Délicieux, heerlijk, lekker.
bientôt, gauw, spoedig.
Rose retourna, Rosa keerde terug.
il ne pleuvait plus, het regende niet meer.
tranquille, kalm, rustig.
le vent ne pouvait pas _y_ de wind kon _er_ niet binnenkomen.
entrer,
chaque fois, telkens (lett.: elken keer).
essayait d'entrer, probeerde binnen te komen.
il soulevait, hij lichtte op.
les manteaux suspendus dans de mantels, die in de vestibule
le vestibule, hingen.
suspendu, (letterlijk: opgehangen).
il retournait, hij sloeg om.
les feuilles des livres, de bladen der boeken.
on lui fermait vite la porte men deed gauw de deur _voor zijn_
_au_ nez, neus dicht.
rester dehors, buiten blijven.
chasser, jagen.
taquiner, plagen.
autant que, zooveel als.
_c'est ce qu_'il faisait, _dat_ deed hij.
_par dessus_ les toits, _over_ de daken.
il les attrapait, hij pakte ze.
la cime, de top.
penchait à droite et à boog naar rechts en links.
gauche,
les branches craquaient, de takken kraakten.
les feuilles mortes, de dorre (letterlijk: doode) bladeren.
s'envolaient, vlogen.
partout, overal heen.
elles ne savaient pas où zij wisten niet, waar ze heen zouden
aller, gaan (letterlijk: waar te gaan).
frayeur, angst.
pour les attraper _au vol_, om ze _in de vlucht_ te vangen.