Qu'est-ce que, wat.
promis, beloofd.
très bête, zeer of erg dom.
quelque chose, iets.
travaillé en classe, gewerkt in de school.
Paul se taisait, Paul zweeg.
toujours, aldoor (letterlijk: altijd).
elle allait le prendre, zij wilde (letterlijk: ging) hem
pakken.
_par_ le bras, _bij_ den arm.
secouer, schudden.
elle se rappela, zij herinnerde zich.
qu'il _n_'avait _qu_'un bon dat hij _maar_ één goeden arm had.
bras,
le gronda, beknorde hem.
seulement, alleen maar.
heureusement, gelukkig.
la porte s'ouvrit, de deur ging open (lett.: opende
zich).
_ton_ petit Paul _à toi_, _jouw_ kleine Paul.
je veux bien, graag (lett.: ik wil wel).
de toutes leurs oreilles, met beide ooren (lett.: met al hun
ooren).
Louis déclama, Louis zei op.
a doré, heeft verguld.
s'éveille, wordt wakker.
joyeux, vroolijk.
il quitte, hij verlaat.
sans peine, zonder moeite.
son oreiller, zijn kussen (van oreille = oor; een
canapé-kussen = un coussin).
soyeux, zacht (lett.: zijdeachtig; soie =
zijde).
au plus vite, heel vlug (zoo gauw mogelijk).
il fait sa toilette, hij wascht en kleedt zich.
le teint _vermeil_, de _roode_ gelaatskleur.
surtout, vooral.
de sa peau bien nette, van zijn zindelijke (reine) huid.
les jeux, de spelen.
au grand soleil, in de volle zon.
parfois, somtijds.
amère, bitter.
le savoir, het weten.