Als men de vlakten van Hindostan naar het noorden heen langs
de uitmuntend aangelegde wegen doortrekt, begint eindelijk een
langzaam klimmen van het land. De weg loopt door bosschen, die het
hooggebergte, dat het groote hoogland van Achter-Azië omwalt, langs
zijn ganschen zuidelijken voet omzoomen. De door duizenden bronnen
bevochtigde bodem brengt er overal prachtig geboomte voort. Bloeiende
kruip- en slingerplanten van allerlei soort verbinden die reuzen der
plantenwereld met bonte en groene festoenen tot een schilderachtig
geheel. Statig ruischt het in de hooge toppen, en men ademt
verkwikkende, geurige woud- en berglucht in. Deze woudgordel van den
Himalaja is dun bevolkt. De meeste bewoners zijn herders, die hunne
kudden in de bosschen drijven en honig, vruchten en gom inzamelen,
om die tegen de voortbrengselen der vlakte te verruilen.
Deze woudstreek heeft eene breedte van vijf tot vijftien mijlen. Naar
den kant van het gebergte toe wordt zij minder dicht, maar beginnen
zich ook al spoedig rotsen te vertoonen en doen de sterke hellingen
diepe kloven en afgronden ontstaan. Heldere bergstroomen komen u
tegenruischen; de streek wordt meer bebouwd en op de met rotsklompen
bezaaide weiden en driften staan steenen woningen, met kleine tuinen en
korenvelden omringd.--Met elken voetstap ontwikkelt zich nu echter meer
de natuur van het alpenlandschap. Evenals in de benedenste streken op
de zuidzijde der Zwitsersche Alpen, vertoont zich hier overal een rijke
plantengroei. Verderop, met 4 tot 5,000 voet hoogte, begint de wasdom
van een kouder klimaat. Op de hoogte liggen ook de welbebouwde dalen
van Nepâl en Assam, die eene onuitputtelijke vruchtbaarheid bezitten
en met volkrijke steden en dorpen bezet zijn. Langs de zonnige wanden
rankt de met zorg gekweekte wijnstok en rondom de woningen strekken
zich plantsoenen van kerse-, pere- en abrikozeboomen nevens tierige
graanakkers uit. De verweerde rotsblokken zijn bekleed met aardbeziën,
die het gansche jaar door tegelijk bloesem en vrucht dragen. Deze
streek, wier hoogste bergtoppen tot ongeveer 9,000 voet gaan, vormt
den derden gordel om den eigenlijken Himalaja.
Eerst als men de middelste bergketen, waar het landschap met meren,
watervallen, stortbeken en al de wonderen der alpenwereld prijkt, heeft
beklommen, valt de eigenlijke Himalaja, het sneeuwgebergte van Thibet,
weder in het oog; maar de vertooning, die deze nog 12 tot 16,000
voet zich verheffende bergkegels opleveren, is indrukwekkend en hare
pracht en majesteit laat zich met geene woorden beschrijven. Noch
de Zwitsersche Alpen, noch Noorwegens verheven bergnatuur geven
een' maatstaf voor de pracht der groepeering en het reusachtige
van al de verhoudingen. In een halven kring van ongeveer dertig
duizend mijlen vertoont zich aan 't oog een beeld des doods en der
verschrikking. Gletschers stapelen zich op gletschers, sneeuwvelden op
sneeuwvelden, en uit deze rijzen de schrikbarende bergreuzen omhoog,
om in het helder blauw des hemels nevelachtig te verdwijnen. Wel
veertig toppen van den Himalaja, die eene onafzienbare reeks van
de geweldigste bergen der aarde vertoonen, overtreffen in hoogte
nog ver den Chimborasso. Nooit echter heeft een menschelijke voet
die nog betreden. Zelfs de meeste passen over den Himalaja zijn
hooger nog dan de toppen van den hoogsten berg in Europa, zoodat
de moeiten en bezwaren, waarvan zulk een overtocht vergezeld gaat,
dan ook onbeschrijfelijk zijn.