Passer, voorbijgaan.
c'est dommage, 't is jammer.
s'amuser _à_ patiner, zich vermaken _met_ schaatsenrijden.
s'amuser _à_ faire des zich vermaken _met_ glijden.
glissades,
s'amuser _à_ sortir en zich vermaken _met_ sleden
traîneau, (letterlijk: uitgaan in een slede).
le charbon, steenkool.
les vêtements, de kleeren.
la nourriture, het voedsel.
fondre, smelten.
un baquet d'eau, een bakje water.
une assiettée de pain, een bordvol brood.
le pinson, de vink.
la mésange, de mees.
tout de même, toch.
la _bonne_ chaleur, _die heerlijke_ (letterlijk: de goede)
warmte.
la terre, de aarde.
s'amollir, zachter, weeker worden.
le bourgeon, de knop.
se gonfler, zwellen (zich uitzetten).
bâtir, bouwen.
égayer, opvroolijken.
soigner, verzorgen.
un brin de paille, een strootje (letterlijk: een halm
van stroo).
la branche, de tak.
ce petit coin, dit hoekje.
entre, tusschen.
prêt, klaar.
la femelle, het wijfje.
pondre, leggen.
construire, bouwen (samenstellen).
pas du tout, in 't geheel niet.