Oter, uittrekken.
le gant, de handschoen.
dehors, buiten.
elle ne s'en était pas zij had het niet gemerkt.
aperçue,
sentir, voelen.
ne te mets pas près du poële, ga niet dicht bij de kachel
staan.
les mains te feraient mal, je handen zouden je zeer
doen.
un jeu, een spel.
Marie s'assied, Marie gaat zitten.
_en face d_'elle, _tegenover_ haar.
taper, klappen.
la paume, de palm van de hand.
_en_ mesure, _op_ de maat.
jusqu'au bout des doigts, tot aan de toppen der vingers.
s'agiter, zich bewegen.
entrez vite en danse, begin vlug te dansen.
frapper, slaan.