XXXIV.

La glace, het ijs.

un nouvel amusement, een nieuw vermaak.

geler, vriezen.

de suite, achtereen.

l'étang, de vijver.

couvrir, bedekken.

la couche, de laag.

ils ne savaient pas, ze konden niet.

patiner, schaatsenrijden.

emmener, meenemen.

il n'y avait pas de vent, er was geen wind.

briller, schitteren.

réchauffer, verwarmen.

se mettre en route, zich op weg begeven.

comme ils marchaient _d'un daar zij _flink op_ liepen.

bon pas_,

descendre, afdalen.

la glissade, de glijbaan.

glisser, glijden.

tout le temps, aldoor, telkens.

_que de_ patineurs, _wat een_ schaatsenrijders!

se croiser, zich kruisen.

dans tous les sens, in alle richtingen.

il _y_ =en= avait tant que, _er_ waren =er= zooveel, dat.

près du bord, dicht aan den kant.

tout ce _monde_, al deze _menschen_.

avoir envie, lust hebben.

le patin, de schaats.

j'aimerais tant, ik zou zoo graag.

arrivèrent lui dire bonjour, kwamen hem goeden dag zeggen, hem

groeten.

vous avez tellement chaud, jullie bent zoo warm.

attraper froid, kou vatten.

pour nous reposer, om uit te rusten.

se remettre en marche, weer verder gaan.

ils avaient disparu, zij waren verdwenen.

faire le tour des étangs, om de vijvers heenwandelen.

Entre Nous: Lectures françaises à l'usage des écoles primaires - I · 第 94 / 102 题