La neige, de sneeuw.
comme toujours, zooals altijd.
il remarqua, hij merkte op.
quelque chose, iets.
qui ne l'avait jamais frappé, dat hem nooit getroffen had.
son papa à lui, _zijn_ (met nadruk) vader.
un somme, een slaapje.
revenir, terugkomen.
le monde renversé, de omgekeerde wereld.
un tel papa, zulk een vader.
Jean avait raison, Jan had gelijk.
les contes de fées, sprookjes.
mauvais, slecht.
il neige, het sneeuwt.
le rideau, het gordijn.
ils virent, zij zagen.
le flocon, de vlok.
le ciel, de hemel.
d'abord, puis, bientôt, eerst, dan, weldra.
un peu plus, een weinig meer.
on _ne_ voyait _plus que_ men zag niets anders _meer_ dan wit.
du blanc,
ils n'avaient _pas envie_, zij hadden _geen lust_.
monter, naar boven gaan.
ils pensèrent, zij dachten.
le lendemain, den volgenden morgen.
un tapis, een tapijt of kleed.
épais, dicht.
couvrir, bedekken.
jeudi, Donderdag.
ils se jetèrent _des_ boules zij wierpen elkaar _met_ sneeuwballen.
de neige,
le traîneau, de slede.
la glissade, de glijbaan.
qu'elle était amusante la wat was de sneeuw prettig!
neige,