XXXII.

A présent, nu.

jouer à autre chose, iets anders spelen.

un service à thé, een theeserviesje.

un plateau, een theeblad.

la théière, de theepot.

le pot au lait, het melkkannetje.

la tasse, het kopje.

la soucoupe, het schoteltje.

enfin, eindelijk.

une boîte, een kistje (doos).

la cuiller, de lepel.

de l'eau bouillante, kokend water.

infuser, trekken.

le chauffe-thé, de theemuts (Eng. the cosy).

venir _en_ visite, _op_ visite komen.

vous allez bien? gaat het goed? (letterlijk: gij gaat

goed).

quel temps, n'est-ce pas, wat 'n weer, niet waar?

le gamin, de straatjongen.

ils vous jettent _des_ zij gooien je _met_ (sneeuw)ballen.

boules,

asseyez-vous, gaat zitten.

puis-je vous offrir, mag ik je aanbieden.

prenez-vous, hier: gebruik je.

remplir, vullen.

sans renverser une goutte, zonder een droppel te morsen.

sa tasse à elle, _haar_ (met klem) kopje.

verser, schenken.

ce n'est pas joli, 't is niet aardig.

un bain de pied, een voetbad.

_à_ ses visites, _tegen_ haar gasten.

je vais appeler, ik zal roepen.

en toile, van linnen.

en son, van zemelen.

en faïence, van aardewerk.

à la bonne heure, mooi zoo!

réparer, herstellen.

une boîte _en fer blanc_, een _blikken_ trommeltje (kistje,

doosje).

elle les offre, zij presenteert ze.

grignoter, knabbelen.

un grand coup, een harde slag.

de frayeur, van schrik.

Entre Nous: Lectures françaises à l'usage des écoles primaires - I · 第 92 / 102 题