Suite, vervolg.
le lendemain, den volgenden dag.
partit, vertrok.
qui s'était caché, die zich verborgen had.
derrière la porte, achter de deur.
le soir, des avonds (letterlijk: de avond).
il avait emporté des hij had blanke (witte) keisteentjes
cailloux blancs, meegenomen.
jeter, werpen.
la route, de weg.
quand le père fut parti, toen de vader weg was.
et que les six frères en toen de zes broertjes schreiden.
pleuraient,
suivez-moi, volgt mij.
retrouver, terugvinden.
en suivant, door te volgen.
rester, blijven.
quelque temps, eenigen tijd.
le père avait reçu, de vader had gekregen (lett.:
ontvangen).
quand il n'eut plus d'argent, toen hij geen geld meer had.
il résolut, hij besloot.
il emporta du pain, hij nam brood mee.
les laissant seuls, en liet hen alleen (letterlijk: hen
alleen latende).
les enfants voulurent de kinderen wilden naar huis
rentrer, terugkeeren.
il n'y avait plus de miettes, er waren geen kruimels meer.
les voilà tout seuls, nu waren ze heelemaal alleen.
grimper, klimmen.
une lumière, een licht.
il descendit de l'arbre, hij klom naar beneden (lett.: hij
daalde af van den boom).
les voilà _en route_, nu gingen ze _op weg_.
longtemps, lang.
ils frappèrent, zij klopten.
s'ils pouvaient, of ze mochten.
ils avaient peur _du_ loup, zij waren bang _voor den_ wolf.
la nuit, in den nacht of des nachts.
cette maison était _à_ son dit huis was _van_ haar man.
mari,
l'ogre, de menscheneter.
les cacher jusqu'_à_, hen verbergen _tot_.
elle entendit, zij hoorde.
le lit, het bed.