XXXVII.

Se sentir, zich gevoelen.

un peu seule, een beetje eenzaam.

comprendre, begrijpen.

l'herbe, het gras.

cueillir, plukken.

un arbuste, een struik, een heester.

la pâquerette, het madeliefje.

tout un petit bouquet, een heel bouquetje.

la couronne blanche, de witte kroon.

un bouton d'or, een boterbloempje (lett.: gouden

knoop).

en voilà encore quelques-uns, daar zijn er nog eenige.

comme ça sent bon ici, wat ruikt het hier lekker.

le lilas, de sering.

elle aimerait en cueillir, zij zou er graag van plukken.

appeler, roepen.

et cela _d_'une main, en dat _met_ één hand.

obéissant, gehoorzaam.

le sommet, de top, de kruin.

allons Paul, toe Paul.

_qu'est-ce que_ Paul doit _wat_ moet Paul doen.

faire,

un escabeau, een voetbankje.

les ciseaux, de schaar.

Entre Nous: Lectures françaises à l'usage des écoles primaires - I · 第 97 / 102 题