XXXIII.

Une grande cocarde blanche, een groote witte plek (letterlijk:

kokarde).

les restes, de overblijfselen.

une balle, een kogel.

on se bat, men vecht.

un gros bonhomme, een groote pop.

rouler, rollen.

deux grosses jambes, twee dikke beenen.

une grosse boule, een dikke bal.

représenter, voorstellen.

le corps, het lijf, het lichaam.

au milieu de la tête, in 't midden van het hoofd.

un peu aplatie, een beetje afgeplat.

au-dessus, boven.

à droite et à gauche, rechts en links.

une pierre, een steen.

les yeux, de oogen.

il est né, hij is geboren.

à présent, nu.

bombarder _de_, bombardeeren _met_.

lancer, werpen, slingeren.

_c'est comme ça qu_'il y _daardoor_ is er een.

en a,

effrayer, verschrikken.

comme elles sont debout, nu zij opgestaan zijn.

comme les garçons s'amusent, wat vermaken de jongens zich.

qui reçoit des visites, die bezoek (gasten) ontvangt.

se mouiller, zich nat maken.

faire attention, er aan denken.

prendre garde _à_, oppassen _voor_.

courir à toutes jambes, hard loopen.

suivre, volgen.

mettre une branche, een stokje (takje) steken.

la bouche, de mond.

il aura gagné, hij heeft gewonnen (letterlijk: hij

zal gewonnen hebben).

ils sont bien occupés, zij zijn druk bezig.

ramasser, oprapen.

continuer _à_, voortgaan _met_.

fumer, rooken.

siffler, fluiten.

_autour de_ ses oreilles, _om_ zijn ooren.

bouger, zich verroeren, bewegen.

toucher, raken.

viser, mikken.

elle s'amuse _tant_, zij heeft _zooveel_ pret (zij vermaakt

zich zoo).

elle rit _de tout coeur_, zij lacht _hartelijk_.

cela ne lui arrive pas dat gebeurt haar niet vaak.

souvent,

Entre Nous: Lectures françaises à l'usage des écoles primaires - I · 第 93 / 102 题