12. De Himalaja.

Als men de vlakten van Hindostan naar het noorden heen langs

de uitmuntend aangelegde wegen doortrekt, begint eindelijk een

langzaam klimmen van het land. De weg loopt door bosschen, die het

hooggebergte, dat het groote hoogland van Achter-Azië omwalt, langs

zijn ganschen zuidelijken voet omzoomen. De door duizenden bronnen

bevochtigde bodem brengt er overal prachtig geboomte voort. Bloeiende

kruip- en slingerplanten van allerlei soort verbinden die reuzen der

plantenwereld met bonte en groene festoenen tot een schilderachtig

geheel. Statig ruischt het in de hooge toppen, en men ademt

verkwikkende, geurige woud- en berglucht in. Deze woudgordel van den

Himalaja is dun bevolkt. De meeste bewoners zijn herders, die hunne

kudden in de bosschen drijven en honig, vruchten en gom inzamelen,

om die tegen de voortbrengselen der vlakte te verruilen.

Deze woudstreek heeft eene breedte van vijf tot vijftien mijlen. Naar

den kant van het gebergte toe wordt zij minder dicht, maar beginnen

zich ook al spoedig rotsen te vertoonen en doen de sterke hellingen

diepe kloven en afgronden ontstaan. Heldere bergstroomen komen u

tegenruischen; de streek wordt meer bebouwd en op de met rotsklompen

bezaaide weiden en driften staan steenen woningen, met kleine tuinen en

korenvelden omringd.--Met elken voetstap ontwikkelt zich nu echter meer

de natuur van het alpenlandschap. Evenals in de benedenste streken op

de zuidzijde der Zwitsersche Alpen, vertoont zich hier overal een rijke

plantengroei. Verderop, met 4 tot 5,000 voet hoogte, begint de wasdom

van een kouder klimaat. Op de hoogte liggen ook de welbebouwde dalen

van Nepâl en Assam, die eene onuitputtelijke vruchtbaarheid bezitten

en met volkrijke steden en dorpen bezet zijn. Langs de zonnige wanden

rankt de met zorg gekweekte wijnstok en rondom de woningen strekken

zich plantsoenen van kerse-, pere- en abrikozeboomen nevens tierige

graanakkers uit. De verweerde rotsblokken zijn bekleed met aardbeziën,

die het gansche jaar door tegelijk bloesem en vrucht dragen. Deze

streek, wier hoogste bergtoppen tot ongeveer 9,000 voet gaan, vormt

den derden gordel om den eigenlijken Himalaja.

Eerst als men de middelste bergketen, waar het landschap met meren,

watervallen, stortbeken en al de wonderen der alpenwereld prijkt, heeft

beklommen, valt de eigenlijke Himalaja, het sneeuwgebergte van Thibet,

weder in het oog; maar de vertooning, die deze nog 12 tot 16,000

voet zich verheffende bergkegels opleveren, is indrukwekkend en hare

pracht en majesteit laat zich met geene woorden beschrijven. Noch

de Zwitsersche Alpen, noch Noorwegens verheven bergnatuur geven

een' maatstaf voor de pracht der groepeering en het reusachtige

van al de verhoudingen. In een halven kring van ongeveer dertig

duizend mijlen vertoont zich aan 't oog een beeld des doods en der

verschrikking. Gletschers stapelen zich op gletschers, sneeuwvelden op

sneeuwvelden, en uit deze rijzen de schrikbarende bergreuzen omhoog,

om in het helder blauw des hemels nevelachtig te verdwijnen. Wel

veertig toppen van den Himalaja, die eene onafzienbare reeks van

de geweldigste bergen der aarde vertoonen, overtreffen in hoogte

nog ver den Chimborasso. Nooit echter heeft een menschelijke voet

die nog betreden. Zelfs de meeste passen over den Himalaja zijn

hooger nog dan de toppen van den hoogsten berg in Europa, zoodat

de moeiten en bezwaren, waarvan zulk een overtocht vergezeld gaat,

dan ook onbeschrijfelijk zijn.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 14 / 38 题