Comme ça, zoodoende.
en même temps, te gelijk.
Jean apprenait à M. Jan leerde aan M.
_en_ voyage, _op_ reis.
le village, het dorp.
la plainte, de klacht.
font leur plainte de concert, klagen samen.
l'abri, de beschutting.
plus d'abri, geen beschutting meer.
percer, dringen door.
surtout, bovenal.
partager, deelen.
le goûter, de namiddag-boterham (de boterham die
Fransche kinderen om 4 uur eten, als
men laat 't middagmaal gebruikt).
les trous du voisinage, de schuilhoekjes (letterlijk: de
gaten) in de buurt.
joyeux tapage, vroolijk rumoer.
le toit, het dak.
les pauvrets, de arme bloedjes, de zieltjes.
prendre courage, moed scheppen.
gaîment, vroolijk, lustig, welgemoed.
braver, trotseeren.