoleons lot besliste. Mooi

is het monument niet: wanneer we het van onderen op bekijken,

zien wij eerst een houten voetstuk, daarna een wit gekalkt zuiltje,

eindelijk een houten leeuw, die, ware hij wat kleiner, wel uit een

draaimolen afkomstig kon zijn. Den vreemdeling, die weten wil wat

dat alles beteekent, wordt door een opschrift verhaald, dat in 1815

de Hollanders de Franschen hebben verslagen. Net of de Engelschen en

de Pruisen er volstrekt geen deel aan hadden!

Nog een weinig verder, en wij staan voor het paleis van Weltevreden,

dat in 1809 begonnen, in 1827 voltooid is, en eveneens als woning

voor den Gouverneur-generaal was aangewezen. Ook dit gebouw geniet

de eer niet, door Z. Exc. betrokken te worden: het bevat nu slechts

de bureau's van algemeen bestuur, en de vergaderzaal van den Raad

van Indië.

Batavia bezit nog veel meer openbare gebouwen. Onder de voornaamste

noemen wij de Willemskerk op het Koningsplein, het gebouw van het

Bataviasche genootschap van Kunsten en Wetenschappen, met fraaie

muséums van Indische oudheden, voorwerpen, die betrekking hebben op de

kennis van het volksleven, en eene flinke boekverzameling. Vervolgens

de societeit «Harmonie», die des avonds druk bezocht wordt door

officieren, ambtenaren en gegoede particulieren. Eindelijk het

ziekenhuis, geen gebouw op zichzelf, maar eene gansche reeks van

kleine gebouwen, aan weerszijden van een' tuin omgeven, elk slechts

twee of drie kamers bevattende. Het is zoo ingericht om besmetting

te vermijden.

Batavia is door een' spoorweg verbonden aan Buitenzorg, ruim dertien

uren gaans verder landwaarts gelegen. De bewoners der buitenwijken

kunnen van dien spoorweg gebruik maken om naar de oude stad te

gaan. Voor het overige geschiedt de tocht van de nieuwe stad

naar de oude met rijtuig, terwijl zij, die zoo gelukkig niet zijn

eigen equipage te bezitten, meestal gebruik maken van den tram of

paardenspoorweg, een vervoermiddel ook hier te lande niet onbekend,

daar het reeds in verscheiden steden wordt aangetroffen.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 15 / 38 题