Quel vent désagréable! Wat 'n nare wind!
_quel_ vilain temps, _wat een_ leelijk weer.
il pleuvait, het regende.
il faisait du vent, het woei.
un vrai temps de novembre, echt Novemberweer.
chassait, joeg.
la figure, het gelaat.
Jean devait _aller_ en Jan moest naar school (_gaan_).
classe,
naturellement, natuurlijk.
il ne voulait pas, hij wilde niet.
ensemble, samen.
Jean _a_ trop _peur_, Jan _is_ veel te _bang_.
quelque chose de nouveau, iets nieuws.
il serait _en retard_, hij zou _ten achter_ komen.
comme dans la poésie, als in het liedje.
il irait, hij zou gaan.
le conduirait, zou hem brengen.
Jean boutonna, Jan knoopte dicht.
il tira, hij trok.
par dessus ses oreilles, over zijn ooren.
les voilà partis, daar gingen ze weg.
bras dessus, bras dessous, gearmd (letterlijk: arm boven, arm
onder).
_tant qu_'ils étaient, _zoolang_ zij waren.
entre, tusschen.
donc, dus.
commode, gemakkelijk.
poussait , voortduwde.
le plaisir était _fini_, de pret was _uit_ (letterlijk:
geëindigd).
souffla, blies.
d'un autre côté, van een anderen kant.
comme si, alsof.
à la fois, te gelijk.
elle résolut de le fermer, zij besloot hem dicht te doen.
trop tard, te laat.
le voilà retourné, hij was omgekeerd.
mouillait, maakte nat.
tout à fait, heelemaal.
presque, bijna.
arracher _des_ mains, rukken _uit de_ handen.
il essayait, hij probeerde.
rabattre, neerslaan.
en vain, vergeefs.
un sergent de ville, een (politie) agent.
il tint, hij (hield) pakte.
_de_ l'autre côté, _aan_ den anderen kant.
de sorte que, zoodat.
le vent _lui-même_, de wind _zelf_.
les baleines et l'étoffe, de baleinen en de stof.
il rabattit, hij sloeg neer.
mais _lui il_ ajouta, maar _hij_ (met nadruk) voegde erbij.